Inleiding
Een kozijnenbedrijf laat zes klanten achter met gebreken en onbetaalde vonnissen, ontbindt zichzelf via een turboliquidatie en zet de activiteiten kort daarna voort onder een nieuwe naam. De klanten staan met lege handen — de vennootschap bestaat niet meer. Toch veroordeelt de rechtbank Rotterdam de bestuurder in maart 2023 privé tot betaling van ruim 109.000 euro aan onbetaalde vorderingen.
Voor een bestuurder is turboliquidatie de snelste manier om een lege BV of stichting te beëindigen: een ontbindingsbesluit, een melding aan het handelsregister, en de rechtspersoon houdt op te bestaan. Geen vereffenaar, geen wachttijd, geen kosten. Juist die eenvoud verleidt tot onzorgvuldigheid. Of een bestuurder er zonder kleerscheuren uitkomt of privé aansprakelijk wordt, hangt af van een handvol keuzes rond het moment van ontbinding. De geanalyseerde uitspraken laten scherp zien welke dat zijn.
Wat is turboliquidatie?
Turboliquidatie is geen aparte procedure, maar een toepassing van artikel 2:19 lid 4 BW. Dat lid bepaalt dat een rechtspersoon die op het tijdstip van zijn ontbinding geen baten meer heeft, op dat moment ophoudt te bestaan. Er volgt dan geen vereffening. Het bestuur doet enkel opgaaf aan het handelsregister.
Belangrijk is dat de regeling niet aan de BV is voorbehouden. Artikel 2:19 BW staat in de algemene bepalingen van Boek 2 en geldt daarmee voor élke rechtspersoon: de BV en de NV, maar net zo goed de vereniging, de coöperatie en — vaak over het hoofd gezien — de stichting. Ook een lege stichting kan dus worden geturboliquideerd. Het verschil zit alleen in het ontbindingsbesluit: bij de BV besluit de algemene vergadering (artikel 2:19 lid 1 sub a BW), bij de stichting het bestuur, tenzij de statuten anders bepalen. De rechtbank Midden-Nederland paste in 2022 op het bestuur van een geturboliquideerde stichting exact dezelfde aansprakelijkheidsmaatstaf toe als op een BV-bestuurder.
De enige wettelijke voorwaarde is dat baten ontbreken. Schulden mogen er wél zijn — dat is nu juist de situatie waarvoor de regeling is bedoeld. Het begrip "baten" wordt daarbij ruim uitgelegd: het omvat niet alleen bestaande activa, maar ook potentiële baten, zoals openstaande vorderingen, goodwill, een handelsnaam of een aanspraak wegens bestuurdersaansprakelijkheid. Wie liquideert terwijl zulke baten bestonden, voldeed niet aan de wettelijke voorwaarde.
Sinds 15 november 2023 geldt bovendien de Tijdelijke wet transparantie turboliquidatie. Het nieuwe artikel 2:19b BW verplicht het bestuur om binnen veertien dagen na de ontbinding bij het handelsregister een balans en een staat van baten en lasten te deponeren, samen met een beschrijving van de oorzaak van het ontbreken van baten en de reden waarom schuldeisers onbetaald zijn gebleven. Nog niet gepubliceerde jaarrekeningen moeten alsnog worden gedeponeerd, en de schuldeisers worden schriftelijk geïnformeerd. Wordt die plicht geschonden en blijven schuldeisers onbetaald, dan kan de rechtbank op grond van artikel 2:19c BW een civielrechtelijk bestuursverbod opleggen. De regeling is inmiddels verlengd tot 15 november 2027, en de staatssecretaris heeft aangekondigd de verplichtingen daarna permanent te willen verankeren. Bestuurders doen er dus goed aan de deponerings- en informatieplicht als blijvend te beschouwen.
Wanneer mag je turboliquideren — en wanneer niet?
