Vervalbeding van aannemer, advocaat of accountant
Tegenover een consument wordt een vervalbeding van een aannemer, advocaat of accountant vrijwel altijd vermoed onredelijk bezwarend: de opdrachtnemer moet dan onderbouwen waarom het beding toch redelijk is. Bij bouwvoorwaarden die met consumentenorganisaties tot stand kwamen, lukte dat meestal; bij eenzijdige voorwaarden van advocaten en accountants meestal niet. Tegenover een ondernemer hielden termijnen van een of twee jaar in de geanalyseerde uitspraken meestal stand. De Hoge Raad liet op 25 september 2026 open of de termijnen in de bouwvoorwaarden AVA 2013 tegenover een consument standhouden.
Vervaltermijn AVA 2013: dagvaarding bijna zeven weken te laat
Met zijn arrest van 25 september 2026 vernietigde de Hoge Raad een tussenarrest van het hof Amsterdam, gewezen halverwege de procedure. Dat hof had de vervaltermijnen van artikel 16.3 AVA 2013 aangemerkt als oneerlijk beding in een consumentenovereenkomst, in een zaak van twee particulieren die een huis lieten bouwen. De zaak gaat terug naar het hof Den Haag.
In december 2014 sloten de opdrachtgevers een overeenkomst van aanneming van werk voor een vrijstaande woning, met de AVA 2013 van Bouwend Nederland van toepassing. Het werk werd op 17 december 2015 opgeleverd en de onderhoudstermijn van dertig dagen liep af op 17 januari 2016. In september 2018 beschadigde een storm het dak. Het bedrijf dat de schade herstelde, zag dat de nok niet goed was uitgevoerd en dat de hele dakconstructie te licht leek. De opdrachtgevers stelden de aannemer in februari 2019 in gebreke en dagvaardden hem op 5 maart 2021.
Volgens artikel 16.3 lid 4 AVA 2013 is een rechtsvordering wegens een gebrek dat na de onderhoudstermijn aan het licht komt, niet-ontvankelijk als zij meer dan vijf jaar na die termijn wordt ingesteld: de rechter komt dan niet toe aan de vraag of er werkelijk een gebrek is. Bij een ernstig gebrek geldt tien jaar. De vijf jaar eindigden op 17 januari 2021, dus de dagvaarding kwam bijna zeven weken te laat. Deze termijn is, anders dan een verjaringstermijn, niet te stuiten: een brief laat hem niet opnieuw beginnen. Onder dit beding houdt alleen het tijdig aanhangig maken van een procedure hem tegen.
De rechtbank Noord-Holland wees de vorderingen in januari 2022 af: de termijn was royaal, en een vergelijkbaar beding staat in consumentenvoorwaarden die met consumentenorganisaties zijn opgesteld (r.o. 4.8). Het hof Amsterdam oordeelde in december 2024 anders. Het beding dient volgens het hof hetzelfde doel als de wettelijke klachtplicht en verjaring, maar weegt zwaarder op de consument (r.o. 5.8-5.9). Hij moet procederen en kan de termijn niet stuiten. De termijn kan al lopen voordat het gebrek is ontdekt. En hij verliest volgens het hof al zijn rechten, de lezing die de Hoge Raad later onbegrijpelijk noemde. Dat gold volgens het hof ook voor de termijnen van twee en tien jaar (r.o. 5.12).
Hoge Raad: drie klachten slagen, de hoofdvraag blijft open
De Hoge Raad vernietigde het arrest op drie punten. Het eerste is de uitleg: artikel 16.3 lid 4 spreekt van een rechtsvordering die "niet ontvankelijk" is als zij te laat "wordt ingesteld". Het oordeel dat daardoor alle rechten vervallen, is in het licht van die tekst en van wat partijen hadden aangevoerd onbegrijpelijk (r.o. 3.3). Advocaat-generaal Valk, die de Hoge Raad vóór het arrest adviseerde, telde in die ene zin drie aanwijzingen dat alleen de rechtsvordering vervalt (conclusie A-G Valk, 3.30).
