Naar inhoud

Toerekening van kennis: wat de bestuurder wist, wist de vennootschap

13 oktober 2026Juriaan de Vries

Toerekening van kennis van de bestuurder aan de vennootschap

Wat een bestuurder weet, geldt in beginsel als kennis van de vennootschap. Onder bijzondere omstandigheden kan dat anders zijn. Op die regel strandde een Curaçaose vennootschap die af wilde van een beloningspakket dat haar bestuurder met zichzelf had afgesproken. Zij stelde dat zij had gedwaald, maar wat hij wist, wist zij ook. De Hoge Raad liet dat oordeel op 9 oktober 2026 in stand. De zaak laat zien hoe ver de regel reikt, en wanneer de kennis van een bestuurder niet meetelt.

Bestuurder spreekt bij de verkoop een beloningspakket met zichzelf af

Seguros Muskus N.V. drijft op Curaçao een assurantiebemiddelingsbedrijf. Haar managing director was ook haar uiteindelijke eigenaar. Op 26 september 2014 werden alle aandelen aan een nieuwe eigenaar geleverd. Dezelfde dag legde die nieuwe aandeelhouder in een besluit vast dat de bestuurder twee jaar adviseur werd met zijn oude salaris. Daarna kreeg hij zijn pensioen met vaste vergoedingen. De vennootschap bleef levenslang de ziektekostenverzekering van hem en zijn vrouw betalen, en hij hield recht op een auto. Volgens het hof had hij dat pakket ook mondeling met de vennootschap afgesproken, terwijl hij nog haar bestuurder was. Eind september 2014 trad hij als bestuurder af; zijn werk als adviseur eindigde in 2016. Later vorderde hij nakoming. De vennootschap beriep zich op dwaling en hield hem aansprakelijk voor slecht bestuur (conclusie A-G 19 juni 2026, nrs. 1.6-1.8 en 2.1-2.2; Gemeenschappelijk Hof 27 augustus 2024, r.o. 3.9-3.10).

Hof: wat de bestuurder wist, wist de vennootschap ook

De rechter in eerste aanleg verklaarde het besluit nietig en veroordeelde de bestuurder tot terugbetaling van ruim NAf 676.000; de vordering wegens slecht bestuur wees hij af (Gemeenschappelijk Hof 27 augustus 2024, r.o. 3.5). Het Gemeenschappelijk Hof van Justitie, de appelrechter voor de Caribische delen van het Koninkrijk, oordeelde anders over de afspraak en hield het kort. De afspraak was gemaakt tussen de bestuurder en de vennootschap, terwijl hij haar bestuurder was. Wat hij toen wist, gold daarom ook als kennis van de vennootschap. Dwaling kon dan alleen wederzijdse dwaling zijn: beide partijen moesten zich hebben vergist. De vennootschap stelde niet dat de bestuurder zelf van iets onjuists was uitgegaan, dus het beroep op dwaling faalde (Gemeenschappelijk Hof 27 augustus 2024, r.o. 3.11).

In het eindvonnis legde het hof de maatstaf erbij: in beginsel geldt de kennis van een bestuurder in het maatschappelijk verkeer als kennis van de rechtspersoon, maar onder bijzondere omstandigheden kan dat anders zijn. De vennootschap voerde aan dat zij de dwaling pas later had ontdekt, waarmee volgens het hof bedoeld was dat de nieuwe eigenaar het later ontdekte. Die enkele omstandigheid was niet bijzonder genoeg, mede omdat niet vaststond dat de bestuurder de nieuwe eigenaar onvoldoende had ingelicht (Gemeenschappelijk Hof 27 mei 2025, r.o. 3.8 en 3.10).

De bestuurder had een tegenstrijdig belang, want hij stond aan beide kanten van de afspraak. Het hof meende dat hij daarom de algemene vergadering van aandeelhouders moest inlichten, en stelde vast dat dat was gebeurd: het besluit van de enige aandeelhouder legde de afspraak zelf vast (Gemeenschappelijk Hof 27 augustus 2024, r.o. 3.14). Die wettelijke meldplicht was op Curaçao al in 2012 vervallen, merkte advocaat-generaal Assink op. Dat hielp de vennootschap niet: zonder die plicht was de bestuurder tot minder gehouden, en hij had de aandeelhouder bovendien ingelicht (conclusie A-G 19 juni 2026, nrs. 3.49-3.52). Het hof ging er verder van uit dat hij als bestuurder bevoegd was de vennootschap te vertegenwoordigen; de vennootschap betwistte dat niet (Gemeenschappelijk Hof 27 augustus 2024, r.o. 3.10).

