Inleiding
Een bestuurder van een vennootschap draagt een aanzienlijke verantwoordelijkheid. Gaat het mis, dan kan die verantwoordelijkheid persoonlijk worden en dient het privévermogen van de bestuurder als verhaalsobject. De wet kent daarvoor niet één regeling maar een reeks: aansprakelijkheid jegens de vennootschap zelf, jegens schuldeisers, bij uitkeringen, bij een misleidende jaarrekening, rond de oprichting, in faillissement, en voor belastingschulden en pensioenpremies. Elke grondslag heeft een eigen drempel, een eigen bewijslastverdeling en een eigen ontsnappingsroute. Hieronder staan zij op een rij, met daarna de verweren die op alle grondslagen doorwerken.
Jegens de vennootschap: art. 2:9 BW
Elke bestuurder is tegenover de rechtspersoon gehouden tot een behoorlijke taakvervulling (art. 2:9 BW). De maatstaf is of hem een ernstig verwijt kan worden gemaakt, te beoordelen naar alle omstandigheden: de aard van de activiteiten, de daaruit voortvloeiende risico’s, de taakverdeling binnen het bestuur, de geldende richtlijnen en de gegevens waarover de bestuurder beschikte (HR 10 januari 1997, ECLI:NL:HR:1997:ZC2243, Staleman/Van de Ven). Handelen in strijd met statutaire bepalingen die de vennootschap beschermen is een zwaarwegende omstandigheid die in beginsel de aansprakelijkheid vestigt, maar de rechter moet het tegenbewijs van de bestuurder uitdrukkelijk behandelen (HR 3 februari 2023, ECLI:NL:HR:2023:146). De aansprakelijkheid is collectief: elke bestuurder is voor het geheel aansprakelijk, tenzij hem mede gelet op de taakverdeling geen ernstig verwijt treft en hij niet nalatig was in het treffen van maatregelen (lid 2). Een beroep op de klachtplicht van art. 6:89 BW staat de bestuurder niet ten dienste (HR 26 april 2024, ECLI:NL:HR:2024:681).
Jegens schuldeisers: art. 6:162 BW
Een schuldeiser die onbetaald blijft kan de bestuurder persoonlijk aanspreken uit onrechtmatige daad. Het kader onderscheidt twee categorieën (HR 8 december 2006, ECLI:NL:HR:2006:AZ0758, Ontvanger/Roelofsen). De eerste is de Beklamel-norm: wie namens de vennootschap een verbintenis aangaat terwijl hij weet of behoort te begrijpen dat zij niet zal nakomen en geen verhaal biedt, handelt onrechtmatig. De tweede ziet op de bestuurder die bewerkstelligt of toelaat dat de vennootschap haar verplichtingen niet nakomt; daar is een persoonlijk ernstig verwijt vereist. Onder die tweede categorie valt selectieve betaling, al is de enkele volgorde van betalen niet beslissend: het gaat om de onzorgvuldigheid, waarbij een eigen belang zwaar weegt (HR 17 januari 2020, ECLI:NL:HR:2020:73). Handelt de bestuurder op eigen titel, dan geldt de gewone maatstaf zonder verhoogde drempel (HR 23 november 2012, ECLI:NL:HR:2012:BX5881, Spaanse Villa). In concernverband moet het verwijt per rechtspersoon worden onderbouwd (HR 12 juni 2026, ECLI:NL:HR:2026:912).
Meer over de bestuurder die niet betaalt en geen verhaal biedt
Bij uitkeringen: art. 2:216 BW
Uitkeren mag alleen voor zover het eigen vermogen groter is dan de wettelijke en statutaire reserves (art. 2:216 lid 1 BW). Daarbovenop komt de uitkeringstest: het besluit heeft geen gevolg zonder goedkeuring van het bestuur, dat die weigert als het weet of behoort te voorzien dat de vennootschap na de uitkering haar opeisbare schulden niet kan blijven betalen (lid 2). Kan de vennootschap na de uitkering inderdaad niet doorbetalen, dan zijn de bestuurders die dat toen wisten of behoorden te voorzien jegens de vennootschap hoofdelijk verbonden voor het tekort dat door de uitkering is ontstaan, met wettelijke rente vanaf de dag van de uitkering (lid 3); verrekening is uitgesloten. De bestuurder gaat vrijuit als hij bewijst dat het niet aan hem te wijten is en dat hij niet nalatig was. Ook de ontvanger is aansprakelijk als hij wist of behoorde te voorzien dat de vennootschap niet zou kunnen doorbetalen, tot ten hoogste het door hem ontvangen bedrag. Voor lid 3 wordt de feitelijk beleidsbepaler met een bestuurder gelijkgesteld (lid 4).