Het tweede punt betreft consumentenorganisaties. Volgens het hof zeggen vergelijkbare bedingen in voorwaarden die met zulke organisaties zijn opgesteld "niets" over de eerlijkheid van een concreet beding. Volgens de Hoge Raad komt aan die omstandigheid juist "mede betekenis" toe (r.o. 3.5).
Het derde punt betreft de tweejaarstermijn van lid 3. Die geldt alleen voor gebreken die binnen de onderhoudstermijn aan het licht kwamen, en kan dus niet lopen voordat het gebrek zichtbaar is. Het hof mocht hem daarom niet zonder nadere motivering op dezelfde gronden oneerlijk achten als de termijnen van lid 4 (r.o. 3.7).
De hoofdvraag liet de Hoge Raad liggen (r.o. 3.8), zoals de A-G had aanbevolen. Hij vermoedt dat aannemers er bij hun prijzen in het algemeen stilzwijgend van uitgaan dat hun aansprakelijkheid korter duurt dan de wet voorschrijft (conclusie 3.16). Een rechter die zulke termijnen terzijde schuift, moet beseffen dat de gevolgen groot zijn; de motivering "luistert daarom extra nauw" (conclusie 3.17). Een precedent hoort idealiter in een prejudiciële procedure, waarin de Hoge Raad op vragen van een lagere rechter antwoordt en ook de bouwsector en consumentenorganisaties kunnen inspreken. Deze zaak was een verstekzaak: de opdrachtgevers waren in cassatie niet verschenen (conclusie 3.35).
Zwarte lijst, grijze lijst of de open norm
Een beding in algemene voorwaarden is vernietigbaar als het onredelijk bezwarend is voor de wederpartij (artikel 6:233 onder a BW). Dat is de open norm, waarbij alle omstandigheden meetellen. Voor consumenten vult de wet die norm in met twee lijsten, en de Hoge Raad heeft uitgelegd waar vervalbedingen terechtkomen (arrest van 27 maart 2020, r.o. 3.1.3).
Een beding dat een wettelijke verjarings- of vervaltermijn verkort tot minder dan een jaar, staat op de zwarte lijst en is altijd onredelijk bezwarend (artikel 6:236 onder g BW). Een verkorting tot een jaar of meer wordt alleen aan de open norm getoetst. Alle andere vervalbedingen, ook een contractuele vervaltermijn die een wettelijke verjaringstermijn vervangt, staan op de grijze lijst: ze worden vermoed onredelijk bezwarend te zijn (artikel 6:237 onder h BW). In 2023 voegde de Hoge Raad toe dat hetzelfde geldt voor een beding dat de klachtplicht van artikel 6:89 BW, klagen binnen bekwame tijd, vervangt door een vaste, korte termijn (arrest van 8 september 2023, r.o. 3.3.3-3.3.4).
Een vervalbeding van een opdrachtnemer belandt tegenover een consument daarmee vrijwel altijd op de grijze lijst. Bij aanneming vervangt het de verjaring van artikel 7:761 BW, bij een advies- of juridische opdracht de verjaring van vijf jaar na bekendheid uit artikel 3:310 BW. Welke onderbouwing de opdrachtnemer moet geven om het vermoeden te weerleggen, hangt af van de omstandigheden en van wat partijen aanvoeren (Achmea/Stedin, 23 januari 2026, r.o. 3.2.2). In consumentenzaken wordt artikel 6:233 BW uitgelegd in overeenstemming met de richtlijn oneerlijke bedingen: een onredelijk bezwarend beding is tevens oneerlijk, en de rechter moet de lijsten ambtshalve betrekken, dus uit zichzelf (r.o. 3.2.1). Dat geldt ook voor advocaten, want de richtlijn ziet op standaardovereenkomsten voor juridische diensten met een consument (HvJ EU 15 januari 2015, Šiba).
Het moment van de toets is de sluiting van de overeenkomst (artikel 4 lid 1 van de richtlijn). Wat daarna gebeurt, hoort bij een tweede toets: is het beroep op het beding in het concrete geval naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar (artikel 6:248 lid 2 BW)? Voor de eerste toets bepalen in de geanalyseerde uitspraken vier vragen de uitkomst: is de wederpartij consument, wie stelde het beding op, hoe werkt de termijn, en wat moet er binnen die termijn gebeuren.
