Verjaring van de vernietigingsgrond: vordering of verweer
Wie een overeenkomst, borgtocht of andere rechtshandeling wil laten vernietigen, bijvoorbeeld wegens misbruik van omstandigheden of dwaling, heeft daarvoor in beginsel drie jaar. Als verweer kan dezelfde vernietigingsgrond ook daarna nog worden ingeroepen (artikel 3:51 lid 3 BW). Waar de grens ligt, maken drie vragen duidelijk: beroept de wederpartij zich op de rechtshandeling, dient het beroep uitsluitend om dat af te weren, en zo niet, is de vordering tot vernietiging verjaard?
Borgtocht vlak voor de zitting: beroep na drie jaar slaagt
In mei 2012 tekende een bestuurder en aandeelhouder vlak voor een zitting in een zaak van zijn vennootschap een briefje dat zijn advocaat hem aanreikte. Daarmee stond hij persoonlijk borg voor de declaraties van die advocaat aan de vennootschap. De vennootschap ging failliet en € 8.203,66 aan declaraties bleef onbetaald. De advocaat sprak de bestuurder aan als borg en de kantonrechter wees de vordering toe. Pas in hoger beroep, op 23 juni 2015, voerde de bestuurder aan dat de borgtocht vernietigbaar was wegens misbruik van omstandigheden (artikel 3:44 lid 4 BW). De advocaat wierp verjaring tegen: de borgtocht was op 22 mei 2012 getekend, meer dan drie jaar eerder. Het hof 's-Hertogenbosch verwierp dat in één zin. De bestuurder deed het beroep om een vordering af te weren die op de borgtocht steunde, en dat stond hem te allen tijde vrij (hof 's-Hertogenbosch 2016, r.o. 4.1 en 4.8).
Ook inhoudelijk kreeg de bestuurder gelijk. Een advocaat mag voor zijn declaratie alleen een voorschot in geld als zekerheid aanvaarden, behalve in bijzondere gevallen en na overleg met de deken. Die regel was overtreden, en de verhouding tussen advocaat en cliënt is naar haar aard veelal afhankelijk. Het hof wees de vordering alsnog af, en de advocaat moest € 572,73 terugbetalen: vakantiegeld waarop hij na het vonnis van de kantonrechter beslag had gelegd (hof 's-Hertogenbosch 2016, r.o. 4.6-4.7 en 4.10). Hoe hoven in zulke zaken misbruik vaststellen, staat in de post over borgtochten voor advocaatkosten. Hetzelfde hof liet in 2012 een beroep op misbruik toe tegen een akte uit 2004, bijna zeven jaar na het einde van de opdracht (hof 's-Hertogenbosch 2012, r.o. 11.4.1-11.4.2). In beide zaken lag het antwoord op de drie vragen voor de hand. In de uitspraken hierna lag dat moeilijker, en daar wordt de grens zichtbaar.
Beroept de wederpartij zich op de rechtshandeling?
Artikel 3:51 lid 3 BW beschermt tegen "een op de rechtshandeling steunende vordering of andere rechtsmaatregel". Een betalingsvordering uit een borgtocht is het duidelijke geval, maar ook andere stappen waarmee de wederpartij zich op de rechtshandeling beroept, tellen mee. Drie ondernemers spraken af dat twee van hen de aandelen van de derde zouden overnemen, en ook zijn borgtocht van € 200.000 bij de bank. De afspraak verviel als de omzet van een filiaal achterbleef, en daarop beriepen de twee zich. Toen de bank de derde als borg aansprak, eiste hij dat de andere twee hem schadeloos stelden. Pas in hoger beroep stelde hij dat de omzetvoorwaarde door misbruik van omstandigheden tot stand was gekomen. De Hoge Raad oordeelde dat het inroepen van die voorwaarde een rechtsmaatregel was die op de overeenkomst steunde. Het beroep op misbruik diende om die af te weren en kon dus te allen tijde worden gedaan, ook al was de derde zelf eiser (HR 8 februari 2013, r.o. 3.4.3).
