Naar inhoud

Aannemer failliet: wanneer is de bestuurder persoonlijk aansprakelijk?

31 augustus 2026Juriaan de Vries

Aanneming van werk bij faillissement van de aannemer

Bij een verbouwing loopt het geld vooruit op het werk. Gaat de aannemer failliet, dan betaalt zijn bestuurder in de gepubliceerde uitspraken pas in privé waar meerdere feiten samenvallen: doorfactureren zonder voortgang, geld dat niet aan het werk is besteed, en een lege vennootschap. Het hof Amsterdam kende zo € 47.237,62 toe. Of zo'n vordering slaagt, hangt af van twee voorvragen, over de termijn en over verhaal, en van drie hordes: contractspartij, verwijt en schade.

Eerste voorvraag: loopt de verjaringstermijn nog?

Wie na een faillissement gaat nadenken over de bestuurder, is vaak al maanden onderweg. In die tijd lopen drie termijnen die niet gelijk lopen, en de kortste staat tegen de aannemer zelf.

Artikel 7:761 lid 1 BW geeft voor een gebrek in het opgeleverde werk twee jaar nadat de opdrachtgever daarover heeft geprotesteerd. Heeft hij de aannemer een termijn gesteld om het gebrek weg te nemen, dan begint de verjaring pas bij het einde van die termijn, of zoveel eerder als de aannemer laat weten niet te zullen herstellen. Daarnaast geldt bij bouwwerken een absolute grens van twintig jaar na de oplevering.

Het faillissement rekt die termijn op, maar alleen tegen de boedel. Artikel 36 lid 1 Fw laat een termijn die tijdens het faillissement of binnen zes maanden daarna zou aflopen, doorlopen tot zes maanden na het einde van het faillissement. De vordering tegen de bestuurder in privé valt daar niet onder, want die strekt niet tot voldoening uit de boedel.

Tegen hem loopt een andere klok. Die vordering is een onrechtmatige daad en verjaart op grond van artikel 3:310 lid 1 BW vijf jaar na de dag waarop de opdrachtgever zowel met de schade als met de aansprakelijke persoon bekend is geworden, met twintig jaar na de gebeurtenis als buitengrens. Komt de rol van de bestuurder pas uit het faillissementsverslag naar voren, dan kan die vijf jaar later beginnen dan de twee jaar tegen de vennootschap. Dringend blijft die eerste termijn wel: verloopt hij, dan resteert een vordering tegen een bestuurder over een gebrek dat tegen de aannemer zelf niet meer te innen is.

Tweede voorvraag: valt er bij de bestuurder iets te verhalen?

Een toewijzing tegen een bestuurder zonder vermogen kost geld in plaats van dat zij geld oplevert. In de uitspraken komt die vraag pas achteraan aan de orde, omdat een rechter haar pas na alle andere bereikt; voor de opdrachtgever hoort zij vooraan. Een juridische toets is hier niet aan de orde, wel een inschatting van wat er te halen valt, en twee valkuilen die die inschatting omgooien.

Begin bij de opbrengst aan de andere kant. In de geanalyseerde uitspraken slaagde de route langs de bestuurder vaker niet dan wel: naast het Amsterdamse arrest wees de rechtbank Noord-Holland in januari 2024 € 34.716,64 toe, en daar tegenover staat een reeks afwijzingen met proceskostenveroordelingen van € 3.165, € 5.495, € 6.759 en € 6.917 ten laste van de opdrachtgever. Hoe ongelijk de verhaalskant kan uitvallen, laat de Haagse zaak van juni 2021 zien: hetzelfde conservatoir beslag, gelegd ter zekerheid voordat er een vonnis was, trof bij de ene bestuurder doel voor ongeveer € 70 en bij de andere voor € 80.615,82. Verhaal valt dus niet af te leiden uit de vennootschap of uit de functie, en moet per persoon worden onderzocht.

De eerste valkuil is de gedachte dat een titel tegen de vennootschap alvast helpt. Het hof Amsterdam stelde vast dat een verstekvonnis tegen de vennootschap, gewezen zonder dat zij verweer voerde, geen gezag van gewijsde heeft tegenover de bestuurder in privé, zodat het verwijt in de tweede procedure opnieuw moet worden onderbouwd. De executie van dat verstekvonnis van € 68.251,25 had € 4.641,01 opgebracht, waarvan na kosten € 2.513,92 resteerde. Dat was de kas waarmee de procedure tegen de bestuurder begon.

