Naar inhoud

Rente op rente bij een geldlening: zonder beding geldt enkelvoudige rente

2 juni 2026Juriaan de Vries

Rente op rente bij een geldlening

Een schuldeiser die contractuele rente ook over eerder vervallen rente berekent, moet daarvoor een beding kunnen aanwijzen. Zonder dat beding geldt enkelvoudige berekening, tenzij de vordering uit een handelsovereenkomst voortvloeit. Waar die hoofdregel op rust, wat het arrest van de Hoge Raad uit 2009 daarover wel en niet vaststelt, en hoe de grens tussen zakelijk en privé uitpakt.

Schuldeiser rekent samengestelde rente zonder beding

De rechtbank Rotterdam wees op 27 januari 2010 de samengestelde berekening af. Hofman & Hofman B.V. vorderde terugbetaling van een langlopende geldlening en berekende de contractuele rente niet alleen over de hoofdsom, maar ook over de eerder vervallen rente. De gedaagde betwistte dat daarvoor een grondslag bestond en kreeg gelijk: rente op rente bij een contractueel bepaalde rente is alleen verschuldigd indien dat is overeengekomen (ECLI:NL:RBROT:2010:BL1723, r.o. 4.13a).

De schuldeiser had aangevoerd dat de methode van art. 6:119 BW, die de wettelijke rente automatisch samengesteld laat lopen, naar analogie op contractuele rente kan worden toegepast. Die route wees de rechtbank af. Voor contractuele rente ontbreekt een vergelijkbare wettelijke bepaling, en de rechtbank zag onvoldoende grond voor analogie.

De wet regelt samenstelling alleen voor de wettelijke rente

Het onderscheid zit in de opbouw van art. 6:119 BW. Lid 2 bepaalt dat het bedrag waarover de wettelijke rente wordt berekend telkens na afloop van een jaar wordt vermeerderd met de over dat jaar verschuldigde rente. Die samenstelregel geldt naar haar tekst alleen voor de wettelijke rente. Over een bedongen rente gaat lid 3, en dat bepaalt niets meer dan dat een bedongen rente die hoger is dan de wettelijke doorloopt nadat de schuldenaar in verzuim is gekomen. Over de berekeningswijze zwijgt lid 3.

A-G Timmerman leidde daaruit af dat de wetgever voor contractuele rente van enkelvoudige berekening is uitgegaan, behoudens andersluidende afspraak. Zijn argument is de systematiek: had de wetgever samenstelling als uitgangspunt genomen, dan was lid 2 niet nodig geweest. Hij onderbouwde dat met de parlementaire geschiedenis van lid 3 en met Asser-Hartkamp-Sieburgh en Rank (ECLI:NL:PHR:2009:BJ2678, onder 3.4).

Tegen die uitkomst is een serieus argument aangevoerd. In cassatie werd betoogd dat vertragingsschade over een periode langer dan een jaar alleen volledig wordt vergoed als de rente samengesteld wordt berekend, zodat art. 6:119 lid 2 BW naar analogie zou moeten gelden. De A-G hield vast aan de tekst en de systematiek: lid 2 ziet alleen op de wettelijke rente, en uit lid 3 met de daarbij behorende parlementaire geschiedenis volgt dat de wetgever bedongen rente in beginsel enkelvoudig heeft gedacht.

Wat het arrest van 2009 wel en niet vaststelt

Op dit punt wordt vaak naar HR 9 oktober 2009 verwezen, en daar is voorzichtigheid geboden. In die zaak, een geschil over leveranties van plantmateriaal met een bedongen rente van 2 procent per maand, had het hof Amsterdam geoordeeld dat samengestelde rente niet verschuldigd was bij gebreke van een beding. De Hoge Raad verwierp de klachten daartegen met toepassing van art. 81 RO en gaf dus geen inhoudelijke motivering (ECLI:NL:HR:2009:BJ2678). Wat het arrest oplevert is dat het oordeel van het hof de cassatietoets doorstond, en niet een door de Hoge Raad zelf geformuleerde regel.

Er is nog een reden om het arrest met zorg aan te halen. In het incidentele beroep vernietigde de Hoge Raad datzelfde arrest van het hof Amsterdam van 12 april 2007 en verwees hij het geding naar het hof Den Haag. Die vernietiging berustte op een ander onderdeel, de vergoeding onder de Zaaizaad- en plantgoedwet, maar het dictum beperkt haar niet tot dat onderdeel.

Het hof Arnhem-Leeuwarden heeft in 2020 uitdrukkelijk begrensd wat uit het arrest volgt. Een partij betoogde daar dat eruit volgt dat rente enkelvoudig wordt berekend tenzij partijen iets anders zijn overeengekomen. Dat betoog miskent dat het arrest ziet op de situatie waarin geen sprake is van een handelsovereenkomst, oordeelde het hof (ECLI:NL:GHARL:2020:8090, r.o. 6.14).

Bij een handelsovereenkomst keert het uitgangspunt om

Voor een handelsovereenkomst pakt de berekening andersom uit, en dat volgt uit twee leden samen. Art. 6:119a lid 9 BW stelt voor de toepassing van dat artikel een andere overeengekomen rente gelijk met de wettelijke rente, en lid 3 laat het bedrag waarover die rente loopt telkens na een jaar toenemen met de over dat jaar verschuldigde rente. Contractuele rente op een handelsvordering loopt daarmee samengesteld, ook zonder beding. In de zaak van 2020 was dat tussen partijen niet in geschil (r.o. 6.3).