Consument of ondernemer: het bereik van de lijsten
De lijsten beschermen alleen een natuurlijk persoon die niet handelt in de uitoefening van een beroep of bedrijf. Rechters beoordelen dat per opdracht en naar het doel ervan. Een DGA met een vastgoedportefeuille was ook voor zijn aangifte inkomstenbelasting geen consument tegenover zijn accountant: zijn belangen als belegger en DGA waren met dat werk verweven (hof Arnhem-Leeuwarden, 16 december 2025, r.o. 3.22-3.23).
Hoe groot het verschil is, laat het NBA-modelbeding voor accountants zien: vorderingen vervallen een jaar nadat de opdrachtgever ermee bekend werd of redelijkerwijs bekend kon zijn. In een zaak tegen een B.V. noemde de rechtbank Midden-Nederland zo'n termijn "in de praktijk gebruikelijk" (rechtbank Midden-Nederland, 25 mei 2022, r.o. 3.5-3.7). In een zaak van een tuinder kreeg de rechtbank Zeeland-West-Brabant in april 2024 een gelijkluidend beding voorgelegd. Tegenover de tuinder, die bij zijn huwelijkse voorwaarden als consument handelde, vernietigde zij het ambtshalve, omdat het accountantskantoor onvoldoende had aangevoerd om het vermoeden te weerleggen. Tegenover zijn B.V. bleef hetzelfde beding overeind (r.o. 5.9 en 5.11-5.14).
Wie geen consument is maar er wel op lijkt, kan de lijsten via reflexwerking toch laten meewegen. In hetzelfde arrest van 8 september 2023 liet de Hoge Raad in stand dat het hof Arnhem-Leeuwarden bij een kaas- en zuivelbedrijf meewoog dat het klachtbeding van zijn financieel adviseur op een lijst staat. De ingewikkelde financiële materie viel buiten de eigenlijke bedrijfsactiviteiten, en het bedrijf had juist daarom een deskundige ingeschakeld (r.o. 3.2.2-3.2.3). Gaat de opdracht over de kern van het bedrijf, zoals een mestvergister voor een biogasbedrijf, dan faalt dat beroep (rechtbank Overijssel, 10 december 2025, r.o. 5.9-5.11).
Wie het beding opstelde, en met wie
Volgens het arrest van 25 september komt "mede betekenis" toe aan de omstandigheid dat een vergelijkbaar beding voorkomt in andere voorwaarden die in overleg met consumentenorganisaties zijn opgesteld (r.o. 3.5). De A-G noemt de instemming van een belangenbehartiger, in aansluiting op de literatuur, "in beginsel slechts een steunargument", en geen reden voor een mildere toets (conclusie 3.23). Wel telt mee wat er tegenover staat: heeft een consumentenorganisatie een beding aanvaard omdat zij elders iets binnenhaalde, dan is dat compenserend voordeel (conclusie 3.25).
In de bouw weegt die betrokkenheid zwaar. Het hof Den Haag liet in juni 2021 een vervaltermijn van vijf jaar na een garantieperiode van zes maanden in stand in voorwaarden voor nieuwbouwwoningen. Een identiek beding stond in een model dat onder meer de Consumentenbond en Vereniging Eigen Huis mee vaststelden, en in consumentenvoorwaarden voor verbouwingen die onder toezicht van de SER tot stand kwamen. Daarbij kwamen een afbouw- en herstelgarantie en een termijn van twintig jaar voor ernstige gebreken (r.o. 5.8-5.9). De rechtbank Midden-Nederland volgde die lijn in april 2026 voor de voorwaarden van Woningborg, ook al werd het gebrek aan een drain pas bijna vier jaar na het einde van de termijn zichtbaar (r.o. 3.9 en 3.17).
