Inleiding
Bij een faillissement verliest de schuldenaar het beheer en de beschikking over zijn vermogen, en treedt de curator aan om de boedel te beheren en te vereffenen ten behoeve van de gezamenlijke schuldeisers. Rond die taak ontstaan uiteenlopende geschillen: over de bevoegdheden van de curator, over rechtshandelingen van vóór het faillissement, over de persoonlijke aansprakelijkheid van de curator zelf, en over de aansprakelijkheid van de bestuurder voor het tekort.
De taak en bevoegdheden van de curator
De curator is belast met het beheer en de vereffening van de failliete boedel (art. 68 Faillissementswet) en behartigt daarbij het belang van de gezamenlijke schuldeisers. Hij kan vergaande maatregelen nemen: lopende overeenkomsten beëindigen, activa te gelde maken en, met machtiging van de rechter-commissaris, procedures voeren. De curator kan bovendien namens de gezamenlijke schuldeisers optreden tegen een derde die hen heeft benadeeld. Die bevoegdheid, de zogenoemde Peeters/Gatzen-vordering, aanvaardde de Hoge Raad in het arrest waarin een woning kort voor faillissement voor een te lage prijs aan de echtgenote was overgedragen: de curator kan uit onrechtmatige daad schadevergoeding vorderen van de bij de benadeling betrokken derde, ook al kwam die vordering niet aan de gefailleerde zelf toe (HR 14 januari 1983, ECLI:NL:HR:1983:AG4521). De grens ligt bij vorderingen die uitsluitend aan individuele schuldeisers toekomen; die kan de curator niet innen.
De faillissementspauliana
Heeft de schuldenaar vóór het faillissement onverplicht een rechtshandeling verricht waardoor schuldeisers zijn benadeeld, dan kan de curator die met de faillissementspauliana vernietigen (art. 42 e.v. Faillissementswet). Bij onverplichte handelingen is wetenschap van benadeling aan beide zijden vereist; bij verplichte handelingen gelden de strengere voorwaarden van art. 47 Fw. De vernietiging reikt niet verder dan nodig is om het nadeel voor de boedel op te heffen. De vereisten en de bewijsvermoedens worden uitgewerkt op de pagina over de vernietiging bij benadeling van schuldeisers.
Persoonlijke aansprakelijkheid van de curator
De curator kan zelf persoonlijk aansprakelijk zijn wanneer hij zijn taak onzorgvuldig uitoefent, jegens de gezamenlijke schuldeisers en jegens derden zoals de gefailleerde. Waar hij niet aan regels gebonden is, komt hem een ruime mate van vrijheid toe. De maatstaf, ontwikkeld in het Maclou-arrest en verfijnd in Prakke/Gips, is of een over voldoende inzicht en ervaring beschikkende curator die zijn taak met nauwgezetheid en inzet verricht, in de gegeven omstandigheden in redelijkheid tot die gedragslijn had kunnen komen (HR 16 december 2011, ECLI:NL:HR:2011:BU4204). Bij die toets past terughoudendheid: voor persoonlijke aansprakelijkheid is een persoonlijk verwijt vereist, wat betekent dat de curator het onjuiste van zijn handelen inzag of behoorde in te zien.
Bestuurdersaansprakelijkheid in faillissement
Is het faillissement mede veroorzaakt door kennelijk onbehoorlijk bestuur, dan kan de curator de bestuurder aanspreken voor het boedeltekort (art. 2:248 BW), met een bewijsvermoeden bij schending van de administratie- of publicatieplicht. Zie de analyse van art. 2:248 BW en de bestuurdersaansprakelijkheid in bredere zin. Wordt een niet-bestuurder aangesproken, dan is beslissend of hij feitelijk beleidsbepaler was.
Wat de uitkomst bepaalt
De uitkomst hangt af van de bevoegdheidsvraag, treedt de curator op voor de boedel of voor een individuele schuldeiser, van het bewijs van wetenschap van benadeling bij een pauliana, en van de onderbouwing van het onbehoorlijk bestuur. Bij een verwijt aan de curator zelf is de terughoudende Maclou-toets doorslaggevend. Snelheid en dossieropbouw zijn in de regel bepalend.