De tweede is dat de wederpartij tijdens de procedure verdwijnt. In de Haagse zaak van mei 2025 was de tussenholding op 11 november 2024 ontbonden en bij gebrek aan baten opgehouden te bestaan. Omdat de dagvaarding op 17 oktober 2024 was betekend, kon de procedure tegen haar worden voortgezet, en de opdrachtgever werd veroordeeld tot € 5.495 aan proceskosten. In de Noord-Hollandse zaak van maart 2026 ging de aangesproken bestuurder na de dagvaarding zelf failliet en nam zijn curator de procedure over. Die erkende de vordering, waarna de opdrachtgevers de procedure toch voortzetten. Zij hielden een erkende vordering in de boedel óver, en een proceskostenschuld van € 6.917 aan diezelfde boedel.

Loop tot slot na of er een garant is. Het hof Arnhem-Leeuwarden las in november 2023 een door een derde afgegeven garantie uit als een afbouwgarantie, en zo'n regeling levert vaker geld op dan de route langs de bestuurder. Wie ook na die afweging doorzet, loopt drie hordes in de volgorde waarin de rechters ze aflopen; wie bij de eerste struikelt, komt aan de rest niet toe.

Horde één: de contractspartij bepaalt welke bestuurder in beeld komt

Een bestuurder is alleen aan te spreken voor wat zijn vennootschap heeft gedaan. Wie de verkeerde partij dagvaardt, krijgt geen oordeel over het verwijt en draait op voor de proceskosten. Die vraag valt in twee delen uiteen: met welke rechtspersoon is gecontracteerd, en welke bestuurder daarvan is bereikbaar.

Voor het eerste deel bestaat geen zelfstandige toets. In de geanalyseerde uitspraken wordt de contractspartij vastgesteld op de stukken waarmee is gecontracteerd en gefactureerd en op de rekening waarop is betaald. Wie het werk feitelijk uitvoerde of aanstuurde weegt daarbij nauwelijks mee, en dat werkt tegen de opdrachtgever die met één man aan tafel zat.

De rechtbank Noord-Holland maakte dat op 18 maart 2026 zichtbaar in een verbouwing met uitbouw. De opdrachtgevers stelden dat zij hadden gecontracteerd met de eenmanszaak van de aannemer en spraken hem in persoon aan. De getekende offerte stond op briefpapier van de besloten vennootschap, bij de adresgegevens stond haar naam met het KvK-nummer, onderaan stond dat de offerte door haar was uitgebracht, alle facturen stonden op datzelfde briefpapier en alle betalingen gingen naar haar bankrekening. Algemene voorwaarden waarin nog het KvK-nummer van de in 2021 uitgeschreven eenmanszaak stond, wogen daar niet tegenop.

In beide zaken waarin het hierop misging telden ook de eigen stukken van de opdrachtgever mee. In Noord-Holland was dat de brief waarin hun rechtsbijstandverlener de curator zelf schreef dat de overeenkomst namens de vennootschap was aangegaan, naast de vordering die zij in dat faillissement hadden ingediend. In Limburg droeg dat het oordeel: de rechtbank vernietigde op 11 maart 2026 een verstekvonnis over een dakvernieuwing omdat de opdrachtgevers de verkeerde vennootschap uit de groep hadden gedagvaard, en dat bleek uit de verklaring die zij zelf aan het Nationaal Warmtefonds hadden doorgestuurd en uit hun eigen standpunt in een eerder kort geding. Wat eerder over de contractspartij is geschreven, komt in deze procedure terug.

Een schriftelijke overeenkomst is voor die vaststelling niet nodig. Bij het hof Amsterdam was de aannemingsovereenkomst mondeling tot stand gekomen, en dat stond aan aansprakelijkheid van de bestuurder niet in de weg: de facturen en de betalingen wezen de vennootschap aan.

Het tweede deel gaat over de keten daarboven. Bij een indirect bestuurder verloopt de aansprakelijkheid via artikel 2:11 BW, dat de aansprakelijkheid van een rechtspersoon-bestuurder doorlegt naar de natuurlijke persoon daarachter. Die doorlegging vervangt de onderbouwing niet: het hof Den Haag hield op 25 november 2025 vast dat per aangesproken bestuurder moet worden gesteld en zo nodig bewezen dat juist hij onrechtmatig handelde. Wie een holding en haar bestuurder in één adem dagvaardt zonder dat onderscheid, verliest tegen de een wat hij tegen de ander misschien had gehaald.

