Corporate opportunity: de kans die de vennootschap toekomt
Acquisitiefee van De Rotterdam belandt bij een nieuwe vennootschap
De verkoop van het Rotterdamse kantoorgebouw De Rotterdam leverde een bemiddelingsvennootschap een acquisitiefee op van ruim een half miljoen euro. Voordat die fee binnen was, verlegden twee van de drie samenwerkende partners haar naar een nieuw opgerichte vennootschap — buiten de derde partner om. De rechtbank Rotterdam veroordeelde hen daarvoor tot 200.000 euro schadevergoeding (ECLI:NL:RBROT:2021:12637).
De drie hadden in 2015 samen een vennootschap opgericht voor bemiddeling bij vastgoedtransacties. Die vennootschap bemiddelde bij de verkoop van De Rotterdam — koopsom uiteindelijk 352 miljoen euro — en had een concreet vooruitzicht op de fee. Toen de samenwerking met een van de partners eind 2015 spaakliep, verlegden de twee anderen die fee in juni 2016, zonder de gezamenlijke vennootschap te compenseren.
De onderzoeker die de Ondernemingskamer eerder had benoemd, noemde de fee "een nagenoeg gerealiseerde corporate opportunity". De rechtbank oordeelde dat het weghalen van die fee zonder compensatie de onderhandelingspositie van de vertrekkende partner ondermijnde en neerkwam op eigenrichting. Dat was onrechtmatig en zo onzorgvuldig dat de betrokkenen persoonlijk een ernstig verwijt trof (r.o. 4.5). De schade werd begroot op 200.000 euro.
Waarom art. 2:9 BW de maatstaf levert, en geen apart arrest
Het begrip "corporate opportunity" is Amerikaans van oorsprong en heeft in het Nederlandse recht geen eigen wettelijke grondslag. In de geanalyseerde uitspraken formuleren rechtbanken de maatstaf daarom zelf — en opvallend eensluidend. Zowel de rechtbank Overijssel in de Ecoliner-zaak (ECLI:NL:RBOVE:2022:3175, r.o. 5.5) als de rechtbank Midden-Nederland in de Everizone-zaak (ECLI:NL:RBMNE:2024:194, r.o. 4.2) omschrijven een corporate opportunity als een mogelijkheid die zich voor de vennootschap voordoet om een transactie aan te gaan of activiteiten te ontplooien die passen binnen haar bedrijfsvoering, en waarvan kenbaar is dat de vennootschap daar een redelijk belang bij heeft.
Uit art. 2:8 BW en art. 2:9 BW volgt dan dat de bestuurder zo'n kans aan de vennootschap moet laten toevallen. Trekt hij de kans naar zichzelf of een derde zonder dat de vennootschap die heeft vrijgegeven, dan vervult hij zijn taak onbehoorlijk. Aansprakelijkheid ontstaat pas bij een ernstig verwijt — volgens de rechtbank Midden-Nederland in beginsel aanwezig zodra de bestuurder zijn eigen belang zwaarder laat wegen dan dat van de vennootschap. De rechtbank Overijssel verankert diezelfde norm expliciet in art. 2:9 BW.
Dat het leerstuk in de feitenrechtspraak leeft en niet in een leidend arrest, bevestigt het hof Arnhem-Leeuwarden in het hoger beroep van de Everizone-zaak (ECLI:NL:GHARL:2026:4155). Het hof stelt art. 2:9 BW voorop (r.o. 4.5), formuleert geen zelfstandige corporate-opportunity-toets en bekrachtigt het vonnis op de feiten: niet de bestuurders maar externe partijen bepaalden waar de opdracht heenging, en de vennootschap bleek geen rechthebbende op het betwiste platform.
Waarom claims stranden, en welke omweg wél werkt
De strenge koppeling aan de bestuurdershoedanigheid velt veel vorderingen. In de Ecoliner-zaak werkte de uitvinder van een elektrische cv-ketel bij een concurrerend product, maar hij was formeel geen bestuurder van de benadeelde vennootschap — alleen indirect, via zijn holding. Daarmee kon het op de corporate-opportunity-leer gebaseerde verwijt hem niet treffen (r.o. 5.6). Vereenzelviging langs het Kleuterschool Babbel-arrest (HR 6 april 1979) baatte evenmin, omdat hij als natuurlijk persoon en niet als bestuurder had gehandeld.