Naar Nederlands recht neemt een BV-bestuurder met een tegenstrijdig persoonlijk belang niet deel aan de beraadslaging en besluitvorming. Kan het bestuur daardoor niet besluiten, dan beslist de raad van commissarissen of, zonder raad, de algemene vergadering (artikel 2:239 lid 6 BW). Zijn bevoegdheid om de vennootschap te vertegenwoordigen laat die regel onaangetast.

De aansprakelijkheid voor slecht bestuur wees ook het hof af. In het tussenvonnis was het hof nog kritisch over de bestuurder, maar de vennootschap stelde daarna te weinig om een ernstig verwijt aan te nemen. Zij moest ruim 162.000 Caribische gulden betalen en de afspraak blijven nakomen (Gemeenschappelijk Hof 27 mei 2025, r.o. 3.8 en dictum). De Hoge Raad verwierp het cassatieberoep met de verkorte motivering die hij gebruikt als de beoordeling van de klachten geen antwoord vergt op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht. Advocaat-generaal Assink had in zijn conclusie uitgelegd waarom het oordeel van het hof standhoudt (HR 9 oktober 2026; conclusie A-G 19 juni 2026, nrs. 3.34-3.37).

Hoofdregel: wat de bestuurder weet, weet de vennootschap

Het hof nam de regel over uit het arrest Treston/HDI van de Hoge Raad: "In beginsel brengt de aard van de functie van bestuurder van een rechtspersoon mee dat zijn wetenschap in het maatschappelijk verkeer heeft te gelden als wetenschap van de rechtspersoon. Dit kan echter onder bijzondere omstandigheden anders zijn" (HR 11 september 2020, r.o. 3.2.2). Gaat het om vertrouwen van de wederpartij, dan komt het erop aan of die mocht aannemen dat de vennootschap het wist (HR 11 maart 2005, r.o. 3.4.2). Bij een bestuurder is toerekening het uitgangspunt; bij anderen hangt het af van de omstandigheden. Volgens advocaat-generaal Valk telt daarbij ook de strekking van de regel waarvoor de kennis van belang is, en welke belangen op het spel staan (conclusie A-G 6 maart 2020, nr. 3.5).

Kennis kan langs twee wegen bij de vennootschap terechtkomen. De eerste is de wet: bij een rechtshandeling via een gevolmachtigde telt de kennis van de volmachtgever, van de gevolmachtigde of van beiden, al naar gelang ieders aandeel in de totstandkoming en de inhoud ervan (artikel 3:66 lid 2 BW). Dat kan ook gelden als de wederpartij alleen op de bevoegdheid van de gevolmachtigde mocht vertrouwen (HR 29 maart 2019, r.o. 3.3.2). Voor een bestuurder geldt die regel hooguit naar analogie, want artikel 3:78 BW verwijst alleen naar lid 1 (conclusie A-G 6 maart 2020, nr. 3.7). De tweede weg is de maatstaf van het maatschappelijk verkeer, en daarvoor is een bevoegdheid om te tekenen geen voorwaarde. Zo kon in de zaak uit 2019 ook de kennis meetellen van iemand die formeel geen bevoegdheid had, maar volgens de wederpartij feitelijk de leiding had over het adviesbureau (HR 29 maart 2019, r.o. 3.4.2).

Omgekeerd leidt een bevoegdheid om te vertegenwoordigen niet vanzelf tot toerekening, schreef Valk over de verjaring van een schadevordering (conclusie A-G 6 maart 2020, nr. 3.7). Een bruikbaar onderscheid komt uit het proefschrift van Katan uit 2017, zoals advocaat-generaal Wissink het samenvatte. In een standaardgeval heeft degene met de kennis zelf voor de rechtspersoon gehandeld, of was hij erbij betrokken. De kennis van een bestuurder of feitelijk beleidsbepaler kan dan in beginsel automatisch worden toegerekend. Bij kennisversplintering weet degene die handelt het niet, maar iemand anders binnen de organisatie wel. Dan ligt het genuanceerder, en bepaalt vooral de organisatieplicht de uitkomst: had de rechtspersoon het risico moeten beheersen dat kennis door taakverdeling versnipperd raakt (conclusie A-G 11 januari 2019, nr. 3.12.1)? In de Curaçaose zaak sloot de bestuurder die het wist, de afspraak zelf.