De reden: zolang de wederpartij stilzit en geen beroep doet op de gebrekkige rechtshandeling, hoeft de andere partij niet het initiatief tot vernietiging te nemen (HR 8 februari 2013, r.o. 3.4.3). Dat de wederpartij al eerder in actie was gekomen, maakt het beroep niet te laat. Een maatschap die een directeur bijstond in zijn echtscheiding, kreeg voor haar declaraties een hypotheek op een pand van zijn vennootschap. Het pand werd geveild en de maatschap eiste voorrang bij de verdeling van de opbrengst. Een andere schuldeiser, de vennootschap van de ex-echtgenote, betoogde dat de hypotheek vernietigbaar was omdat die haar als schuldeiser benadeelde (artikel 3:45 BW, de pauliana). De maatschap voerde aan dat dat beroep was verjaard en dat zij nooit had stilgezeten: haar vordering lag er al sinds 2016. Het hof Amsterdam zag in het beroep toch een verweer tegen de gevraagde voorrang, dat te allen tijde kon worden gedaan (hof Amsterdam 2021, r.o. 3.4).
Dient het beroep alleen ter afwering?
Het beroep op de vernietigingsgrond moet bovendien dienen om die stap af te weren. Een vrouw die een man als zorgverlener bijstond en later met hem trouwde, vorderde na zijn dood een verklaring dat zij naast zijn kinderen erfgenaam was. De kinderen vorderden vernietiging van wat het testament haar toekende: een beroepsmatige zorgverlener die de erflater bijstond tijdens de ziekte waaraan hij overleed, kan in beginsel geen voordeel trekken uit een beschikking die hij in die periode in haar voordeel maakte. De vrouw beriep zich op verjaring; voor een uiterste wil geldt een termijn van een jaar (artikel 4:54 lid 1 BW). De Hoge Raad oordeelde dat haar vordering op het testament steunde en dat de kinderen die afweerden, ook al deden zij dat in een eigen tegenvordering (HR 16 januari 2026, r.o. 3.1.2). Volgens de advocaat-generaal zijn daarbij "het doel en de inhoud" van het beroep beslissend, en niet "de processuele rolverdeling van partijen" (conclusie A-G 9 mei 2025, nr. 4.6).
Zo kan dezelfde vernietigingsgrond in één procedure tegelijk afwerend en aanvallend zijn. Twee ondernemers en hun nieuwe vennootschap vorderden vernietiging van een bankkrediet wegens dwaling: zij hadden een krediet met groeimogelijkheden aangevraagd en een ander krediet gekregen. De bank vorderde in een tegenvordering betaling. Tegen die tegenvordering was het beroep op dwaling afwerend en kon verjaring dus geen rol spelen. Voor hun eigen vordering tot vernietiging gold de termijn wel. Die vordering hield stand: een eerdere aanvang van de termijn stond niet vast, en daarna was de termijn tijdig gestuit (hof Arnhem-Leeuwarden 2022, r.o. 3.9-3.11). Wie zelf iets eist en de vernietiging nodig heeft als grondslag, kan zich niet op artikel 3:51 lid 3 BW beroepen. Een eiser die een betaling terugvorderde en zich daarbij beriep op misbruik van omstandigheden en dwaling, verweerde zich niet tegen een vordering van de wederpartij. Hij had dus zelf vernietiging moeten vorderen of buitengerechtelijk moeten vernietigen (hof Arnhem-Leeuwarden 2021, r.o. 3.12).
Een eiser kan zich wel op die bepaling beroepen als de wederpartij zich in haar verweer op de rechtshandeling beroept, zoals een verhuurder die zich tegenover een curator op een vernietigbaar huurbeding beriep (hof Amsterdam 2016, r.o. 3.5). Bij koop maakt de wet een uitzondering op de hoofdregel. Rechtsvorderingen en verweren die erop steunen dat de afgeleverde zaak niet aan de overeenkomst beantwoordt, verjaren twee jaar na de klacht van de koper (artikel 7:23 lid 2 BW). Dat geldt ook voor een beroep op dwaling over de eigenschappen van de zaak (hof 's-Hertogenbosch september 2021, r.o. 3.38). De koper behoudt wel het recht om prijsvermindering of schadevergoeding tegen te werpen aan een vordering tot betaling van de prijs.