Bij een misleidende jaarrekening: art. 2:249 en 2:139 BW
Geeft de jaarrekening, geven de bekendgemaakte tussentijdse cijfers of geeft het bestuursverslag een misleidende voorstelling van de toestand van de vennootschap, dan zijn de bestuurders tegenover derden hoofdelijk aansprakelijk voor de daardoor geleden schade (art. 2:249 BW voor de BV, art. 2:139 BW voor de NV). Deze grondslag staat los van het faillissement en van de vraag of de vennootschap zelf nog verhaal biedt: de derde die op de cijfers is afgegaan en daardoor schade lijdt, bijvoorbeeld een koper van aandelen, een financier of een leverancier die krediet verstrekte, spreekt de bestuurders rechtstreeks aan. De regeling bestrijkt naast de jaarrekening ook tussentijdse cijfers en het bestuursverslag, voor zover die bekend zijn gemaakt. De bestuurder die bewijst dat de misleidende voorstelling niet aan hem te wijten is, is niet aansprakelijk; de bewijslast van die disculpatie ligt dus bij hem, terwijl de derde alleen de misleiding en zijn schade hoeft te stellen en te bewijzen.
Rond de oprichting: art. 2:203 en 2:180 BW
Wie namens een op te richten vennootschap handelt, is daardoor hoofdelijk verbonden totdat de vennootschap de rechtshandeling na haar oprichting bekrachtigt, tenzij uitdrukkelijk anders is bedongen (art. 2:203 lid 2 BW, en art. 2:93 lid 2 BW voor de NV). Bekrachtiging maakt de handelende persoon niet zonder meer vrij: komt de vennootschap de bekrachtigde verbintenis niet na, dan blijft hij hoofdelijk aansprakelijk voor de schade indien hij wist of redelijkerwijs kon weten dat de vennootschap niet zou kunnen nakomen. Die wetenschap wordt vermoed aanwezig te zijn wanneer de vennootschap binnen een jaar na de oprichting failliet gaat (lid 3). Daarnaast rust op de bestuurders de plicht de vennootschap in het handelsregister te doen inschrijven; zolang die opgave niet is gedaan zijn zij naast de vennootschap hoofdelijk aansprakelijk voor elke tijdens hun bestuur verrichte rechtshandeling waardoor de vennootschap wordt verbonden (art. 2:180 lid 2 BW, voor de NV art. 2:69 lid 2 BW, dat ook kapitaaleisen stelt).
In faillissement: art. 2:248 en 2:138 BW
Is sprake van kennelijk onbehoorlijk bestuur dat een belangrijke oorzaak van het faillissement is geweest, dan is iedere bestuurder jegens de boedel hoofdelijk aansprakelijk voor het tekort (art. 2:248 BW voor de BV, art. 2:138 BW voor de NV). De vordering kan alleen worden gegrond op de drie jaren voor het faillissement. Was de administratie niet op orde (art. 2:10 BW) of de jaarrekening niet tijdig gedeponeerd (art. 2:394 BW), dan staat onbehoorlijke taakvervulling vast en wordt het causaal verband vermoed; een onbelangrijk verzuim telt niet mee. Voor het ontzenuwen volstaat een andere belangrijke oorzaak, die niet van buiten hoeft te komen (HR 30 november 2007, ECLI:NL:HR:2007:BA6773, Blue Tomato; HR 9 juli 2021, ECLI:NL:HR:2021:1099). De bestuurder kan zich disculperen (lid 3), de rechter kan matigen op limitatief opgesomde gronden (HR 13 mei 2022, ECLI:NL:HR:2022:691), en ook de feitelijk beleidsbepaler wordt aangesproken (lid 7).
Meer over art. 2:248 BW: wie opdraait voor het boedeltekort
Meer over de feitelijk beleidsbepaler van art. 2:248 lid 7 BW
Meer over turboliquidatie van een lege BV of stichting
Belastingschulden en pensioenpremies: art. 36 IW 1990
Voor de loonbelasting, omzetbelasting, accijnzen, milieuheffingen en kansspelbelasting van een aan vennootschapsbelasting onderworpen lichaam is iedere bestuurder hoofdelijk aansprakelijk (art. 36 Invorderingswet 1990). Alles draait om de melding betalingsonmacht: de vennootschap moet onverwijld schriftelijk aan de ontvanger meedelen dat zij niet tot betaling in staat is, en desgevraagd inlichtingen en stukken verstrekken. Is die melding tijdig en juist gedaan, dan is de bestuurder pas aansprakelijk als aannemelijk is dat het niet betalen het gevolg is van aan hem te wijten kennelijk onbehoorlijk bestuur in de drie jaren voor de melding. Bleef zij achterwege, dan wordt vermoed dat het niet betalen aan hem te wijten is, en wordt hij tot weerlegging van dat vermoeden alleen toegelaten als hij eerst aannemelijk maakt dat het niet aan hem te wijten is dat niet is gemeld. Voor pensioenpremies geldt in art. 23 Wet Bpf 2000 een vrijwel gelijkluidend stelsel, waarin een gedane melding niet hoeft te worden herhaald zolang de achterstand voortduurt (HR 21 mei 2021, ECLI:NL:HR:2021:754).