Wanneer de kennis van de bestuurder niet telt

Treston/HDI laat ook zien wanneer de uitzondering opgaat. Twee bestuurders en een commissaris van verzekeraar HDI hadden een eigen financieel belang bij de constructie waarmee Treston voor 1 Arubaanse florin de Arubaanse portefeuille van HDI overnam. Zij meldden dat niet aan hun collega's in het bestuur, aan de raad van commissarissen of aan de aandeelhouder. Treston wist van die belangen en werkte er met het oog op eigen voordeel aan mee dat de rest van HDI daarvan onkundig bleef, om te voorkomen dat HDI maatregelen zou nemen. De Hoge Raad liet het oordeel van het hof in stand dat de kennis van de drie in die verhouding niet als kennis van HDI gold, zodat de verjaring van haar vordering op Treston nog niet was begonnen (HR 11 september 2020, r.o. 2.1 en 3.2.3-3.2.4). Het omgekeerde zou volgens advocaat-generaal Valk neerkomen op een faciliteit voor onbehoorlijk handelende bestuurders en voor derden die onrechtmatig met hen optrekken (conclusie A-G 6 maart 2020, nr. 3.4).

Het Curaçaose geval verschilde daar wezenlijk van, schreef advocaat-generaal Assink, onder meer omdat de bestuurder zijn tegenstrijdig belang wel aan de aandeelhouder had gemeld (conclusie A-G 19 juni 2026, nr. 3.37). Een tegenstrijdig belang alleen was daar niet genoeg. In Treston droeg de uitzondering op het verzwijgen voor de rest van de vennootschap, met een wederpartij die daar met het oog op eigen voordeel aan meewerkte. Of de uitzondering opgaat, moet van geval tot geval worden onderzocht (conclusie A-G 19 juni 2026, nr. 3.34).

Wat betekent dit voor vennootschappen, kopers en wederpartijen?

Een vennootschap die een overeenkomst wil aantasten omdat zij iets niet wist, moet eerst kijken wat haar bestuurder wist. Wist hij het, dan wist zij het in beginsel ook. Dat blijft in beginsel zo na een overname: in de Curaçaose zaak was een latere ontdekking door de nieuwe eigenaar alleen niet genoeg. Een koper doet er daarom goed aan om vóór de overdracht na te gaan wat de vertrekkende bestuurder met zichzelf heeft afgesproken, en daarover garanties te bedingen. Het hof rekende de vennootschap bovendien toe wat haar nieuwe uiteindelijke eigenaar wist of bij behoorlijk onderzoek had behoren te weten, in ieder geval vanaf de overname. Dat deed het bij de vraag of de bestuurder een ernstig verwijt trof, en de advocaat-generaal zag daarin geen onjuiste rechtsopvatting (Gemeenschappelijk Hof 27 mei 2025, r.o. 3.7; conclusie A-G 19 juni 2026, nrs. 3.81-3.82).

Een wederpartij die zich op kennis van de vennootschap beroept, kan in beginsel volstaan met de kennis van een bestuurder. Het is dan aan de vennootschap om bijzondere omstandigheden aan te voeren. Treston laat zien hoe die eruit kunnen zien: bestuurders die iets voor de rest van de vennootschap verborgen, met een wederpartij die daaraan meewerkte. Dat speelt ook bij verjaring. Een vordering tot schadevergoeding verjaart vijf jaar nadat de benadeelde zowel de schade als de aansprakelijke kent, en uiterlijk twintig jaar na de gebeurtenis (artikel 3:310 lid 1 BW). Voor een vennootschap telt daarbij in beginsel wat haar bestuurders weten.

Wat een bestuurder wist toen hij zelf voor de vennootschap handelde, blijft in beginsel haar kennis, ook na een overname. Wie wil dat die kennis buiten beeld blijft, moet bijzondere omstandigheden aanwijzen, zoals bestuurders die samen met de wederpartij iets voor de vennootschap verborgen.

Veelgestelde vragen

Geldt de kennis van een werknemer of tussenpersoon ook als kennis van de vennootschap?

Niet automatisch. Beslissend is of die kennis in het maatschappelijk verkeer als kennis van de vennootschap geldt, en dat hangt af van de omstandigheden, waaronder wat de wederpartij mocht aannemen. Toen een handelsagent in een oriënterend gesprek iets hoorde en dat niet doorgaf, kwam dat gebrek in de interne communicatie niet zonder meer voor rekening van zijn opdrachtgever (HR 11 maart 2005, r.o. 3.4.2-3.4.3). Bij iemand die feitelijk de leiding heeft, kan dat anders zijn (HR 29 maart 2019, r.o. 3.4.2).

