Naar inhoud

Bestuurdersaansprakelijkheid als de vennootschap niet betaalt en geen verhaal biedt

2 juni 2026Juriaan de Vries

Wanneer een schuldeiser onbetaald blijft

Een schuldeiser die zijn vordering niet betaald krijgt en geen verhaal vindt, kan de bestuurder persoonlijk aanspreken. De drempel is hoog: er moet een persoonlijk ernstig verwijt zijn. Wie die weg bewandelt binnen een concern, stuit op een tweede eis. Het verwijt moet worden onderbouwd op het niveau van de rechtspersoon waarvan hij zelf schuldeiser is, niet over de structuur heen.

De hoge drempel: een persoonlijk ernstig verwijt

Een bestuurder handelt voor rekening van de vennootschap en wordt niet snel in privé aangesproken. Voor persoonlijke aansprakelijkheid uit onrechtmatige daad (art. 6:162 BW) geldt daarom een hoge drempel: de bestuurder moet, mede gelet op zijn verplichting tot een behoorlijke taakuitoefening (art. 2:9 BW), persoonlijk een ernstig verwijt kunnen worden gemaakt. De Hoge Raad herhaalde die drempel in juni 2026 uitdrukkelijk.

Die drempel beschermt niet zozeer de bestuurder als wel het rechtsverkeer. Zou elke tekortkoming van een vennootschap tot een persoonlijk verwijt kunnen leiden, dan zou niemand nog bestuurder willen zijn van een onderneming die het moeilijk heeft.

Twee routes naar aansprakelijkheid

Sinds HR 8 december 2006 (Ontvanger/Roelofsen) worden twee gevallen onderscheiden waarin een bestuurder tegenover een schuldeiser onrechtmatig kan handelen. In beide geldt dezelfde maatstaf van het persoonlijk ernstig verwijt.

De eerste route ziet op de bestuurder die namens de vennootschap verplichtingen aangaat terwijl hij weet of behoort te begrijpen dat zij die niet zal kunnen nakomen en geen verhaal zal bieden. Dat is de Beklamel-norm, in de geanalyseerde uitspraken de meest gebruikte grondslag. Hoe streng die norm uitpakt is elders besproken aan de hand van een beachclub waarvan de bouwkosten verdubbelden.

De tweede route staat verder van de dagelijkse praktijk maar is voor schuldeisers vaak de enige overgebleven weg. Het gaat om de bestuurder die bewerkstelligt of toelaat dat de vennootschap haar verplichtingen niet nakomt. Niet het aangaan van de schuld is dan het verwijt, maar wat er daarna met het vermogen gebeurt.

Bewerkstelligen of toelaten: waar ligt de grens?

Bij die tweede route draait alles om voorzienbaarheid. Van een voldoende ernstig persoonlijk verwijt kan sprake zijn als de bestuurder wist of redelijkerwijs had moeten begrijpen dat zijn handelwijze tot gevolg zou hebben dat de vennootschap niet zou nakomen en ook geen verhaal zou bieden.

In zijn conclusie voor het arrest van juni 2026 wijst advocaat-generaal Valk erop dat rechters op die vuistregel variëren. De eis van voorzienbaarheid wordt soms verlicht tot ernstig rekening moeten houden met de mogelijkheid van schade, wat meer vergt dan enkel voorzienbaarheid maar minder dan zekerheid. Zo'n variatie kan volgens de conclusie rechtvaardiging vinden wanneer de gedragslijn van de bestuurder mede is ingegeven door een persoonlijk belang, bijvoorbeeld bij onttrekking van middelen aan de vennootschap ten gunste van zichzelf of een gerelateerde partij, waardoor de externe schuldeiser achter het net vist.

Daar zit de kern van de zaak die hierna wordt besproken. Het gaat niet om een bestuurder die een onverantwoorde verplichting aanging, maar om een bestuurder die betrokken was bij betalingen waarvan hij via een eigen vennootschap meeprofiteerde.

