Naar inhoud

Hoe werkt een WHOA-procedure?

29 juli 2026Juriaan de Vries

Inleiding

Scheepsbouwer IHC bood negen banken een akkoord aan nadat een lening van 28 miljoen euro niet op tijd was terugbetaald: de kredietfaciliteit terug van 950 naar 503 miljoen, verkoop van een dochtervennootschap, extra zekerheden. Zes banken stemden voor, twee tegen, één onthield zich. De rechtbank Rotterdam homologeerde het akkoord, en daarmee waren ook de tegenstemmende banken gebonden.

Dat is de kern van de WHOA, de Wet homologatie onderhands akkoord: een onderneming kan haar schulden herstructureren zonder faillissement en zonder surseance, en schuldeisers die weigeren worden aan het akkoord gebonden. De wet geldt sinds 1 januari 2021 en staat in de artikelen 369 tot en met 387 van de Faillissementswet. Het leerstuk in hoofdlijnen, met de grenzen die de Hoge Raad heeft getrokken, staat op de pagina over de WHOA als dwangakkoord buiten faillissement.

Hieronder staat per stap wat de procedure inhoudt en welke toets de rechtbank aanlegt, telkens met een gepubliceerde uitspraak waarin die toets is toegepast.

Wanneer een akkoord kan worden aangeboden

Er is één toegangsvoorwaarde, en die kijkt vooruit in plaats van terug. Vereist is dat de schuldenaar verkeert in een toestand waarin het redelijkerwijs aannemelijk is dat hij met het betalen van zijn schulden niet zal kunnen voortgaan (art. 370 lid 1 Fw). In de rechtspraak is die pre-insolventietoestand omschreven als de situatie waarin de onderneming nog niet is opgehouden te betalen en dus nog aan haar lopende verplichtingen kan voldoen, maar voorziet dat daarvoor geen realistisch perspectief meer bestaat (Rb. Den Haag 25 mei 2021, ECLI:NL:RBDHA:2021:5316).

De toestand moet wel worden onderbouwd, en niet als enige. De rechtbank Den Haag wees een verzoek af op drie punten tegelijk: de WHOA-toestand ontbrak, er was geen concreet zicht op een akkoord binnen een redelijke termijn, en het bleef onduidelijk of de onderneming levensvatbaar was. Daarbij woog mee dat de hypotheekhouder werd geconfronteerd met oplopende rentelasten (Rb. Den Haag 7 november 2022, ECLI:NL:RBDHA:2022:11921). Een verzoek staat of valt dus met die drie punten samen.

De regeling veronderstelt een onderneming met een levensvatbare kern en een onhoudbare balans. Ontbreekt die kern, dan is de WHOA niet de route: voor een vennootschap zonder activiteiten en zonder baten komt turboliquidatie in beeld, en mislukt een herstructurering, dan resteert het traject van faillissement en curator, waar vereffening vooropstaat in plaats van voortzetting.

Twee categorieën blijven buiten de wet. Rechten van werknemers uit hun arbeidsovereenkomst kunnen niet worden gewijzigd (art. 369 lid 4 Fw), en de Hoge Raad heeft beslist dat daaronder ook de vordering van een bedrijfstakpensioenfonds voor achterstallige pensioenpremies valt (HR 25 februari 2022, ECLI:NL:HR:2022:328, met de conclusie van advocaat-generaal De Bock ECLI:NL:PHR:2021:1152). Ook financiëlezekerheidsovereenkomsten en verrekenbedingen in de zin van art. 7:51 BW blijven buiten bereik.

Besloten of openbaar

Bij de start volgt een keuze met gevolgen voor de rest van het traject. In de besloten akkoordprocedure wordt niet publiek gemaakt dat een akkoord wordt voorbereid en behandelt de rechtbank alle verzoeken in raadkamer. De reden die rechtbanken daarvoor noemen is om in relatieve rust een akkoord tot stand te brengen en negatieve publiciteit over de financiële problemen te voorkomen (Rb. Midden-Nederland 31 maart 2022, ECLI:NL:RBMNE:2022:1329).

De openbare procedure biedt iets wat de besloten variant niet kan: zij staat in bijlage A bij de Europese Insolventieverordening, zodat de rechtbank haar rechtsmacht daarop kan baseren en de procedure in andere lidstaten wordt erkend (bijvoorbeeld Rb. Rotterdam 11 augustus 2023, ECLI:NL:RBROT:2023:7216). Bij een groep met buitenlandse vennootschappen bepaalt die keuze dus of bescherming over de grens effect heeft.