Begint de verjaring te lopen als alleen de bestuurder de schade en de aansprakelijke kent?

In beginsel wel, omdat zijn kennis als kennis van de vennootschap geldt. In Treston/HDI bleef een uitzondering in stand: de bestuurders die het wisten, hielden het met medewerking van de wederpartij verborgen voor de rest van de vennootschap, en de termijn voor de vordering op die wederpartij liep daarom niet (HR 11 september 2020, r.o. 3.2.4). Bij een vordering van de vennootschap op haar eigen bestuurder loopt een termijn die tijdens zijn bestuur of binnen zes maanden daarna zou aflopen, door tot zes maanden na zijn vertrek (artikel 3:320 en 3:321 lid 1 onder d BW). Die verlenging maakt zijn kennis niet tot die van de vennootschap (HR 11 september 2020, r.o. 3.3).

Kan een vennootschap een afspraak met haar eigen bestuurder vernietigen wegens dwaling?

In beginsel alleen als ook de bestuurder zelf had gedwaald, omdat zijn kennis als kennis van de vennootschap geldt, tenzij bijzondere omstandigheden aan toerekening in de weg staan. In de Curaçaose zaak bleef daarom alleen wederzijdse dwaling over, en de vennootschap stelde niet dat de bestuurder zich had vergist (Gemeenschappelijk Hof 27 augustus 2024, r.o. 3.11).

Aangehaalde rechtspraak

Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2026:1634 (Seguros Muskus, 9 oktober 2026; cassatieberoep verworpen met toepassing van art. 81 RO); ECLI:NL:HR:2020:1413 (Treston/HDI, 11 september 2020, r.o. 3.2.2-3.2.4 en 3.3; kennis van een bestuurder geldt in beginsel als kennis van de rechtspersoon; het oordeel dat dit niet gold tegenover een wederpartij die meewerkte aan het verzwijgen van de belangenverstrengeling, zodat de verjaring tegen haar niet aanving, bleef in stand; de verlengingsgrond van art. 3:321 lid 1 onder d BW maakt kennis van een bestuurder niet tot kennis van de rechtspersoon); ECLI:NL:HR:2019:467 (29 maart 2019, r.o. 3.3.2 en 3.4.2; toerekening via art. 3:66 lid 2 BW of via het maatschappelijk verkeer, ook zonder vertegenwoordigingsbevoegdheid); ECLI:NL:HR:2005:AR7344 (Idee 2, 11 maart 2005, r.o. 3.4.2-3.4.3; kennis van een handelsagent, gebrek in de interne communicatie komt niet zonder meer voor risico van de principaal).

Conclusies: ECLI:NL:PHR:2026:614 (A-G Assink, 19 juni 2026, nrs. 3.34-3.37 en 3.49-3.52; de Treston-uitzondering vergt onderzoek per geval, en deze zaak verschilt daar wezenlijk van, onder meer omdat de bestuurder de enig aandeelhouder had ingelicht); ECLI:NL:PHR:2020:283 (A-G Valk, 6 maart 2020, nrs. 3.4-3.7; de Hoge Raad volgde de uitkomst; toerekening van wetenschap is geen eenduidig leerstuk, de strekking van de norm en de betrokken belangen bepalen mee, en art. 3:66 lid 2 BW geldt voor bestuurders hooguit naar analogie); ECLI:NL:PHR:2019:127 (A-G Wissink, 11 januari 2019, nrs. 3.10-3.13; kader en gezichtspunten uit de literatuur over toerekening van kennis; de Hoge Raad ging tegen de conclusie in); ECLI:NL:PHR:2005:AR7344 (A-G Verkade, 19 november 2004, nr. 4.7; de maatstaf is of de wederpartij in het licht van de verkeersopvattingen mocht aannemen dat de kennis van de functionaris ook kennis van de organisatie was).

Gerechtshoven: ECLI:NL:OGHACMB:2024:162 (Gemeenschappelijk Hof, 27 augustus 2024, r.o. 3.11 en 3.14; kennis van de bestuurder bij een afspraak met zichzelf geldt als kennis van de vennootschap, zodat alleen wederzijdse dwaling overblijft); ECLI:NL:OGHACMB:2025:116 (Gemeenschappelijk Hof, 27 mei 2025, r.o. 3.8 en 3.10; de enkele latere ontdekking door de nieuwe eigenaar is geen bijzondere omstandigheid; bestuurdersaansprakelijkheid afgewezen bij gebrek aan stellingen).

Lees ook