Waar zo'n overleg ontbrak, moest de opdrachtnemer het vermoeden op eigen kracht weerleggen, en tegenover consumenten liep dat in de geanalyseerde zaken meestal mis. In een zaak over de beroepsaansprakelijkheid van een advocaat oordeelde het hof Den Haag in mei 2026 dat diens vervalbeding, een jaar na bekendheid, tegenover een voormalig vrachtwagenchauffeur onredelijk bezwarend was. Dat een dossier binnen een jaar kan zijn geschoond, past niet bij de bewaarplicht van vijf jaar. De cliënt nam een advocaat juist omdat hij de materie niet kende, en van een consument mag niet worden verwacht dat hij op zo'n beding bedacht is (r.o. 6.9-6.10).
Rechtszekerheid alleen is niet genoeg. De rechtbank Zeeland-West-Brabant vernietigde in december 2024 ambtshalve het beding van een advocatenkantoor dat alleen rechtszekerheid aanvoerde, terwijl alle stukken een jaar later nog voorhanden bleken (r.o. 4.14).
Duur, aanvang en stuiting van de termijn
De lengte telt in verhouding tot de wet. Vijf tot vijfenhalf jaar na oplevering noemden rechters in de bouw "ruim" of "royaal", omdat de meeste verborgen gebreken binnen die tijd aan het licht komen (hof Den Haag 2021, r.o. 5.8; rechtbank Noord-Holland 2022, r.o. 4.8). Een jaar is tegenover een consument een "substantieel veel kortere" termijn dan de wettelijke vijf jaar, oordeelde de rechtbank Noord-Holland over een procesfinancier (rechtbank Noord-Holland, 12 november 2025, r.o. 4.7).
Het lastigste punt is het beginmoment. Een termijn die loopt vanaf de oplevering of het einde van de opdracht, kan verstrijken voordat de opdrachtgever weet dat er iets mis is. In veel voorwaarden van advocaten en accountants loopt de termijn pas vanaf bekendheid: het moment waarop de cliënt van de fout weet of had kunnen weten. Bij een dienstverlener kan dat laat liggen: wie op de deskundigheid van zijn adviseur mocht vertrouwen, heeft soms pas voldoende zekerheid na een juridisch advies of een rechterlijk oordeel (HR 9 oktober 2020, r.o. 3.3.3). Zo liet de rechtbank Overijssel een vervaltermijn in adviesvoorwaarden pas lopen vanaf een beslissing van de NBA-klachtencommissie (rechtbank Overijssel, 28 april 2021, r.o. 4.37-4.38).
Dat de bouw koos voor een vervaltermijn, die niet te stuiten is (rechtbank Noord-Holland 2022, r.o. 4.7), vindt de A-G invoelbaar. Een verjaring kan in het Nederlandse stelsel telkens opnieuw worden gestuit, zodat een aannemer reserves of verzekering in veel gevallen langer dan twintig jaar zou moeten aanhouden. De keerzijde is dat een opdrachtgever zijn vordering bij een vervaltermijn eerder onverhoeds kwijtraakt (conclusie 3.15). Voor het hof Amsterdam waren de noodzaak om te procederen en het ontbreken van stuiting twee van de drie kernbezwaren (r.o. 5.9). In de overige geanalyseerde uitspraken gaf geen rechter die twee kenmerken de doorslag.
Let daarom op de woordkeus. Een beding dat de vordering na een jaar laat "verjaren", verkort de wettelijke verjaring en blijft verjaring. Het is wel te stuiten, bij een schadevordering al met een brief waarin de opdrachtgever zich ondubbelzinnig zijn recht op schadevergoeding voorbehoudt (artikel 3:317 lid 1 BW). Sommige voorwaarden combineren beide figuren. In de voorwaarden van Scania "verjaart" een vordering na één jaar en "vervalt" zij na twee jaar; een aansprakelijkstelling en de correspondentie daarover hielden de vervaltermijn niet tegen, al strandde het beroep op het beding op redelijkheid en billijkheid (rechtbank Zeeland-West-Brabant, 2 april 2025, r.o. 4.10 en 4.17). Bij zo'n beding is het korte deel te stuiten, maar moet vóór de buitengrens worden geprocedeerd.