De stappen

1. De startverklaring

Het traject begint met het depot van een startverklaring bij de griffie (art. 370 lid 3 Fw). Daarmee legt de onderneming vast dat zij de voorbereiding van een akkoord is begonnen. Vanaf dat moment kan de rechtbank worden gevraagd voorzieningen te treffen, ook als er nog geen akkoord op tafel ligt.

Wat daarna volgt, kan een lange reeks zijn. In een Rotterdamse zaak werden de startverklaringen op 29 april 2022 gedeponeerd. Daarna volgden een afgewezen verzoek om een afkoelingsperiode, de aanwijzing van een herstructureringsdeskundige, de vaststelling en verhoging van diens budget, opheffing van beslagen met uitbreiding van de afkoelingsperiode, en een verlenging. Op 13 maart 2023 wees de rechtbank het homologatieverzoek af (ECLI:NL:RBROT:2023:3091). Bijna elf maanden traject, zonder akkoord aan het eind.

2. De herstructureringsdeskundige

Naast de onderneming zelf kan ook een schuldeiser, een aandeelhouder of de ondernemingsraad de rechtbank vragen een herstructureringsdeskundige aan te wijzen (art. 371 lid 1 Fw). Die deskundige is vervolgens in de plaats van de onderneming bevoegd een akkoord aan te bieden, en voert zijn taak doeltreffend, onpartijdig en onafhankelijk uit (art. 371 lid 6 Fw). Zolang de aanwijzing duurt kan de onderneming zelf geen akkoord meer aanbieden. Zij mag er wel een bij de deskundige aanleveren met het verzoek dat aan de stemgerechtigden voor te leggen (art. 371 lid 1 Fw, en zie Rb. Amsterdam 25 maart 2021, ECLI:NL:RBAMS:2021:1876).

De toets is beperkt, maar niet leeg. Het verzoek wordt toegewezen als de onderneming in de pre-insolventietoestand verkeert, tenzij summierlijk blijkt dat de belangen van de gezamenlijke schuldeisers daarbij niet gediend zijn (art. 371 lid 3 Fw). Doet de onderneming het verzoek zelf, dan wordt het in ieder geval toegewezen. Wordt het gesteund door de meerderheid van de schuldeisers, dan geldt dat in beginsel ook. Twijfelt de rechtbank over de toestand, dan kan zij daar eerst onderzoek naar laten doen (art. 371 lid 4 Fw). Een gecombineerd verzoek tot aanwijzing en afkondiging van een afkoelingsperiode in een besloten procedure werd bijvoorbeeld toegewezen door de rechtbank Oost-Brabant (16 december 2022, ECLI:NL:RBOBR:2022:5671).

Beperkt is niet hetzelfde als vrijblijvend, en de toets werkt naar twee kanten. De rechtbank Midden-Nederland wees een verzoek af omdat de verzoeker onvoldoende aannemelijk had gemaakt dat zij nog aan haar lopende verplichtingen kon voldoen (14 mei 2021, ECLI:NL:RBMNE:2021:2294). Wie al is opgehouden te betalen, valt dus buiten de regeling: te vroeg komen is een probleem, maar te laat komen ook.

Voor het MKB geldt een rem op de route van schuldeisers. Betreft het verzoek een schuldenaar die een MKB-onderneming drijft en is er nog geen startverklaring gedeponeerd, dan wijst de rechtbank het verzoek alleen toe als de schuldenaar daarmee instemt (art. 371 lid 15 Fw). Weigert het bestuur die instemming zonder goede reden, dan kan de rechtbank bepalen dat haar beslissing dezelfde kracht heeft als die instemming.

Wie de kosten draagt, staat in de wet zelf. In beginsel betaalt de schuldenaar het salaris en de kosten van de deskundige, maar wordt het verzoek gesteund door de meerderheid van de schuldeisers, dan dragen de schuldeisers ze (art. 371 lid 10 Fw). De rechtbank kan aan de aanwijzing de voorwaarde verbinden dat vooraf zekerheid wordt gesteld of een voorschot wordt bijgeschreven. Een schuldeiser die met een meerderheid de regie overneemt, neemt dus ook de rekening over.