Doorwerking naar de bestuurder daarachter: art. 2:11 BW
Wordt het bestuur gevoerd door een houdstervennootschap, dan rust de aansprakelijkheid van die rechtspersoon-bestuurder tevens hoofdelijk op ieder die daarvan bestuurder was toen de aansprakelijkheid ontstond (art. 2:11 BW). De bepaling schept zelf geen aansprakelijkheid maar trekt een bestaande door, en voorkomt zo dat een natuurlijk persoon zich achter een tussengeschoven rechtspersoon verschuilt. Zij geldt bij alle wettelijke grondslagen hierboven, dus ook bij art. 6:162 BW. De schuldeiser hoeft niet afzonderlijk te stellen dat ook de tweedegraads bestuurder persoonlijk een ernstig verwijt treft; die bestuurder kan aansprakelijkheid wel alsnog afwenden door te stellen en zo nodig te bewijzen dat hem persoonlijk geen ernstig verwijt kan worden gemaakt van de gedragingen waarop de aansprakelijkheid berust (HR 17 februari 2017, ECLI:NL:HR:2017:275). Praktisch verschuift art. 2:11 BW daarmee de bewijslast naar de bestuurder.
Décharge, ontslag en verjaring
Décharge biedt minder bescherming dan bestuurders vaak denken, en zij ontstaat niet vanzelf. Vaststelling van de jaarrekening door de algemene vergadering strekt uitdrukkelijk niet tot kwijting (art. 2:210 lid 3 BW voor de BV, art. 2:101 lid 3 BW voor de NV); daarvoor is een afzonderlijk besluit nodig. Eén uitzondering: zijn alle aandeelhouders tevens bestuurder, dan geldt ondertekening van de jaarrekening als vaststelling en strekt die vaststelling wél tot kwijting, tenzij de statuten dat uitsluiten (art. 2:210 lid 5 BW).
Is décharge verleend, dan reikt zij niet verder dan wat uit de jaarrekening blijkt of anderszins aan de vergadering is bekendgemaakt vóór de vaststelling (Staleman/Van de Ven). Verzwegen feiten blijven erbuiten. Tegenover de curator werkt zij in het geheel niet: art. 2:248 lid 6 BW bepaalt dat kwijting niet in de weg staat aan de vordering wegens kennelijk onbehoorlijk bestuur.
Ook het neerleggen van de functie werkt niet bevrijdend: ontslag beëindigt de aansprakelijkheid voor gedragingen uit de bestuursperiode niet. Een vordering verjaart in beginsel vijf jaar nadat de benadeelde met de schade en de aansprakelijke persoon bekend is geworden (art. 3:310 BW), maar tussen de rechtspersoon en haar bestuurders geldt een verlengingsgrond (art. 3:321 lid 1 onder d BW), zodat die termijn voor de interne vordering niet afloopt zolang de bestuurder in functie is.
Wat de uitkomst bepaalt
Welke grondslag ook wordt gekozen, de uitkomst wordt zelden bepaald door de norm alleen maar door de bewijspositie. Bij art. 2:9 en 6:162 BW draait het om de vraag of het ernstig verwijt concreet kan worden onderbouwd. Bij art. 2:248 BW en art. 36 IW verschuift het zwaartepunt naar de vermoedens: administratie, deponering en melding betalingsonmacht beslissen wie wat moet aantonen. Bij art. 2:216, 2:249 en 2:203 BW ligt de disculpatie bij de bestuurder zelf. Voor de aangesproken bestuurder loont het daarom om de grondslagen uit elkaar te trekken in plaats van één verweer te voeren, en in concernverhoudingen om de vordering per rechtspersoon te scheiden.
Meer over de cassatierechtspraak: 20 arresten van de Hoge Raad
Meer over de feitenrechtspraak: verwijzingen bij art. 2:248 BW