Voor een bestuurder die een rechtspersoon wil beëindigen, is het verschil tussen drie routes bepalend. Bij ontbinding met vereffening wordt een aanwezig vermogen afgewikkeld: een vereffenaar verkoopt de baten, betaalt de schuldeisers en keert een eventueel overschot uit. Bij een faillissement neemt een door de rechter benoemde curator het vermogen over en verdeelt dat onder de gezamenlijke schuldeisers. Bij een turboliquidatie valt er niets te verdelen: omdat baten volledig ontbreken, blijft vereffening achterwege en houdt de rechtspersoon onmiddellijk op te bestaan. Welke route is toegestaan, hangt af van de vermogenspositie — en de rechtspraak bewaakt die grens streng.
Zijn er baten, dan is vereffening de aangewezen route. De vereffenaar — in de regel het bestuur zelf (artikel 2:23 BW) — maakt het vermogen te gelde en keert een overschot uit aan de gerechtigden (artikel 2:23b BW). Ontdekt hij dat de schulden de baten overtreffen, dan moet hij in beginsel het faillissement aanvragen, tenzij alle bekende schuldeisers instemmen met voortzetting van de vereffening buiten faillissement (artikel 2:23a lid 4 BW).
Overtreffen de schulden de baten, dan hoort de vennootschap in een faillissement thuis. Dat kan worden aangevraagd door de vennootschap zelf of door een schuldeiser, en veronderstelt dat de schuldenaar is opgehouden te betalen en er meer dan één schuldeiser is. Een door de rechter benoemde curator legt vervolgens beslag op het hele vermogen, onderzoekt de boedel — ook op mogelijke vorderingen uit een faillissementspauliana of uit bestuurdersaansprakelijkheid — en verdeelt de opbrengst volgens de wettelijke rangorde. Voor het bestuur is één grens beslissend: is de boedel op voorhand leeg en valt er ook niets meer te genereren, dan is een eigen faillissementsaangifte geen geldige keuze maar misbruik van bevoegdheid. De Hoge Raad besliste in de zaak R.M. Trade (18 december 2015) dat het bestuur in dat geval de weg van artikel 2:19 BW moet nemen, omdat een faillissement zonder te verdelen vermogen de curator slechts met onbetaald werk opzadelt. Advocaat-generaal Timmerman plaatste die keuze tegen het bredere probleem van de "lege boedels" — faillissementen zonder verhaalbaar actief — en bepleitte een wettelijke oplossing. Dezelfde misbruikmaatstaf geldt wanneer een schuldeiser het faillissement van een reeds geturboliquideerde vennootschap probeert af te dwingen; die situatie is afzonderlijk uitgewerkt in de analyse over het aanvragen van een faillissement tegen een lege boedel.
Ontbreken baten volledig, dan blijft turboliquidatie over — en is dat voor het bestuur niet alleen de snelste, maar de juridisch juiste route. De vennootschap wordt ontbonden en houdt, omdat er niets te vereffenen valt, onmiddellijk op te bestaan (artikel 2:19 lid 4 BW). De grens is echter subtieler dan "wel of geen saldo op de rekening". Ook potentiële baten tellen mee: openstaande vorderingen, goodwill, een handelsnaam of een aanspraak wegens bestuurdersaansprakelijkheid (artikel 2:9 BW). Bestaan zulke baten, dan mocht niet worden geturboliquideerd. Precies op dit punt — de aanwezigheid van bestaande of potentiële baten — draait vrijwel elk geschil over turboliquidatie, en daar ontstaat de persoonlijke aansprakelijkheid die hierna centraal staat.
Waar moet een bestuurder op letten bij een turboliquidatie?
Uit de rechtspraak volgen vijf concrete aandachtspunten voor een bestuurder die wil turboliquideren:
- Stel vast dat er echt geen baten zijn — ook de potentiële. Inventaris, debiteuren, goodwill en een handelsnaam tellen mee.
- Zorg voor een deugdelijke administratie. Het ontbreken van gedeponeerde jaarrekeningen keert zich in vrijwel elke procedure tegen het bestuur.
- Voldoe aan de deponerings- en informatieplicht van artikel 2:19b BW, op straffe van een bestuursverbod.