Toch werd hij aansprakelijk gehouden — via de open norm van de onrechtmatige daad. De rechtbank oordeelde dat op hem als feitelijk leidinggevende een bijzondere zorgplicht rustte "ook al is artikel 2:9 BW niet aan de orde" (r.o. 5.9), versterkt door een concurrentieverbod in de aandeelhoudersovereenkomst. Materieel bereikte de rechtbank langs art. 6:162 BW hetzelfde resultaat.
Dezelfde omweg helpt waar het niet om een klassieke bestuurder gaat maar om een mede-aandeelhouder. In de zaak Dikon/Niqel (ECLI:NL:GHAMS:2019:4066) hield het hof Amsterdam een controlerend aandeelhouder aansprakelijk wegens schending van een specifieke zorgvuldigheidsnorm jegens de minderheidsaandeelhouder (art. 2:8 BW, r.o. 3.7-3.8): wie de gezamenlijke opzet doorkruist door de kans rechtstreeks naar zich toe te trekken, handelt onrechtmatig. Dezelfde constructie keert terug in een recent tussenvonnis van de rechtbank Midden-Nederland (ECLI:NL:RBMNE:2025:4064, r.o. 3.6). Of zo'n benadeelde aandeelhouder zijn schade vervolgens zélf mag vorderen, is een apart leerstuk: dat van de afgeleide schade.
Wat betekent dit voor bestuurders en aandeelhouders?
Wie samenwerkt in een vennootschap doet er goed aan de grens tussen eigen en gezamenlijke kansen vooraf vast te leggen. Een concurrentie- of nevenactiviteitenbeding in de aandeelhoudersovereenkomst gaf in de Ecoliner-zaak de doorslag voor de zorgplicht. Even belangrijk is documentatie: wie een kans buiten de vennootschap om benut, moet kunnen aantonen dat de vennootschap die kans heeft vrijgegeven of daarvoor is gecompenseerd. En wie een claim overweegt, moet vaststaan dat de aangesprokene formeel bestuurder was én dat de vennootschap rechthebbende was op wat verloren ging — juist op die twee punten sneuvelen de meeste vorderingen.
Veelgestelde vragen
Wat is een corporate opportunity?
Een zakelijke kans die past binnen de bedrijfsvoering van een vennootschap en waarvan kenbaar is dat zij daar een redelijk belang bij heeft. Denk aan een concrete opdracht, transactie of samenwerking. De bestuurder hoort die kans aan de vennootschap te laten toevallen en mag haar niet zonder vrijgave voor zichzelf of een derde benutten.
Op welk wetsartikel is aansprakelijkheid voor een corporate opportunity gebaseerd?
Er is geen specifiek artikel. Rechtbanken baseren de aansprakelijkheid op de bestuurdersnorm van art. 2:9 BW, gelezen met art. 2:8 BW, en vereisen een ernstig verwijt. Is de aangesprokene geen bestuurder, dan kan aansprakelijkheid volgen uit de onrechtmatige daad van art. 6:162 BW.
Wanneer is het benutten van een zakelijke kans wél toegestaan?
Als de vennootschap de kans heeft vrijgegeven, als er marktconforme compensatie tegenover staat, of als de kans niet aan de vennootschap toekwam. Ook een verlieslatende of niet-concrete kans levert geen aansprakelijkheid op. Zonder bestuurdershoedanigheid of eigendomsrecht van de vennootschap strandt een claim doorgaans.
Aangehaalde rechtspraak
Gerechtshoven: ECLI:NL:GHARL:2026:4155 · ECLI:NL:GHAMS:2019:4066
Rechtbanken: ECLI:NL:RBROT:2021:12637 · ECLI:NL:RBOVE:2022:3175 · ECLI:NL:RBMNE:2024:194 · ECLI:NL:RBMNE:2025:4064
Lees ook
- Bestuurdersaansprakelijkheid: de grondslagen en het verweer
- De BV leeggehaald door een medeaandeelhouder: wanneer kan de gedupeerde zelf schadevergoeding eisen?
- Bestuurdersaansprakelijkheid als de vennootschap niet betaalt en geen verhaal biedt
- Bestuurdersaansprakelijkheid na doorstart: wie draagt het boedeltekort?