De aanwijzing eindigt van rechtswege zodra de rechtbank het akkoord homologeert, tenzij zij bepaalt dat die nog voortduurt (art. 371 lid 13 Fw). Daarnaast kan de rechtbank de deskundige te allen tijde ontslaan en vervangen.

3. De afkoelingsperiode

Een akkoord voorbereiden kost tijd, en die tijd is er niet als schuldeisers in de tussentijd verhaal nemen. De rechtbank kan bepalen dat verhaal op goederen van de onderneming tijdelijk niet kan worden uitgeoefend en dat de behandeling van een ingediend faillissementsverzoek wordt geschorst (art. 376 lid 2, onder a en c, Fw). Dat laatste weegt zwaar: in 85 uitspraken waarin een afkoelingsperiode aan de orde is, speelt ook een faillissementsaanvraag of faillissementsverzoek. Een schuldeiser die een faillissementsaanvraag als drukmiddel gebruikt, kan een akkoordtraject onderuit halen voordat het begonnen is. Ook opheffing van gelegde beslagen komt voor.

De periode geldt voor ten hoogste vier maanden en kan worden verlengd tot in totaal acht maanden. Hoe zo'n beslissing eruitziet, laat de rechtbank Limburg zien (11 februari 2021, ECLI:NL:RBLIM:2021:8854). Zij kondigde een afkoelingsperiode van vier maanden af. Daarin kan geen enkele derde zijn bevoegdheid tot verhaal op goederen van de verzoekster uitoefenen zonder machtiging van de rechtbank, en dat geldt alleen voor derden die zijn geïnformeerd over de afkondiging of weten dat een akkoord wordt aangeboden.

Die informatievoorwaarde in het dictum is geen detail. De bescherming werkt niet tegenover een schuldeiser die van niets weet, en dat is in de rechtspraak ook uitdrukkelijk zo uitgelegd (Rb. Amsterdam 25 maart 2021, ECLI:NL:RBAMS:2021:1876). Het berichten van de betrokken schuldeisers is dus onderdeel van de maatregel, niet een formaliteit erna.

Twee afwijzingen maken duidelijk waar de grenzen liggen. De rechtbank Midden-Nederland wees een verzoek af omdat niet kon worden uitgesloten dat de schuldeisers bij voortzetting van de onderneming juist slechter af zouden zijn (8 april 2022, ECLI:NL:RBMNE:2022:1357). En een verlenging is geen formaliteit: de rechtbank Overijssel wees die af omdat niet aannemelijk was gemaakt dat belangrijke vooruitgang was geboekt in de totstandkoming van het akkoord (3 augustus 2023, ECLI:NL:RBOVE:2023:3161). Wie verlenging vraagt, moet dus voortgang kunnen laten zien.

4. De observator

Naast de herstructureringsdeskundige kent de wet een lichtere toezichthouder. De observator houdt toezicht op de totstandkoming van het akkoord, met oog voor de belangen van de gezamenlijke schuldeisers en waar relevant de aandeelhouders (art. 380 lid 1 Fw). Hij neemt het traject niet over, maar rapporteert aan de rechtbank (Rb. Amsterdam 7 mei 2025, ECLI:NL:RBAMS:2025:3100).

5. Klassen en stemming

Het akkoord wordt niet aan alle schuldeisers als één groep voorgelegd. Wie zich niet in een vergelijkbare positie bevindt, wordt in een aparte klasse ingedeeld, en er wordt per klasse gestemd (art. 374 en art. 381 lid 5 Fw). Een klasse van schuldeisers stemt in als tweederde van het binnen die klasse uitgebrachte vorderingsbedrag voor is (art. 381 lid 6 Fw); bij aandeelhouders geldt die tweederde voor het geplaatste kapitaal (art. 381 lid 7 Fw).

Beslissend is dus het bedrag en niet het aantal schuldeisers, en alleen wie stemt telt mee. De klassenindeling bepaalt daarmee de uitkomst, en de rechtbank toetst haar juistheid bij de homologatie.