Is de vordering tot vernietiging verjaard?
Is het beroep aanvallend, dan komt de verjaring aan de orde. De termijn is drie jaar, maar het begin verschilt per grond (artikel 3:52 lid 1 BW). Bij bedreiging en misbruik van omstandigheden begint hij als de invloed heeft opgehouden te werken, bij bedrog, dwaling en benadeling bij de ontdekking. De advocaat in de borgtochtzaak rekende vanaf de ondertekening, maar bij misbruik kan het begin later liggen. Volgens de advocaat-generaal in een zaak tegen een ziekenhuis gaat de termijn pas lopen als de benadeelde zijn bevoegdheid om te vernietigen daadwerkelijk kan gebruiken (conclusie A-G 6 juli 2018, nr. 3.94). Bij dwaling is daadwerkelijke bekendheid met de feiten nodig. Dat de ondernemers met het bankkrediet een maand na het sluiten al merkten dat zij een ander krediet hadden dan zij wilden, was daarvoor nog niet genoeg (hof Arnhem-Leeuwarden 2022, r.o. 3.10-3.11).
De verjaring wordt gestuit door het instellen van een eis, en door een schriftelijke aanmaning als binnen zes maanden een eis volgt (artikelen 3:316 en 3:317 lid 2 BW). In de bankkredietzaak had de dagvaarding in een kort geding, waarin de ondernemers zich al op dwaling beriepen, die werking, omdat de bodemprocedure binnen zes maanden volgde (hof Arnhem-Leeuwarden 2022, r.o. 3.11). Wie zelf vernietiging vordert, moet dus binnen drie jaar na het begin van de termijn dagvaarden of de termijn tijdig stuiten.
Wat betekent dit voor wie een vernietigbare akte tekende?
Wat te doen is, hangt af van wat de wederpartij doet. Zolang zij stilzit, hoeft wie een vernietigbare borgtocht, schuldbekentenis of andere zekerheid tekende niet uit voorzorg te procederen. Dat verandert als hij zelf iets wil bereiken, bijvoorbeeld terugkrijgen wat al is betaald of een hypotheek laten doorhalen. Daarvoor is eerst vernietiging nodig, en die moet binnen de termijn worden ingeroepen: met een dagvaarding of met een verklaring buiten de rechter om aan alle partijen bij de rechtshandeling (artikelen 3:49 en 3:50 BW). Bij een hypotheek of andere ingeschreven rechtshandeling over een registergoed werkt die verklaring alleen als alle partijen ermee instemmen (artikel 3:50 lid 2 BW). Voor de geldvordering die op de vernietiging volgt, kan een eigen verjaringstermijn gelden.
Vordert de wederpartij betaling uit een borgtocht of schuldbekentenis, dan kan de vernietigingsgrond ook na jaren als verweer worden ingeroepen, desnoods pas in hoger beroep, zoals in de borgtochtzaak. Dat gebeurt in de procedure zelf, met de feiten die de grond dragen. Een man die tijdens zijn relatie een schuldbekentenis had getekend, beriep zich op dwaling toen de bewindvoerder van zijn partner € 300.000 van hem vorderde. Het verjaringsverweer faalde; zijn beroep op dwaling strandde pas op de inhoud (hof 's-Hertogenbosch mei 2021, r.o. 4.4).