Wat binnen de termijn moet gebeuren, en wat vervalt
Een goed beding zegt wat de opdrachtgever binnen de termijn moet doen om verval te voorkomen. Letterlijk gelezen verviel de vordering in de Haagse advocatenzaak na een jaar, "ook als binnen dat jaar is geklaagd of zelfs een vordering aanhangig is gemaakt". Het hof woog dat tegen het beding, al was dat voor de beslissing niet nodig (r.o. 6.11). Over het NBA-beding, dat die vraag openlaat, lopen de oordelen uiteen. Twee rechtbanken vonden een aansprakelijkstelling binnen de termijn onvoldoende (rechtbank Midden-Nederland 2022, r.o. 3.10; de zaak van de tuinder, r.o. 5.13). Het hof Arnhem-Leeuwarden liet in april 2021 bij een woordelijk gelijk beding een aansprakelijkstelling wel volstaan (r.o. 4.10).
Wat er vervalt, is een kwestie van uitleg: een vervalbeding leidt niet automatisch tot verlies van alle rechten (conclusie 3.28). De tekst van de bouwvoorwaarden wijst erop dat alleen de rechtsvordering vervalt, en dat heeft praktische betekenis. In de arbitrale rechtspraak over de vergelijkbare bepaling in de UAV is vaste lijn dat de opdrachtgever na afloop van de termijn nog kan verrekenen met wat hij de aannemer verschuldigd is. De bepaling noemt immers alleen de rechtsvordering, en ook verrekening eindigt niet door verjaring (artikel 6:131 lid 1 BW; conclusie 3.30, voetnoot 34). Luidt het beding dat het recht zelf vervalt, dan gaan verrekening en opschorting mee. Zo kon een agrarische maatschap die te laat schadevergoeding vorderde van haar voerleverancier, die vordering ook niet meer verrekenen met de openstaande facturen (hof Arnhem-Leeuwarden, 24 juni 2025, r.o. 2.6 en 3.13-3.14).
Redelijkheid en billijkheid als vangnet
Houdt het beding stand, dan kan een beroep erop nog onaanvaardbaar zijn (artikel 6:248 lid 2 BW). Rechters toetsen terughoudend, maar opdrachtnemers verliezen hier geregeld, ook tegen ondernemers. Een accountant hield een agrariër met een eenmanszaak voor dat het goed zou komen en dat hij zijn verantwoordelijkheid zou nemen, tot zijn verzekeraar zich ermee bemoeide. Hij kondigde nooit ondubbelzinnig aan dat hij het beding zou inroepen, en kon er zich mede daarom niet meer op beroepen (hof Arnhem-Leeuwarden 2021, r.o. 4.10). Een belastingadviseur kon zich evenmin op zijn beding beroepen: het zei niet wat de cliënten moesten doen, en hij had na de klacht voorgehouden dat hij en zijn verzekeraar een oplossing zochten, zonder vóór het einde van de termijn een definitief standpunt in te nemen (hof 's-Hertogenbosch, 28 november 2023, r.o. 3.25-3.26). Een advocatenkantoor kon zich niet op twaalf maanden na de werkzaamheden beroepen voor fouten die de cliënt pas via een andere advocaat kon ontdekken (rechtbank Den Haag, 6 januari 2016, r.o. 4.5).
Stilzitten na een klacht kan de opdrachtgever zijn vordering kosten. Kopers die na hun klacht over een bouwkundige keuring ruim zestien maanden wachtten met dagvaarden, verloren hun vordering tegen de keurder. Een aantal rechters woog het stilzitten van de opdrachtgever mee in de toets van het beding zelf (rechtbank Gelderland, 22 februari 2023, r.o. 4.6; zie ook hof Den Haag 2021, r.o. 5.8, en rechtbank Noord-Holland 2022, r.o. 4.8). De wettekst spreekt weliswaar van gedragingen die het verval rechtvaardigen, maar de richtlijn legt de toets op het moment van contractsluiting. Wat daarna gebeurt, hoort daarom bij redelijkheid en billijkheid. Ook het hof Amsterdam liet omstandigheden van na de sluiting buiten de toets van het beding (r.o. 5.10).
Wat betekent dit voor opdrachtgevers en opdrachtnemers?
