Naar inhoud

Wanneer mag de bank het krediet van een consument opzeggen?

1 mei 2026Juriaan de Vries

De opzeggingsbevoegdheid is ruim, maar niet onbegrensd

Banken bedingen standaard het recht om een kredietovereenkomst op te zeggen. Die bevoegdheid bestaat — maar de uitoefening ervan staat niet buiten rechterlijke controle. Telkens wanneer een bank van die bevoegdheid gebruik maakt, toetst de rechter of dat in de concrete omstandigheden naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid aanvaardbaar is. Voor particulieren met een hypothecaire geldlening ligt de drempel bijzonder hoog: verlies van de woning is in de meeste gevallen het directe gevolg.

Een bank mag een kredietovereenkomst opzeggen op grond van een contractuele bevoegdheid, maar de uitoefening wordt getoetst aan art. 6:248 lid 2 BW. Rechters wegen: welke alternatieven zijn aangeboden, of de bank een reëel risico liep, en of de grond kenbaar was voor de kredietnemer. Een opzegging die deze toets niet doorstaat, is niet rechtsgeldig — bij particulieren én bij ondernemers.

Een particulier uit Noord-Holland eist €279.000 van zijn bank — en verliest

Een particulier in Noord-Holland sloot in december 2017 een hypothecaire geldlening van € 292.000 bij een grootbank. Al in september 2018 liep hij in betalingsverzuim. Wat volgde was geen abrupte opzegging, maar drie jaar coulance: de bank trof in die periode vijf betalingsregelingen. Geen van alle werd nagekomen. De bank vroeg herhaaldelijk om medewerking aan een inpandige taxatie en een onderhandse verkoop van de woning. De particulier weigerde beide.

Op 8 november 2021 zegde de bank de lening op. Op 9 februari 2023 werd de woning via executieveiling verkocht voor € 301.222. De particulier vorderde daarop € 279.000 aan schadevergoeding wegens schending van de zorgplicht.

De Rechtbank Noord-Holland wees de vorderingen af (ECLI:NL:RBNHO:2025:12488). De bank had gedurende meer dan drie jaar minder ingrijpende alternatieven actief aangeboden — een verplichting die uitdrukkelijk volgt uit art. 7:128a BW. De kredietnemer had stelselmatig geweigerd mee te werken. Tot op de veilingdag bleef de bank in contact om de executie af te wenden. Dat de verkoopopbrengst lager uitviel dan een geveltaxatie had gesuggereerd, deed daar niet aan af: een inpandige taxatie — die de bank al eerder had gevraagd en waarvoor de kredietnemer toestemming had geweigerd — bevestigde achteraf dat de executiewaarde reëel was.

Waarom verloor de klant? Omdat de bank precies deed wat de rechter verwacht: alternatieven aanbieden, geduld bewaren, en pas na stelselmatige niet-nakoming doorzetten.

De juridische maatstaf: de bevoegdheid bestaat, maar de uitoefening wordt getoetst

De grondnorm is neergelegd in HR 10 oktober 2014, ECLI:NL:HR:2014:2929. De Hoge Raad bevestigde dat een contractuele beëindigingsbevoegdheid weliswaar bestaat, maar dat de uitoefening ervan wordt getoetst aan art. 6:248 lid 2 BW: niet rechtsgeldig indien die uitoefening, gelet op alle omstandigheden van het geval, naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is. In die toets weegt uitdrukkelijk mee dat de bank op grond van art. 2 van de Algemene Bankvoorwaarden naar beste vermogen rekening houdt met de gerechtvaardigde belangen van de cliënt.

Uit de geanalyseerde uitspraken komen drie criteria naar voren die rechters in vrijwel elk oordeel hanteren.

Zijn minder ingrijpende alternatieven aangeboden? Dat is de eerste en meest concrete vraag. Voor particulieren met een hypotheek volgt uit art. 7:128a BW een bijzondere verplichting om minder ingrijpende maatregelen te verkennen voordat tot executie wordt overgegaan. Rechters tellen betalingsregelingen, onderhandse verkooppogingen en tijdelijke constructies. Gerechtshof Amsterdam bevestigde dit in ECLI:NL:GHAMS:2024:1383: de bank mocht een hypotheek opzeggen nadat een tijdelijke constructie — voor drie jaar aangegaan, met expliciete einddatum — niet had geleid tot een duurzame oplossing die binnen de geldende verstrekkingsnormen viel. De bank had haar best gedaan; een haalbaarder alternatief was er niet.

Liep de bank een reëel risico? Een opzegging zonder onderbouwd financieel risico staat zwakker. Hoe steviger de zekerheden in verhouding tot de schuld, hoe lastiger te rechtvaardigen dat de bank definitief afrekent.

Was de opzeggingsgrond kenbaar voor de kredietnemer? Een klant die nooit is gewaarschuwd dat een bepaalde gedraging tot beëindiging kan leiden, staat anders dan een klant die expliciet is gemaand. Betalingsachterstand is per definitie kenbaar als grond; andere gedragingen niet altijd.

Dat laatste criterium kleurt ook de uitspraken over opzegging wegens gedrag. Gerechtshof Amsterdam oordeelde in ECLI:NL:GHAMS:2021:2740 dat de bank een woninghypotheek mocht opzeggen wegens aanhoudend agressief en bedreigend gedrag van de particuliere kredietnemer jegens medewerkers — ook al had de klant geen betalingsachterstand. Betalingsverzuim is geen vereiste; de grond hoeft alleen voldoende zwaar te zijn en kenbaar te zijn gemaakt. De bank had meerdere keren herstel geprobeerd, de klant uitdrukkelijk gewaarschuwd, en uiteindelijk een opzegtermijn van zes maanden gehanteerd in plaats van de contractuele drie. Dat was genoeg.