Bij een schuldbekentenis speelt ook de bewijskracht van de akte. Zij kan tussen partijen dwingend bewijs opleveren dat de schuld bestaat (artikel 157 lid 2 Rv). Bij een onderhandse schuldbekentenis waarin alleen de schuldenaar zich tot betaling verbindt, geldt dat in beginsel alleen als hij de akte geheel met de hand schreef of het bedrag voluit in letters goedkeurde, tenzij hij zich in de uitoefening van zijn beroep of bedrijf verbond (artikel 158 Rv). Wie stelt dat de schuld nooit bestond, moet dat met tegenbewijs waarmaken (artikel 151 lid 2 Rv). Een beroep op een wilsgebrek is een ander verweer: het richt zich op de totstandkoming van de schuldbekentenis, en de schuldenaar hoeft de schuld daarvoor niet onvoorwaardelijk te erkennen. Hoe ver die bewijskracht reikt, staat in de post over de dwingende bewijskracht van een akte.
Executeert de wederpartij, dan is de positie lastiger. Met een grosse van een notariële schuldbekentenis of hypotheekakte hoeft een schuldeiser niet te procederen: na betekening kan hij beslag leggen en executeren (artikel 430 Rv). Wie zich daartegen verzet, moet zelf naar de rechter, in kort geding of in een executiegeschil, en is dan formeel eiser. Naar de maatstaf van de Hoge Raad beslist die rol niet (HR 8 februari 2013, r.o. 3.4.3; HR 16 januari 2026, r.o. 3.1.2). Het ligt dan voor de hand de executie te zien als een rechtsmaatregel die op de akte steunt, en een beroep dat alleen dient om die executie af te weren als afwerend. Wie na de termijn tegen executie opkomt, richt de vordering daarom het best op het staken van de executie, met de vernietigingsgrond als reden.
Is er al een vonnis gewezen, dan geldt iets anders. Een onherroepelijke beslissing over de rechtsbetrekking kan partijen in een later geding binden (artikel 236 Rv). Artikel 3:51 lid 3 BW staat een afwerend beroep ondanks verjaring toe, maar doorbreekt die gebondenheid niet. Tegen een vonnis is het rechtsmiddel de weg, zoals het hoger beroep in de borgtochtzaak.
Beslissend is dus waarvoor de vernietigingsgrond wordt gebruikt. Wie vernietiging nodig heeft voor een eigen aanspraak, moet de termijn bewaken. Wie alleen een vordering of andere stap van de wederpartij afweert, kan de grond in beginsel ook daarna nog in rechte inroepen, hoe oud de akte ook is.
Veelgestelde vragen
Moet een beroep op vernietiging in een bepaalde vorm worden gedaan?
Nee. Een beroep in rechte op een vernietigingsgrond is vormloos (HR 24 januari 2014, r.o. 5.14.1). Wel moet de rechter kunnen lezen dat de vernietiging wordt ingeroepen en op welke grond (HR 8 februari 2013, r.o. 3.4.2). Wie het beroep doet, moet de partijen bij de rechtshandeling die niet in het geding zijn verschenen zo spoedig mogelijk inlichten (artikel 3:51 lid 3 BW); een vermelding in de dagvaarding in hoger beroep volstond (hof 's-Hertogenbosch november 2021, r.o. 5.6).
Werkt het verweer ook tegen iemand aan wie de vordering is overgedragen?
Ja. De bevoegdheid om te vernietigen blijft bij de partijen bij de rechtshandeling en gaat bij overdracht van de vordering niet mee. Een vernietiging wordt daarom in beginsel gericht tot de oorspronkelijke wederpartij. Na verjaring kan de schuldenaar de vernietigingsgrond volgens de advocaat-generaal wel als verweer inroepen tegen de nieuwe schuldeiser die hem tot betaling aanspreekt (conclusie A-G 16 augustus 2021, nr. 5.28.2).
Kan na de verjaring nog buiten de rechter om worden vernietigd?
Nee. Na de verjaring van de rechtsvordering kan de rechtshandeling op dezelfde grond niet meer door een buitengerechtelijke verklaring worden vernietigd (artikel 3:52 lid 2 BW). Wat overblijft, is het beroep in rechte als verweer. Wie wordt aangemaand, kan betaling weigeren en de grond inroepen zodra de wederpartij zich in rechte op de rechtshandeling beroept, met het risico van rente en kosten als het beroep faalt.