- Zet de onderneming niet zonder verantwoording voort in een nieuwe vennootschap; een overgedragen bate zonder marktconforme tegenprestatie is een rode vlag.
- Is de boedel werkelijk leeg, kies dan turboliquidatie — en geen eigen faillissementsaangifte, want dat is dan misbruik van bevoegdheid.
Wanneer ben je als bestuurder persoonlijk aansprakelijk?
Persoonlijke aansprakelijkheid ontstaat niet snel: nodig is dat de bestuurder een persoonlijk ernstig verwijt kan worden gemaakt (artikel 6:162 BW). Bij een turboliquidatie is dat het geval wanneer het bestuur liquideerde terwijl het wist, of behoorde te weten, dat er nog baten waren waaruit de schuldeisers hadden kunnen worden voldaan.
De kozijnenzaak van de rechtbank Rotterdam laat zien hoe het misgaat. De klanten stelden dat de vennootschap bij haar ontbinding nog beschikte over inventaris, gereedschap, debiteuren en een handelsnaam die naar de nieuwe vennootschap was overgegaan. Omdat zij zelf geen toegang hadden tot de administratie — en de vennootschap nooit jaarrekeningen had gedeponeerd — legde de rechtbank een verzwaarde stelplicht op de voormalige bestuurder, die immers de boeken onder zich had. Toen die geen enkel stuk overlegde om aan te tonen dat de baten waren verdwenen, stond vast dat er nog baten waren en dat de bestuurder daarvan wist. Dat leverde een persoonlijk ernstig verwijt op en dus aansprakelijkheid voor de volledige schade. De medegedaagde vader werd niet als feitelijk bestuurder aangemerkt: hij was verkoopadviseur en aanspreekpunt, maar bepaalde het beleid niet.
De keerzijde van hetzelfde ruime batenbegrip blijkt uit een arrest van het gerechtshof Den Haag. Onderhoudsbedrijf S.A.S. B.V. ontbond zichzelf pas nádat de bedrijfsfondsen voor de bouwnijverheid haar faillissement hadden aangevraagd, met de stelling dat er geen baten waren. Het hof oordeelde, in de lijn van het arrest Adjuncten Properties/Söderqvist, dat een langs turboliquidatie verdwenen vennootschap alsnog failliet kan worden verklaard wanneer summierlijk blijkt van mogelijke baten. Omdat S.A.S. nooit jaarrekeningen had gepubliceerd, stond op grond van artikel 2:248 BW vast dat het bestuur zijn taak kennelijk onbehoorlijk had vervuld. De daaruit voortvloeiende aansprakelijkheidsvordering vormde volgens het hof een potentiële bate voor de boedel — genoeg om het faillissement te bekrachtigen.
Wanneer houdt een turboliquidatie stand?
Turboliquidatie is een legitiem instrument, en niet elke klacht van een schuldeiser slaagt. In een vastgoedzaak bij de rechtbank Noord-Nederland verweet schuldeiser Evemij de bestuurder dat hij twee vennootschappen had geturboliquideerd. De rechtbank wees de vordering af: het enkele feit van een turboliquidatie levert geen persoonlijk ernstig verwijt op — bij een werkelijk lege boedel zou een faillissementsaanvraag juist misbruik opleveren, zoals hiervoor bleek. De schuldeiser die stelt dat er nog baten waren, draagt daarvan de stelplicht, en Evemij maakte niet aannemelijk dat er na aflossing van de preferente belastingschuld iets resteerde.
Dat het aansprakelijkheidskader voor de stichting identiek is, bevestigt een zaak bij de rechtbank Midden-Nederland in Lelystad. Het bestuur van een stichting die een band exploiteerde had het vermogen onder de bandleden verdeeld en de stichting vervolgens geturboliquideerd. Een als bestuurder ontslagen bandlid claimde ruim 47.000 euro en sprak de overige bestuurders persoonlijk aan. De rechtbank paste dezelfde maatstaf toe als bij een BV en wees de vordering af: de klager bleek helemaal geen opeisbare vordering op de stichting te hebben. Zonder vordering is er geen benadeelde schuldeiser, en dus geen grond voor bestuurdersaansprakelijkheid.
