Naar inhoud

Insolvency & Enforcement

Inleiding

Een schuldeiser heeft een vordering maar de wederpartij betaalt niet, of dreigt actief zijn vermogen buiten bereik te brengen; of er is een vonnis gewonnen dat niet kan worden geïnd. Dit rechtsgebied gaat over de instrumenten om geld alsnog te innen, van beslag en faillissementsaanvraag tot de executie van vonnissen, en evengoed over de andere kant: de partij die wordt geconfronteerd met een beslaglegger of een faillissementsverzoek als drukmiddel. De timing is daarbij bepalend, want de volgorde van handelen bepaalt vaak de uitkomst. Hieronder de situaties die zich het vaakst voordoen, met per situatie de route die tot het doel leidt.

Een vordering veiligstellen voordat wordt geprocedeerd

Nog voordat, of terwijl, een procedure loopt, kan conservatoir beslag worden gelegd op het vermogen van de wederpartij: bankrekeningen, onroerend goed, aandelen of vorderingen op derden. Zo wordt voorkomen dat er niets meer te verhalen valt zodra de zaak is gewonnen. Kenmerkend is het verrassingseffect: het beslag wordt gelegd zonder dat de wederpartij vooraf wordt gehoord, doorgaans op dezelfde dag. Daar staat een keerzijde tegenover. Binnen een korte termijn moet de hoofdzaak worden ingesteld, anders vervalt het beslag van rechtswege, en de wederpartij kan opheffing vragen als de vordering ondeugdelijk blijkt. Loopt het beslag achteraf ten onrechte, dan is de beslaglegger aansprakelijk voor de schade, zodat een volledige en juiste toelichting bij de aanvraag doorslaggevend is.

Een debiteur betaalt niet en dreigt insolvent te raken

Onder voorwaarden kan het faillissement van een schuldenaar worden aangevraagd, en die aanvraag werkt in de praktijk vooral als drukmiddel. De timing is beslissend: een te vroeg verzoek geeft de schuldenaar ruimte om te herstructureren, terwijl een te laat verzoek een lege boedel treft. Vereist is dat de schuldenaar is opgehouden te betalen, wat pas kan worden aangenomen als er naast de aanvrager nog ten minste een andere onbetaalde schuldeiser is. Omdat een faillissement de onderneming hard raakt, volgt betaling in de praktijk vaak al voor de zitting. Wie zekerheid over verhaal zoekt is echter vaak beter af met conservatoir beslag; de aanvraag is juist effectief tegen een schuldenaar die wel kan, maar niet wil betalen. Aan beide kanten van die afweging, als aanvrager en als verweerder, luistert de strategie nauw.

Vóór faillissement zijn activa weggesluisd

Kort voordat een onderneming failliet gaat, verschuift er vermogen naar familieleden of gelieerde vennootschappen, weg van de schuldeisers. Zulke benadelende handelingen zijn met de actio pauliana aantastbaar: buiten faillissement door de individuele schuldeiser die wordt benadeeld, en in faillissement door de curator namens de gezamenlijke schuldeisers. Slaagt de vernietiging, dan keert het weggesluisde vermogen terug in het verhaalsvermogen. De zaak draait steeds om twee elementen: is er benadeling van schuldeisers, en wisten beide betrokken partijen dat daarvan sprake zou zijn? Bij handelingen om niet of met nauw verbonden partijen vlak voor het faillissement helpt de wet met bewijsvermoedens, maar of de vordering slaagt blijft uiteindelijk een kwestie van bewijs.

Een gewonnen vonnis moet worden geëxecuteerd

Een veroordelend vonnis is nog geen betaling: soms werkt de wederpartij niet mee of rekt zij de zaak met executiegeschillen. Met de grosse van het vonnis kan de deurwaarder executoriaal beslag leggen, op roerende zaken, op onroerend goed met een openbare veiling als sluitstuk, of als derdenbeslag onder de bank of de werkgever. Wordt de tenuitvoerlegging zelf betwist, dan beslist de rechter in een kort executiegeschil. Twee grenzen bepalen in de praktijk het rendement: bij loonbeslag kan de beslagvrije voet de opbrengst materieel uithollen, en een tenuitvoerlegging die niet in verhouding staat tot het belang kan als misbruik van bevoegdheid worden geblokkeerd. Beheersing van die procedurele details maakt vaak het verschil tussen incasso op papier en geld op de rekening.

De onderneming moet worden geherstructureerd

Niet elk betalingsprobleem hoeft in een faillissement te eindigen. De Wet homologatie onderhands akkoord (WHOA) laat een onderneming haar schulden buiten faillissement herstructureren, ook wanneer niet alle schuldeisers meewerken. De schuldeisers worden ingedeeld in klassen die elk afzonderlijk over het aangeboden akkoord stemmen; stemt ten minste een klasse in, dan kan de rechter het akkoord homologeren en ook tegenstemmende schuldeisers eraan binden. Die dwang kent een harde ondergrens: geen enkele schuldeiser mag onder het akkoord slechter af zijn dan in een faillissement. Voor een schuldeiser is de afweging dan ook of hij het akkoord aanvaardt, of tegenstemt en zich verzet in de hoop op een betere positie.

Een bestuurder moet in faillissement worden aangesproken

Gaat een vennootschap failliet, dan kan de curator de bestuurders persoonlijk aanspreken voor het tekort in de boedel wegens kennelijk onbehoorlijke taakvervulling. Het scharnier is de administratie- en publicatieplicht: is die geschonden, dan staat vast dat het bestuur zijn taak onbehoorlijk heeft vervuld en wordt bovendien vermoed dat dit een belangrijke oorzaak van het faillissement is. Dat vermoeden keert de bewijslast om, en het is aan de bestuurder om het te ontzenuwen, bijvoorbeeld door aannemelijk te maken dat externe omstandigheden tot het faillissement leidden. Wie zijn administratie op orde heeft staat daarbij aanzienlijk sterker, zodat bestuurders van een noodlijdende vennootschap er goed aan doen hun positie vroeg te laten toetsen.

Voor bestuurdersaansprakelijkheid buiten faillissement, zie bestuurdersaansprakelijkheid.