Ongelijke behandeling binnen een groep schuldeisers is niet zonder meer fataal. De rechtbank Rotterdam kreeg een tussentijds verzoek over een groep concurrente schuldeisers die op twee manieren ongelijk werd behandeld. Haar oordeel: daarvoor bestond een redelijke grond, en die schuldeisers werden daardoor niet in hun belangen geschaad (3 maart 2021, ECLI:NL:RBROT:2021:1769). Wie ongelijk behandelt, moet dus kunnen uitleggen waarom.

Rond de stemming zelf komen praktische vragen op die de rechtbank bij de homologatie beoordeelt, zoals het verlengen van de stemtermijn en de vraag of gelieerde partijen als MKB-schuldeiser kwalificeren (Rb. Midden-Nederland 12 juni 2025, ECLI:NL:RBMNE:2025:2844).

6. Het aspectenverzoek

Een geschilpunt dat tijdens het overleg opkomt, kan alvast aan de rechtbank worden voorgelegd voordat er wordt gestemd (art. 378 Fw). Denk aan de klassenindeling, de toelating tot de stemming of de verdeling van de reorganisatiewaarde. Zo voorkomt een onderneming dat een akkoord waaraan maanden is gewerkt bij de eindzitting op een fundamenteel punt omvalt. De rechtbank Amsterdam besliste op zo'n verzoek van een herstructureringsdeskundige een reeks knelpunten rond een groepsakkoord (5 augustus 2021, ECLI:NL:RBAMS:2021:6519). Enkele weken later gaf zij in een andere zaak een tweede aspectenbeschikking, ook op verzoek van een herstructureringsdeskundige (2 september 2021, ECLI:NL:RBAMS:2021:6521).

Eén voorbehoud: over de bindende kracht van zo'n beschikking loopt een sprongcassatie. De advocaat-generaal stelt dat aan een aspectenbeschikking geen gezag van gewijsde toekomt zolang daarop geen homologatiebeschikking is gevolgd (conclusie van 24 april 2026, ECLI:NL:PHR:2026:434). Een arrest is er nog niet.

7. Homologatie

Heeft ten minste één klasse van schuldeisers ingestemd, dan kan homologatie worden verzocht (art. 383 lid 1 Fw). Wijst de rechtbank het verzoek toe, dan bindt het akkoord de onderneming en alle stemgerechtigde schuldeisers en aandeelhouders, ook wie tegen stemde of niet stemde (art. 385 Fw). Tegen die beslissing staat geen rechtsmiddel open (art. 369 lid 10 Fw), dus verweer moet in eerste instantie worden gevoerd.

De toets kent twee sporen. De gronden van art. 384 lid 2 Fw past de rechtbank ambtshalve toe. Zo moet zij homologatie weigeren als redelijkerwijs aannemelijk is dat nieuwe financiering niet noodzakelijk is voor de uitvoering van het akkoord, of dat de belangen van de gezamenlijke schuldeisers daardoor wezenlijk worden geschaad (art. 384 lid 2, onder f, 1°, Fw). De gronden van de leden 3 en 4 komen pas aan de orde op verzoek van een tegenstemmende schuldeiser of aandeelhouder. Dat betekent: wie zich niet verweert, kan zich er niet achteraf op beroepen.

Die tweede categorie bevat drie beschermingsregels. Niemand mag door het akkoord slechter af zijn dan bij faillissement, en de rechtbank wijst het verzoek af als dat summierlijk blijkt (art. 384 lid 3 Fw). Een schuldeiser zonder pand of hypotheek moet kunnen kiezen voor uitbetaling in geld ter hoogte van wat hij bij faillissement zou krijgen (art. 384 lid 4, onder c, Fw), terwijl bedrijfsmatige financiers met pand of hypotheek kunnen worden gedwongen voorlopig aan boord te blijven, met recht op een uitkering in een andere vorm als hun klasse tegenstemde (art. 384 lid 4, onder d, Fw). En van de wettelijke of contractuele rangorde mag niet worden afgeweken ten nadele van een tegenstemmende klasse, tenzij daarvoor een redelijke grond bestaat en die schuldeisers er niet door worden geschaad (art. 384 lid 4, onder b, Fw).

Een gehomologeerd akkoord waarin de rechtbank onder meer toetste of de Belastingdienst onredelijk werd benadeeld, is te vinden bij de rechtbank Amsterdam (15 mei 2024, ECLI:NL:RBAMS:2024:3441).