Aangehaalde rechtspraak
Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2026:62 (16 januari 2026, r.o. 3.1.2; een beroep op een vernietigingsgrond ter afwering van een op de rechtshandeling steunende vordering verjaart niet, ook niet als het in de vorm van een tegenvordering wordt gedaan); ECLI:NL:HR:2013:BY2640 (8 februari 2013, r.o. 3.4.3; het inroepen van een ontbindende voorwaarde is een rechtsmaatregel; een beroep op misbruik van omstandigheden ter afwering daarvan kan te allen tijde worden gedaan); ECLI:NL:HR:2014:153 (24 januari 2014, r.o. 5.14.1; een beroep in rechte op een vernietigingsgrond is vormloos).
Conclusies: ECLI:NL:PHR:2025:515 (A-G Ibili, 9 mei 2025, nr. 4.6; het beroep van de kinderen is verwerend, niet aanvallend; doel en inhoud van het beroep beslissen, niet de processuele rolverdeling); ECLI:NL:PHR:2021:757 (A-G Wissink, 16 augustus 2021, nr. 5.28.2; na verjaring geen aanvallend beroep meer, wel een exceptief verweer, ook tegen de cessionaris); ECLI:NL:PHR:2018:785 (A-G Hartlief, 6 juli 2018, nr. 3.94; cassatieberoep verworpen met toepassing van art. 81 RO (HR 12 oktober 2018), de toelichting is van de A-G; bij misbruik van omstandigheden begint de verjaring als de benadeelde zijn bevoegdheid daadwerkelijk kan uitoefenen).
Gerechtshoven: ECLI:NL:GHSHE:2016:4681 ('s-Hertogenbosch, 18 oktober 2016, r.o. 4.6-4.8; borgtocht aan de advocaat vernietigd wegens misbruik van omstandigheden; verjaringsverweer faalt omdat het beroep een vordering uit de borgtocht afweert); ECLI:NL:GHSHE:2012:BW7211 ('s-Hertogenbosch, 29 mei 2012, r.o. 11.4.1-11.4.2; beroep op misbruik bijna zeven jaar na het einde van de opdracht toegelaten op grond van art. 3:51 lid 3 BW); ECLI:NL:GHAMS:2016:5365 (Amsterdam, 13 december 2016, r.o. 3.5; het beroep van de verhuurder op een beding in zijn verweer is een rechtsmaatregel; de curator kan de vernietigbaarheid als eiser te allen tijde tegenwerpen); ECLI:NL:GHAMS:2021:1888 (Amsterdam, 22 juni 2021, r.o. 3.4; beroep op de pauliana tegen een hypotheek in de renvooiprocedure is afwerend, ook als de hypotheekhouder niet heeft stilgezeten); ECLI:NL:GHARL:2021:11891 (Arnhem-Leeuwarden, 28 december 2021, r.o. 3.12; een eiser die terugbetaling vordert, moet zelf vernietiging vorderen of buitengerechtelijk vernietigen); ECLI:NL:GHARL:2022:10259 (Arnhem-Leeuwarden, 29 november 2022, r.o. 3.9-3.11; dwaling als verweer tegen de tegenvordering verjaart niet; de eigen vernietigingsvordering wel, maar die was tijdig gestuit); ECLI:NL:GHSHE:2021:2903 ('s-Hertogenbosch, 21 september 2021, r.o. 3.38; bij koop verjaren ook verweren, waaronder dwaling, op grond van art. 7:23 lid 2 BW); ECLI:NL:GHSHE:2021:3417 ('s-Hertogenbosch, 16 november 2021, r.o. 5.6; mededeling van het beroep op vernietiging aan de niet verschenen wederpartij via de dagvaarding in hoger beroep); ECLI:NL:GHSHE:2021:1352 ('s-Hertogenbosch, 4 mei 2021, r.o. 4.4; dwaling als verweer tegen een terugbetalingsvordering uit een schuldbekentenis verjaart niet; het beroep faalt inhoudelijk).