Voor een opdrachtgever begint het bij de vraag of de voorwaarden wel van toepassing zijn. Een deel van de vervalbedingen sneuvelt al omdat de opdrachtgever geen redelijke mogelijkheid kreeg om ervan kennis te nemen (artikel 6:233 onder b BW). Zo erkende een advocatenkantoor ter zitting dat het zijn voorwaarden niet had toegestuurd (rechtbank Amsterdam, 9 april 2025, r.o. 3.2).
Daarna telt de woordkeus. Staat er "verjaart", dan stuit een aansprakelijkstelling met een ondubbelzinnig voorbehoud de termijn. Staat er "vervalt", dan is op zo'n brief niet te vertrouwen, en een tuchtklacht telt niet als procedure (rechtbank Midden-Nederland 2022, r.o. 3.11). Een vordering tot ontbinding is nooit met een brief te stuiten: daarvoor moet binnen zes maanden na een aanmaning een daad van rechtsvervolging volgen (HR 14 november 2025, r.o. 3.2.5). Wie zeker wil zijn, begint tijdig een procedure en rekent niet op het vangnet.
Een consument heeft het voordeel dat de rechter de lijsten uit zichzelf moet toetsen. Een ondernemer staat zwakker: voor hem geldt hooguit de open norm. Zijn kansen liggen onder meer bij reflexwerking, als de opdracht buiten zijn eigenlijke bedrijf viel, en bij redelijkheid en billijkheid, als de opdrachtnemer na de klacht de indruk wekte dat het goed zou komen. Wie nog een factuur open heeft, laat nagaan of het beding de rechtsvordering laat vervallen of het recht zelf: daarvan kan afhangen of verrekening nog mogelijk is.
In lopende zaken over de AVA 2013 en vergelijkbare voorwaarden ligt de uitkomst weer open. De aannemer zal wijzen op voorwaarden die met consumentenorganisaties tot stand kwamen, de opdrachtgever op de dwang om te procederen en het ontbreken van stuiting, bezwaren die de Hoge Raad onbesproken liet. Voor de aanneming van bouwwerken die vanaf 1 januari 2024 is overeengekomen, geldt bovendien artikel 7:758 lid 4 BW (rechtbank Den Haag, 13 augustus 2025, r.o. 5.2.7). De aannemer is dan aansprakelijk voor gebreken die bij de oplevering niet zijn ontdekt, tenzij die hem niet zijn toe te rekenen. Tegenover een consument mag daarvan niet ten nadele worden afgeweken. Over vervaltermijnen zegt het artikellid niets.
Voor een opdrachtnemer is de les dat rechtszekerheid alleen het vermoeden niet weerlegt. Wie het beding tegenover consumenten wil handhaven, onderbouwt concreet waarom de termijn nodig is: bewijspositie, verzekerbaarheid, vergelijkbare voorwaarden die met consumentenorganisaties tot stand kwamen, en wat er tegenover staat, zoals een garantie of een langere termijn voor ernstige gebreken. Een beding dat vanaf bekendheid loopt en duidelijk zegt welke handeling het verval voorkomt, staat sterker dan een beding dat vanaf de werkzaamheden loopt en daarover zwijgt. En wie na een klacht onderhandelt, laat de cliënt beter niet in het ongewisse of hij het beding zal inroepen.
Veelgestelde vragen
Welke termijnen gelden als er geen vervalbeding is?
Dan geldt de wet. Klagen moet binnen bekwame tijd nadat de fout is ontdekt of redelijkerwijs had moeten worden ontdekt (artikel 6:89 BW); een vaste termijn geldt daarbij niet, ook niet als uitgangspunt. Een schadevordering tegen een adviseur of advocaat verjaart vijf jaar na bekendheid met schade en aansprakelijke, uiterlijk twintig jaar na de gebeurtenis (artikel 3:310 BW). Bij een bouwwerk is dat twee jaar na het protest en uiterlijk twintig jaar na oplevering (artikel 7:761 BW).
Mag een opdrachtnemer zich pas in de procedure op het vervalbeding beroepen?