De indirecte bestuurder in een concern: Bank Degroof/FPA

Bank Degroof Petercam verstrekte de beleggingsinstelling FPA in 2007 een krediet van 2 miljoen euro. FPA raakte insolvent en betaalde niet terug; de vordering liep op tot ruim 2,7 miljoen euro. Toen de bank als enige grote schuldeiser achterbleef, sprak zij de bestuurders persoonlijk aan: Energieweg (bestuurder van FPA) en de man die als indirect bestuurder aan het roer stond. De rechtbank wees de vordering af; het Gerechtshof Amsterdam oordeelde in 2024 dat de bestuurder onrechtmatig had gehandeld en hoofdelijk aansprakelijk was. De Hoge Raad maakte daar op 12 juni 2026 korte metten mee.

De achtergrond is een kluwen van vennootschappen. Een kleindochter van FPA, Weaver, had een regresvordering op een advocatenkantoor — een claim om geleden schade te verhalen op wie daarvoor verantwoordelijk is —. Die procedure eindigde in een schikking van 4,3 miljoen euro, die werd verdeeld over schuldeiser Alstonville (2,8 miljoen euro) en de procesfinancier van de bestuurder, Eikofin (1,5 miljoen euro). De bank werd hierover niet geïnformeerd en bleef onbetaald. Het hof leidde uit zes omstandigheden af dat de bestuurder een persoonlijk ernstig verwijt trof, onder meer een beperkte betaalautonomie na het besluit tot afwikkeling, oftewel minder vrijheid om zelf te bepalen welke schuldeiser wanneer wordt betaald en het uitblijven van een voorziening voor de bank. Daarbij paste het hof precies de verlichting toe die de conclusie beschrijft: het woog mee dat de bestuurder via Eikofin zelf profiteerde van de verdeling, en nam daarmee genoegen met de vaststelling dat hij ernstig rekening had moeten houden met schade voor de bank.

De Hoge Raad stelt voorop dat voor persoonlijke aansprakelijkheid van bestuurders uit onrechtmatige daad in het algemeen een hoge drempel geldt, een lijn die teruggaat op vaste rechtspraak (ECLI:NL:HR:2014:2628, ECLI:NL:HR:2008:BC4959). Vervolgens wijst hij op uitgangspunten die het hof had moeten respecteren: het hof had niet vastgesteld dat óók Weaver jegens de bank tot terugbetaling verplicht was, de bank was geen schuldeiser van Weaver, en het hof had niet vastgesteld dat Weaver aan Alstonville en Eikofin méér betaalde dan hun als schuldeisers toekwam.

Tegen die achtergrond is het oordeel van het hof volgens de Hoge Raad zonder nadere motivering onbegrijpelijk. Het is niet in te zien waarom FPA verplicht zou zijn de bank te informeren over of te betrekken bij de regresvordering en de schikking van haar kleindochter Weaver. Belangrijk is wat de Hoge Raad hier wél en niet beslist: hij oordeelt niet dat de bestuurder geen verwijt treft, maar dat het hof zijn aansprakelijkheidsoordeel ontoereikend heeft gemotiveerd. De rode draad in die kritiek is dat het hof onvoldoende onderscheid maakte tussen FPA en haar kleindochter Weaver door over één "FPA-structuur" te spreken. Aansprakelijkheid mag niet rusten op een vereenzelviging van twee zelfstandige rechtspersonen, het behandelen van twee vennootschappen als één; wie een bestuurder een persoonlijk ernstig verwijt maakt, moet dat per rechtspersoon onderbouwen. Aan de vraag of een persoonlijk belang die verlichting rechtvaardigt, komt de Hoge Raad niet toe: zonder de ontbrekende vaststellingen over Weaver draagt ook een verlichte voorzienbaarheidseis het oordeel niet. De Hoge Raad vernietigt het arrest en verwijst de zaak naar het Gerechtshof Den Haag.

Biedt groepsaansprakelijkheid (art. 6:166 BW) een uitweg?

Een schuldeiser die op deze grens stuit, zoekt soms zijn heil in art. 6:166 BW: aansprakelijkheid van deelnemers aan een groep die onrechtmatig gedrag mogelijk maakt. Die route verlaagt de drempel niet. Het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden bevestigde in 2026 dat de verhoogde maatstaf van het persoonlijk ernstig verwijt ook binnen een groepsverband geldt. De vraag verschuift hooguit naar wie aan de gedraging heeft deelgenomen: wie actief onrechtmatig beleid voert ten nadele van investeerders, vindt in de groepsconstructie geen dekking.