Beslissend is dan of de vordering onder een handelsovereenkomst valt. Dat is de overeenkomst om baat tussen personen die handelen in de uitoefening van een beroep of bedrijf, of tussen rechtspersonen. Het hof Arnhem-Leeuwarden splitste de gefactureerde werkzaamheden daarom in twee delen: het deel dat betrekking had op de afwikkeling van de bedrijven van de opdrachtgever viel onder een handelsovereenkomst, het deel dat de boedelscheiding betrof niet. Over het eerste deel liep de rente samengesteld, over het tweede enkelvoudig. Voor die verdeling nam het hof het deskundigenbericht uit een eerdere procedure tussen dezelfde partijen tot uitgangspunt, ook al was dat met een ander doel opgemaakt (r.o. 6.13).

Wat betekent dit bij een geschil over rente?

Begin bij de tekst van de akte. Vordert de geldgever rente die ook over eerder onbetaald gebleven rente wordt berekend, dan is de eerste vraag of een beding dat toestaat. Een standaardzin over rente van een percentage per maand over het openstaande bedrag regelt de berekeningswijze niet, en dat was in de Rotterdamse zaak precies het gat.

Stel daarna vast of de vordering uit een handelsovereenkomst voortvloeit, want dat kantelt het uitgangspunt. Bij een lening tussen familieleden of vrienden handelt geen van beide partijen in de uitoefening van een beroep of bedrijf, dus blijft de enkelvoudige hoofdregel gelden. Loopt de relatie deels zakelijk en deels privé, dan kan één vordering in twee delen uiteenvallen met elk een eigen berekeningswijze.

Wees terughoudend met het gezag dat aan de rechtspraak wordt toegeschreven. De lijn rust op de systematiek van de wet en op een conclusie van het parket, met daarnaast een rechtbankvonnis en een hofarrest die dezelfde kant op wijzen. Een met redenen omkleed arrest van de Hoge Raad over de berekeningswijze van bedongen rente is er niet, en wie dat als gezag opvoert, krijgt het verweer dat het hof Arnhem-Leeuwarden in 2020 al gegrond achtte.

Veelgestelde vragen

Geldt de enkelvoudige hoofdregel ook als wettelijke rente is gevorderd?

Nee. Voor de wettelijke rente schrijft de wet de samenstelling zelf voor, en dat is een uitzondering die alleen die rente betreft. Is een contractuele rente aan de wettelijke gekoppeld, bijvoorbeeld als de wettelijke rente met een opslag, dan reist de samenstelling niet mee. Ook dan blijft een eigen beding nodig, want de koppeling gaat over de hoogte en niet over de rekenwijze.

Wanneer is een beding voor rente op rente voldoende duidelijk?

Het beding moet de berekeningswijze regelen en niet alleen het percentage. Nodig is dat eerder verschuldigde rente bij de hoofdsom wordt gevoegd en dat over dat nieuwe totaal opnieuw rente loopt. Een clausule die enkel een maandpercentage over de openstaande hoofdsom noemt, laat de rekenwijze open en levert daarom geen samengestelde rente op.

Kan de schuldeiser samenstelling baseren op volledige schadevergoeding?

Dat is geprobeerd en afgewezen. De gedachte was dat wie langer dan een jaar op zijn geld wacht, alleen met samenstelling werkelijk schadeloos wordt gesteld. A-G Timmerman koos de wettekst boven die redenering. Wie samenstelling wil, bedingt haar dus, en kan haar niet achteraf op de schadeleer bouwen. Een hoger enkelvoudig tarief afspreken is het alternatief dat wel binnen de hoofdregel blijft.

Aangehaalde rechtspraak

Hoge Raad

  • ECLI:NL:HR:2009:BJ2678 (9 oktober 2009) — de klachten tegen het oordeel dat samengestelde rente zonder beding niet verschuldigd is, zijn met art. 81 RO verworpen; in het incidentele beroep is het arrest van het hof Amsterdam vernietigd en het geding naar het hof Den Haag verwezen.

Parket bij de Hoge Raad

  • ECLI:NL:PHR:2009:BJ2678 (9 oktober 2009) — conclusie A-G Timmerman: art. 6:119 lid 2 BW ziet alleen op de wettelijke rente, en uit lid 3 met de parlementaire geschiedenis volgt dat bedongen rente in beginsel enkelvoudig wordt berekend.

Gerechtshoven

  • ECLI:NL:GHARL:2020:8090 (6 oktober 2020) — bij een handelsovereenkomst wordt contractuele rente op grond van art. 6:119a BW samengesteld berekend; uit het arrest van 2009 volgt geen algemene regel, omdat dat ziet op de situatie zonder handelsovereenkomst.

Rechtbanken

  • ECLI:NL:RBROT:2010:BL1723 (27 januari 2010) — rente op rente bij een contractueel bepaalde rente is alleen verschuldigd als dat is overeengekomen; art. 6:119 BW leent zich niet voor analoge toepassing op contractuele rente.

Lees ook