Ja, dat mag, zo oordeelde de rechtbank Zeeland-West-Brabant in de zaak van de tuinder (april 2024, r.o. 5.5). Laat inroepen kan wel geld kosten. De kantonrechter in Amersfoort gaf een aannemer die zich pas laat op het beding beriep, geen vergoeding voor de extra akte (rechtbank Midden-Nederland 2026, r.o. 3.20). En wie eerst de indruk wekte dat het goed zou komen, riskeert dat zijn beroep op het beding afstuit op redelijkheid en billijkheid.
Welke termijn geldt onder de AVA 2013 voor een ernstig gebrek?
Tien jaar na de onderhoudstermijn. Een gebrek is alleen ernstig als het werk geheel of gedeeltelijk is ingestort of dreigt in te storten, of ongeschikt is of dreigt te raken voor zijn bestemming, en dat alleen met zeer kostbare voorzieningen is te voorkomen. Die drempel ligt hoog: een gebrek in de dekvloer en kromgetrokken vlonderplanken op galerijen haalden hem niet (rechtbank Noord-Holland 2022, r.o. 4.13-4.16, en 14 juni 2023, r.o. 2.6-2.7).
Aangehaalde rechtspraak
Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2026:1556 (25 september 2026, r.o. 3.3, 3.5 en 3.7; de uitleg dat art. 16.3 lid 4 AVA 2013 alle rechten doet vervallen is onbegrijpelijk, betrokkenheid van consumentenorganisaties bij vergelijkbare voorwaarden heeft mede betekenis, de termijn van lid 3 loopt niet vóór het aan de dag treden van het gebrek; verwezen naar hof Den Haag); ECLI:NL:HR:2026:97 (23 januari 2026, Achmea/Stedin, r.o. 3.2.1-3.2.2; lijsten ambtshalve betrekken in consumentenzaken, de vereiste onderbouwing van de weerlegging hangt af van omstandigheden en partijdebat); ECLI:NL:HR:2023:1197 (8 september 2023, r.o. 3.2.2-3.3.4; klachtbeding dat art. 6:89 BW vervangt valt onder de grijze lijst, reflexwerking als de opdracht buiten de eigenlijke bedrijfsactiviteiten valt); ECLI:NL:HR:2020:531 (27 maart 2020, r.o. 3.1.3; verdeling van vervalbedingen over zwarte lijst, open norm en grijze lijst); ECLI:NL:HR:2025:1685 (14 november 2025, r.o. 3.2.2-3.2.5; verjaring van een schadevordering is met een schriftelijke mededeling te stuiten, die van een vordering tot ontbinding alleen met een aanmaning gevolgd door een daad van rechtsvervolging); ECLI:NL:HR:2020:1603 (9 oktober 2020, r.o. 3.3.3; wie op de deskundigheid van een fiscaal of juridisch dienstverlener mocht vertrouwen, heeft soms pas voldoende zekerheid na een juridisch advies of rechterlijk oordeel).
Hof van Justitie EU: C-537/13, Šiba (15 januari 2015; richtlijn 93/13 geldt voor standaardovereenkomsten voor juridische diensten tussen advocaat en consument).
Conclusies: ECLI:NL:PHR:2026:308 (A-G Valk, 27 maart 2026, 3.15-3.17, 3.23-3.25, 3.28-3.30 en 3.35; achtergrond van vervaltermijnen in de bouw, tweezijdigheid als steunargument, uitleg van het rechtsgevolg, pleidooi voor een niet-principiële afdoening).