Horde twee: wat de bestuurder persoonlijk te verwijten valt

Deze horde velt de meeste vorderingen. Dat de vennootschap tekortschoot staat in deze zaken meestal vast, en juist zij is dan aansprakelijk voor de schade; het verwijt aan de bestuurder moet daar bovenop komen. De opdrachtgever moet het bovendien doen met de onrechtmatige daad. De rechtbank Limburg wees er in maart 2026 op dat de vorderingen uit de artikelen 2:9 en 2:248 BW aan de vennootschap en de curator toekomen, en niet aan een individuele schuldeiser.

De maatstaf verloopt in twee stappen. Eerst moet de bestuurder zelf onrechtmatig hebben gehandeld tegenover de opdrachtgever, op grond van artikel 6:162 BW. Daarnaast is vereist dat hem ter zake van de benadeling persoonlijk een ernstig verwijt kan worden gemaakt, en daarvoor gelden hogere eisen dan gewoonlijk. De Hoge Raad onderscheidt in Ontvanger/Roelofsen twee gevallen waarin dat verwijt kan worden aangenomen. Het eerste is dat de bestuurder namens de vennootschap een verbintenis aangaat terwijl hij weet of redelijkerwijs behoort te begrijpen dat zij niet zal nakomen en geen verhaal zal bieden, de zogenoemde Beklamel-norm, die dus vraagt naar zijn wetenschap op de dag van het contracteren. Het tweede is dat hij bewerkstelligt of toelaat dat de vennootschap haar verplichtingen niet nakomt, door het hof Den Haag kortweg omschreven als frustratie van betaling en verhaal, en dat kijkt naar wat er nádien met het geld is gebeurd.

Van die eerste route wordt vaak te veel verwacht. De rechtbank Den Haag zette op 9 juni 2021 de lat: vereist is dat de vennootschap zich bij het aangaan van de overeenkomst feitelijk in een uitzichtloze situatie bevond en over onvoldoende continuïteitsperspectief beschikte. Geldzorgen en onderhandelingen met een investeerder halen die lat niet. Het omkeerpunt lag in die zaak pas op 13 maart 2020, toen de investeerder liet weten van de investering af te zien, en het sloopwerk dat daarvóór was verricht leverde dus geen verwijt op. Een aannemer die krap zit en het toch aanneemt, handelt daarmee nog niet onrechtmatig.

De tweede route draagt de twee toewijzingen, en beide draaien om de bestemming van het geld. Bij het hof Amsterdam lieten twee particuliere opdrachtgevers een woning bouwen en verbonden zij zich de vijfde tot en met de tiende termijn uit het betalingsschema te voldoen, elke termijn tien procent van de aanneemsom oftewel € 17.012,54 per factuur. Vijf van die facturen zijn verzonden en betaald, terwijl ter zitting in hoger beroep bleek dat de bouw tot en met de zesde termijn was gevorderd, tot het gereedkomen van de ruwe dakvloer. Drie facturen waren dus te vroeg verzonden.

Daar kwam het verwijt bovenop. De bestuurder had op betaling aangedrongen met het argument dat het geld nodig was voor de bouw, en kon later niet aanwijzen waar het was gebleven, verder dan dat het "ten behoeve van de bedrijfsvoering" was gebruikt. Het geld is niet aan de bouw besteed en er ook niet voor gereserveerd, en toen hij het werk in december 2018 neerlegde bleef de vennootschap als lege huls achter terwijl hij zelf in de bouw actief bleef.

Scherper nog is de Noord-Hollandse zaak van 10 januari 2024. Daar was € 75.000 vooruitbetaald, € 25.000 op 28 november 2021 met de bevestiging dat het bedrag bestemd was voor de keuken en de aluminium vouwwand en € 50.000 op 24 december 2021, terwijl de schriftelijke overeenkomst pas op 19 januari 2022 werd gesloten. De gelden die voor de leveranciers waren bestemd zijn niet afgedragen. Volgens de rechtbank had de bestuurder in de bedrijfsvoering van de vennootschap ten minste "een waarborg moeten inbouwen die zou voorkomen dat de gelden voor andere doeleinden dan de verbouwing van de woning zou worden gebruikt". Daarbij paste een patroon: een onderaannemer die in april 2022 € 6.618 onbetaald bleef, een glasbestelling van € 750 die bij gebrek aan geld werd geannuleerd, een keuken en een achterpui die niet waren afbetaald, en doorfactureren terwijl de voortgang van het werk daar geen aanleiding voor gaf.

Dat leverde een toewijzing van € 34.716,64 aan hoofdsom op. Wel is de omvang van die schade in die zaak onbetwist gebleven, zodat het vonnis vooral gezag heeft over de onrechtmatigheid.