De vormvereisten zijn hard. De rechtbank Zeeland-West-Brabant verklaarde verzoeksters niet-ontvankelijk in hun homologatieverzoeken omdat een instemmende schuldeiser geen klasse is als bedoeld in art. 383 lid 1 Fw (17 mei 2024, ECLI:NL:RBZWB:2024:3447). Eén instemmende schuldeiser is dus niet hetzelfde als één instemmende klasse.

Wat een akkoord niet kan opleggen

Een akkoord wijzigt bestaande rechten. Daarbuiten liggen twee grenzen die de Hoge Raad heeft getrokken.

Lopende overeenkomsten worden niet automatisch geraakt. De onderneming kan een voorstel doen tot wijziging of beëindiging, en stemt de wederpartij niet in, dan kan de overeenkomst tussentijds worden opgezegd, mits een akkoord wordt gehomologeerd en de rechtbank toestemming geeft (art. 373 lid 1 Fw). De wederpartij heeft dan recht op schadevergoeding, waarbij het akkoord dat recht wel kan wijzigen (art. 373 lid 2 Fw). Op arbeidsovereenkomsten werkt deze route niet. Wat art. 373 Fw niet biedt, is een grondslag om een wederpartij te dwingen een overeenkomst na te komen op gewijzigde voorwaarden: opzeggen kan, herschrijven niet.

En een akkoord kan een financier niet verplichten nieuw krediet te verschaffen, ook niet om een eerder toegezegde faciliteit gestand te doen onder gewijzigde voorwaarden. Dat is de uitkomst in de IHC-zaak. De wetgever had bij art. 370 lid 1 Fw alleen gedwongen aanpassing van bestaande rechten voor ogen. Dat de WHOA een flexibel saneringsinstrument beoogt te zijn, is volgens de Hoge Raad geen toereikende grond om aan te nemen dat een financier zijn verplichtingen moet verzwaren (HR 25 oktober 2024, ECLI:NL:HR:2024:1533, met de vordering van de procureur-generaal ECLI:NL:PHR:2024:346). Een herstructurering die erop rekent dat de bank onder dwang blijft financieren, rekent op iets wat de wet niet biedt.

Wat wel kan, is de rangorde wijzigen die tussen de gebonden schuldeisers geldt bij een latere uitwinning, en dat geldt ook voor de goederenrechtelijke rangorde: een nieuwe financier kan een zekerheidsrecht krijgen terwijl bestaande zekerheidsrechten in rang zakken. Een benadeelde schuldeiser heeft daartegen wel de absolute priority rule.

Duur en kosten in de praktijk

De rechtbank beslist snel. Tussen de zitting en de beschikking zit mediaan elf dagen. Bescherming is ook snel geregeld: een beslissing over een afkoelingsperiode volgt mediaan 29 dagen na het depot van de startverklaring. Een homologatie duurt veel langer, mediaan 159 dagen, dus ruim vijf maanden.

Wat de rechtbank aan kosten vaststelt, verschilt per rol. Voor een herstructureringsdeskundige is de mediaan bijna 40.000 euro, voor een observator 15.000 euro, in de meeste gevallen exclusief btw. Dat bedrag is geen plafond maar een stand van zaken. Het wordt tijdens het traject verhoogd naarmate het langer duurt: in een Gelderse zaak ging het voorschot binnen zes weken van 32.329 naar 61.465 euro.

Twee dingen begrenzen wat die bedragen zeggen. Ze dekken alleen de functionaris die de rechtbank aanwijst: de eigen advocaat en adviseurs van de onderneming vallen erbuiten, en over die kosten laat de rechtspraak zich niet uit. En het vastgestelde bedrag komt vrijwel altijd ten laste van de onderneming, waarbij de rechtbank vooraf zekerheid of een voorschot kan verlangen, precies wanneer de liquiditeit het krapst is.

Deze cijfers zijn afgeleid uit de 418 gepubliceerde uitspraken op een WHOA-verzoek tussen 1 januari 2021 en juli 2026. Elk cijfer geldt voor de uitspraken waarin het betreffende gegeven wordt vermeld, want niet elke beschikking noemt een datum of een bedrag.

Waar verzoeken op afketsen is een vraag naar de onderbouwing: de toestand en de levensvatbaarheid, de vergelijking met faillissement, de informatievoorziening aan schuldeisers, en de vraag of de juiste partij op het juiste moment het juiste verzoek heeft gedaan.