Gerechtshoven: ECLI:NL:GHDHA:2026:942 (Den Haag, 12 mei 2026, r.o. 6.9-6.11; eenjaarsbeding van een advocaat tegenover een consument onredelijk bezwarend); ECLI:NL:GHARL:2025:8414 (Arnhem-Leeuwarden, 16 december 2025, r.o. 3.22-3.23; DGA met vastgoedportefeuille geen consument tegenover zijn accountant); ECLI:NL:GHARL:2025:3898 (Arnhem-Leeuwarden, 24 juni 2025, r.o. 2.6 en 3.13-3.14; met het vervallen recht vallen ook verrekening en opschorting weg); ECLI:NL:GHAMS:2024:3490 (Amsterdam, 17 december 2024, r.o. 5.8-5.12; vervaltermijnen AVA 2013 oneerlijk geacht, vernietigd door de Hoge Raad op 25 september 2026); ECLI:NL:GHSHE:2023:3996 ('s-Hertogenbosch, 28 november 2023, r.o. 3.25-3.26; beroep van belastingadviseur op onduidelijk beding onaanvaardbaar na voorgehouden oplossing); ECLI:NL:GHDHA:2021:1657 (Den Haag, 8 juni 2021, r.o. 5.8-5.9; vervaltermijn van vijf jaar na garantieperiode in nieuwbouwvoorwaarden niet oneerlijk); ECLI:NL:GHARL:2021:3211 (Arnhem-Leeuwarden, 6 april 2021, r.o. 4.10; aansprakelijkstelling binnen de termijn volstaat, beroep van accountant op het beding onaanvaardbaar).
Rechtbanken: ECLI:NL:RBMNE:2026:2146 (Midden-Nederland, kantonrechter Amersfoort, 22 april 2026, r.o. 3.9, 3.17 en 3.20; vervaltermijn Woningborg niet onredelijk bezwarend, ook bij een gebrek dat na afloop zichtbaar werd); ECLI:NL:RBOVE:2025:7295 (Overijssel, 10 december 2025, r.o. 5.9-5.11; geen reflexwerking bij een opdracht over de kern van het bedrijf); ECLI:NL:RBNHO:2025:13335 (Noord-Holland, 12 november 2025, r.o. 4.7; eenjaarsbeding van procesfinancier tegenover consument ambtshalve vernietigd); ECLI:NL:RBZWB:2025:1904 (Zeeland-West-Brabant, 2 april 2025, r.o. 4.10, 4.14 en 4.17; beding dat na een jaar verjaart en na twee jaar vervalt, aansprakelijkstelling houdt het verval niet tegen, beroep erop toch onaanvaardbaar); ECLI:NL:RBDHA:2025:15120 (Den Haag, 13 augustus 2025, r.o. 5.2.7; art. 7:758 lid 4 BW geldt niet voor overeenkomsten van vóór 2024); ECLI:NL:RBAMS:2025:2255 (Amsterdam, 9 april 2025, r.o. 3.2; voorwaarden niet toegezonden, beding vernietigbaar); ECLI:NL:RBZWB:2024:9397 (Zeeland-West-Brabant, 31 december 2024, r.o. 4.14; vermoeden niet weerlegd met alleen rechtszekerheid, stukken nog voorhanden); ECLI:NL:RBZWB:2024:2940 (Zeeland-West-Brabant, 24 april 2024, r.o. 5.5, 5.9 en 5.11-5.14; accountantsbeding tegenover consument ambtshalve vernietigd, tegenover diens B.V. in stand, beroep pas in de procedure toegestaan); ECLI:NL:RBNHO:2023:5694 (Noord-Holland, 14 juni 2023, r.o. 2.6-2.7 en 2.10; VvE valt buiten de richtlijn, geen ernstig gebrek); ECLI:NL:RBGEL:2023:834 (Gelderland, 22 februari 2023, r.o. 4.6; vermoeden weerlegd met het stilzitten van de kopers); ECLI:NL:RBOVE:2021:1903 (Overijssel, 28 april 2021, r.o. 4.37-4.38; vervaltermijn vanaf bekendheid begint pas bij voldoende zekerheid, hier de beslissing van de NBA-klachtencommissie); ECLI:NL:RBMNE:2022:2033 (Midden-Nederland, 25 mei 2022, r.o. 3.5-3.7 en 3.10-3.11; NBA-beding tegenover B.V. gebruikelijk, aansprakelijkstelling en tuchtklacht onvoldoende); ECLI:NL:RBNHO:2022:142 (Noord-Holland, 12 januari 2022, r.o. 4.7-4.8 en 4.13-4.16; eerste aanleg in de AVA-zaak, termijn royaal en niet te stuiten, geen ernstig gebrek); ECLI:NL:RBDHA:2016:23 (Den Haag, 6 januari 2016, r.o. 4.5; beroep van advocatenkantoor op termijn vanaf de werkzaamheden onaanvaardbaar).