Wanneer gaat de bank te ver: een particulier en een ondernemer die wél wonnen

De gevallen waarin banken de toets niet doorstaan, hebben doorgaans één gemeenschappelijk kenmerk: de bank oefent haar bevoegdheid uit zonder dat het werkelijke risico of de werkelijke grond de ingreep rechtvaardigt.

Dat was het geval in ECLI:NL:RBROT:2016:8326. Een particuliere vrouw bezat haar eigen woning en twee verhuurde appartementen, gefinancierd bij een hypotheekverstrekker. In september 2014 zegde de bank de kredietovereenkomst op wegens verhuur zonder toestemming — een contractuele opzeggingsgrond. De Rechtbank Rotterdam wees de opzegging van de hand.

De bank was bij het aangaan van de financiering al op de hoogte van de verhuur: de appartementen stonden als verhuurd vermeld in offerte én hypotheekakte. De verhuur was impliciet geaccepteerd vanaf dag één. De vrouw was nooit gewaarschuwd dat dit tot opzegging kon leiden. Een reëel zekerhedenrisico had de bank niet aangetoond: de appartementen dienden als onderpand voor een andere financiering, in tweede rang buiten haar eigen lening. De eigenaresse had bovendien al vijf jaar geen betalingsachterstand. De feitelijke aanleiding was een interne beleidswijziging: de bank financierde geen "commercial property" meer. Die aanleiding woog niet op tegen het belang van de vrouw, voor wie opzegging nagenoeg zeker zou leiden tot gedwongen verkoop van de woning en verlies van haar enige inkomensbron.

Dezelfde redenering — geen reëel risico, geen eerlijke kans — deed zich voor bij een zakelijke kredietnemer, en ook daar verloor de bank. In ECLI:NL:RBMNE:2024:1851 had een Utrechtse varkenshouder al zestien jaar een kredietrelatie bij zijn bank. De restschuld bedroeg € 848.460; van een oorspronkelijke financiering van ruim € 2,1 miljoen was al bijna € 1,3 miljoen afgelost. Op 1 augustus 2022 vroeg hij om een tijdelijke kredietverhoging. De bank vroeg hem een liquiditeitsprognose aan te leveren. Een dag later verzocht hij om één dag extra uitstel voor die prognose. De bank antwoordde diezelfde dag met een opzeggingsbrief — de prognose ongelezen.

De Rechtbank Midden-Nederland oordeelde dat de opzegging naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar was. De debetstanden waarop de bank zich beriep waren kortdurend en werden steeds binnen twee dagen aangezuiverd. De zekerheden overtroffen de schuld ruimschoots. Er was geen reëel terugbetalingsrisico. De bank werd veroordeeld tot € 117.398 aan schadevergoeding.

Dat deze zakelijke zaak tot hetzelfde resultaat leidde als de particuliere zaak uit Rotterdam, illustreert de kern van het leerstuk: de bescherming van art. 6:248 lid 2 BW geldt voor iedereen. De drempel ligt voor particulieren doorgaans iets hoger — het verlies van de woning als woonomgeving weegt zwaarder dan een zakelijk verlies — maar de toetsingsstructuur is identiek. Wie als bank opzegt zonder onderbouwd risico, zonder de klant een eerlijke kans te geven, en zonder de eigen zorgplicht serieus te nemen, verliest.

Kan een bank opzeggen als er een contractuele bevoegdheid is?

Een contractuele opzeggingsbevoegdheid is een noodzakelijke, maar geen voldoende voorwaarde. De uitoefening wordt getoetst aan art. 6:248 lid 2 BW. Als de opzegging in de gegeven omstandigheden — gelet op de belangen van de cliënt, de ernst van de grond en de gevolgen — naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is, is zij niet rechtsgeldig, ook al staat de bevoegdheid zwart op wit in de overeenkomst.

Wat kan een particulier doen als de bank de hypotheek opzegt?

Tijdig reageren is essentieel. In kort geding kan een verbod op de executieverkoop worden gevorderd. Daarvoor is een reëel argument nodig dat de opzegging de r&b-toets niet doorstaat — bijvoorbeeld omdat de bank geen alternatieven heeft aangeboden, de opzeggingsgrond bij aanvang al kenbaar was en nooit als probleem is aangemerkt, of het risico waarop de bank zich beroept niet met feiten is onderbouwd. Wachten tot de veilingdatum nadert, verkleint de ruimte voor een effectief kort geding sterk.

Maakt het verschil of je particulier bent of ondernemer?

De toetsingsstructuur is identiek: art. 6:248 lid 2 BW en art. 2 ABV gelden voor alle kredietrelaties. De weging van belangen verschilt: voor een particulier weegt het verlies van de woning als woonomgeving zwaarder. Maar ook ondernemers kunnen een opzegging met succes aanvechten, zoals de Utrechtse varkenshouder aantoonde die zijn bank terugdrong op een vordering van ruim € 117.000.

Rechtbank Noord-Holland 22 oktober 2025, ECLI:NL:RBNHO:2025:12488.

Aangehaalde rechtspraak

Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2014:2929

Gerechtshoven: ECLI:NL:GHAMS:2024:1383 · ECLI:NL:GHAMS:2021:2740

Rechtbanken: ECLI:NL:RBNHO:2025:12488 · ECLI:NL:RBROT:2016:8326 · ECLI:NL:RBMNE:2024:1851

Lees ook