Wat betekent dit voor bestuurders?
De rode draad is dat turboliquidatie zelf zelden het probleem is; de omgang met baten en administratie is dat wel. Wie wil liquideren, doet er goed aan om vóór het ontbindingsbesluit vast te leggen dat en waarom er geen baten zijn, de jaarrekeningen op orde te brengen en de deponerings- en informatieplicht van artikel 2:19b BW na te leven. Zodra activa, vorderingen of goodwill naar een andere vennootschap gaan, moet de tegenprestatie marktconform en aantoonbaar zijn — het ontbreken van onderbouwing verschuift de bewijslast naar de bestuurder. Voor schuldeisers geldt het spiegelbeeld: een turboliquidatie is aan te vechten, maar alleen met concrete aanwijzingen voor achtergehouden baten. Meer achtergrond staat in de analyse over bestuurdersaansprakelijkheid en insolventie en in het overzicht van wanneer de bestuurder opdraait voor het boedeltekort.
Veelgestelde vragen
Ben ik als bestuurder persoonlijk aansprakelijk na een turboliquidatie?
Niet automatisch. Persoonlijke aansprakelijkheid vereist een persoonlijk ernstig verwijt (artikel 6:162 BW). Daarvan is vooral sprake wanneer het bestuur turboliquideerde terwijl er nog baten waren — of een reële aanspraak zoals goodwill of een openstaande vordering — waaruit schuldeisers hadden kunnen worden voldaan, en het bestuur dat wist of behoorde te weten.
Mag je turboliquideren als er nog schulden zijn?
Ja. De enige wettelijke voorwaarde is dat er geen baten meer zijn op het moment van ontbinding. Onbetaalde schulden staan turboliquidatie niet in de weg. Sinds 15 november 2023 moet het bestuur wel deponeren waarom schuldeisers onbetaald blijven en hen daarover informeren.
Kan een stichting worden geturboliquideerd, net als een BV?
Ja. Artikel 2:19 lid 4 BW geldt voor alle rechtspersonen in Boek 2 BW. Het verschil is dat bij een stichting het bestuur tot ontbinding besluit (tenzij de statuten anders bepalen), terwijl bij een BV de algemene vergadering beslist. De transparantieverplichtingen en het aansprakelijkheidskader zijn identiek aan die van de BV.
Aangehaalde rechtspraak
Hoge Raad
- HR 27 januari 1995, ECLI:NL:HR:1995:ZC1631 (Adjuncten Properties/Söderqvist)
- HR 18 december 2015, ECLI:NL:HR:2015:3636 (R.M. Trade)
Conclusie A-G
- Conclusie A-G Timmerman 6 november 2015, ECLI:NL:PHR:2015:2336 (bij HR 18 december 2015, R.M. Trade)
Gerechtshoven
- Gerechtshof Den Haag 2 juli 2015, ECLI:NL:GHDHA:2015:1846
Rechtbanken
- Rechtbank Noord-Nederland 2 maart 2022, ECLI:NL:RBNNE:2022:870
- Rechtbank Midden-Nederland 23 november 2022, ECLI:NL:RBMNE:2022:4610
- Rechtbank Rotterdam 15 maart 2023, ECLI:NL:RBROT:2023:2334
Lees ook
- Bestuurdersaansprakelijkheid: de grondslagen en het verweer
- Faillissement en curator
- Faillissement aanvragen tegen een lege boedel: hof oordeelt misbruik van bevoegdheid
- Art. 2:248 BW: wanneer draait de bestuurder op voor het boedeltekort?
- Bouwkosten verdubbeld bij beachclub: de Beklamel-norm en Ontvanger/Roelofsen
- Feitelijk beleidsbepaler: wanneer is een niet-bestuurder aansprakelijk in faillissement?