Wat betekent dit voor bestuurders en schuldeisers?

Voor schuldeisers is de les scherp. Wie een bestuurder persoonlijk wil aanspreken, moet zijn verwijt onderbouwen op het niveau van de rechtspersoon waarvan hij zélf schuldeiser is. Het vermogen van een dochter of kleindochter waarop geen vordering bestaat, laat zich niet langs de omweg van een bestuurdersverwijt over "de structuur" naar de schuldeiser toe trekken. Ook de Beklamel-norm bood de bank hier geen soelaas, omdat niet vaststond dat de bestuurder bij het aangaan van het krediet wist dat de vennootschap niet zou kunnen terugbetalen. Wie via art. 6:166 BW een bestuurder in groepsverband aanspreekt, moet meer stellen dan louter deelname aan een groep die onrechtmatig handelde: het handelen moet de betrokkene persoonlijk en ernstig te verwijten zijn.

Wie zelf, via een eigen vennootschap, meeprofiteert van betalingen die andere schuldeisers onbetaald laten, moet erop rekenen dat de rechter de voorzienbaarheidseis minder streng invult. Dat maakt de drempel niet lager, maar wel eerder bereikt. Voor bestuurders werkt de maatstaf twee kanten op. Betaalautonomie blijft het vertrekpunt en wordt niet snel doorbroken zonder dat de rechter concrete, daarmee strijdige betalingen vaststelt; een abstracte verwijzing naar afwikkeling volstaat niet. Tegelijk beschermt de collectieve groepsstructuur niet wie actief heeft deelgenomen aan beleidsbeslissingen die anderen schade toebrengen. De uitkomst na verwijzing staat dan ook nog niet vast; wél de maatstaf waarlangs zij wordt gemeten: per rechtspersoon, en met een persoonlijk ernstig verwijt dat concreet is onderbouwd.

Veelgestelde vragen

Wat is een persoonlijk ernstig verwijt?

Het is de maatstaf voor persoonlijke aansprakelijkheid van een bestuurder uit onrechtmatige daad (art. 6:162 BW). Er geldt een hoge drempel: niet elke ongelukkige of nadelige beslissing levert aansprakelijkheid op. Vereist is dat de bestuurder, mede gelet op zijn verplichting tot een behoorlijke taakuitoefening, persoonlijk een ernstig verwijt kan worden gemaakt.

Kan een schuldeiser van de moedervennootschap zich verhalen op een dochter?

In beginsel niet. Moeder, dochter en kleindochter zijn zelfstandige rechtspersonen met elk hun eigen vermogen en schuldeisers. Een schuldeiser van de moeder heeft geen aanspraak op het vermogen van een dochter waarvan hij geen schuldeiser is, en bestuurdersaansprakelijkheid biedt voor die scheiding geen omweg: het verwijt moet per rechtspersoon worden onderbouwd.

Wat moet een schuldeiser stellen als de vennootschap niet betaalt?

Dat de bestuurder heeft bewerkstelligd of toegelaten dat juist die vennootschap haar verplichtingen niet nakwam en geen verhaal bood, en dat hij dat wist of redelijkerwijs had moeten begrijpen. Stellingen over het vermogen van een zuster- of kleindochtervennootschap waarvan de schuldeiser geen vordering heeft, dragen dat verwijt niet.

Aangehaalde rechtspraak

Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2026:912 · ECLI:NL:HR:2026:128 · ECLI:NL:HR:2014:2628 · ECLI:NL:HR:2008:BC4959 · ECLI:NL:HR:2006:AZ0758 · ECLI:NL:HR:2016:663 · ECLI:NL:HR:2019:1489

Parket bij de Hoge Raad: ECLI:NL:PHR:2025:1304

Gerechtshoven: ECLI:NL:GHARL:2026:3234 · ECLI:NL:GHARL:2026:3233 · ECLI:NL:GHAMS:2024:2819 · ECLI:NL:GHDHA:2024:160

Rechtbanken: ECLI:NL:RBAMS:2022:7419

Lees ook