Precies daar ligt de grens, en het hof Arnhem-Leeuwarden trok die op 17 december 2024. Tijdens een verbouwing bleken de kozijnen duurder dan begroot. De aannemer vroeg een bijbetaling met de mededeling dat de leverancier daarmee direct zou worden betaald, deed dat niet en ging failliet. Volgens het hof mag dat onbehoorlijk zijn, maar het betrof een verrichting binnen de afhandeling van de totale overeenkomst, in een lopend traject waarover verder geen relevante klachten waren. Die afspraak losknippen als zelfstandige rechtshandeling is juridisch onjuist, en het enkele feit dat in strijd met een toezegging niet wordt doorbetaald, rechtvaardigt niet zonder meer de conclusie dat daaruit schade voortvloeit. Geoormerkt geld dat zijn bestemming niet haalt is dus op zichzelf te weinig: het moet in een patroon zitten.

Wat verder op deze horde afstuit, is het meeste waar een opdrachtgever spontaan aan denkt. In de Noord-Hollandse zaak van maart 2026 had een bouwkundige vastgesteld dat de aannemer een dakspant en een spantbalk had verwijderd en de woning met een instabiele kapconstructie had achtergelaten. Toch strandde de vordering: het enkel leveren van slecht werk of het houden van onvoldoende toezicht is onvoldoende voor een persoonlijk ernstig verwijt. Dat ontvangen gelden niet één op één aan het betaalde project worden besteed, noemde de rechtbank "niet geheel ongebruikelijk".

Drie verwijten die vaak in samenhang worden aangevoerd, wees het hof Den Haag op 25 november 2025 alle drie af. Dat de aannemer geen verhaal biedt maakt zijn indirect bestuurder niet aansprakelijk. Dat die bestuurder meerdere vennootschappen heeft opgericht betekent zonder nadere toelichting niet dat hij verhaal wilde frustreren. En deskundigenverklaringen die achteraf vaststellen dat het werk ondeugdelijk was, tonen aan dat er een gebrek is, en niet dat de bestuurder bij het sluiten van de overeenkomst wist dat het werk onuitvoerbaar was. Een persoonlijke plicht om vooraf een bouwkundige beoordeling te laten uitvoeren nam het hof evenmin aan.

Zelfs de schending van een dwingende wetsbepaling door de aannemer brengt de opdrachtgever niet bij de bestuurder. De rechtbank Rotterdam stelde in februari 2026 vast dat een vennootschap in strijd met artikel 7:767 BW had gefactureerd bij de bouw van een woning uit zeecontainers. Die bepaling richt zich echter tot de aannemer, en zijn bestuurders zijn ervoor slechts naast de vennootschap aansprakelijk als hun van die schending een ernstig verwijt valt te maken. Dat lukte niet: uit de correspondentie en de opgenomen gesprekken kwam het beeld naar voren dat zij zich hebben ingespannen het werk te laten afmaken, en te optimistisch zijn geweest over de vraag of dat nog kon, is volgens de rechtbank niet ernstig verwijtbaar.

De uitkomsten laten zich dus verklaren uit het aantal feiten dat samenvalt, en niet uit de ernst van één ervan. Daar zit het verschil tussen de kozijnenzaak, waar één toezegging werd gebroken in een verder ongestoord traject, en de twee toewijzingen, waar de bestemming van het geld, de voortgang van het werk en de lege vennootschap elkaar bevestigden.

Horde drie: welke schade tegenover de bestuurder overblijft

Een rond verwijt levert nog niet het onbetaalde saldo op. De vordering tegen de vennootschap volgt de overeenkomst, de vordering tegen de bestuurder volgt het verwijt, en die twee zijn zelden gelijk. Wie het volledige contractuele tekort vordert, houdt daarvan een deel over.

De maatstaf is de vergelijking van de werkelijke situatie met de situatie die zou zijn ontstaan zonder het verweten handelen. Daarmee bepaalt het verwijt zelf het venster: bij de Beklamel-norm gaat het om wat de opdrachtgever na dat moment van contracteren nog heeft betaald, bij frustratie van betaling om de betalingen ná het kantelpunt waarop de bestuurder wist dat er geen werk meer tegenover stond.

Bij het hof Amsterdam kwam die vergelijking neer op de drie premature termijnen van samen € 51.037,62, verminderd met € 3.800 die de vennootschap in 2018 al had terugbetaald. De buitengerechtelijke kosten en beslagkosten uit de eerdere procedure tegen de vennootschap bleven buiten de toewijzing, omdat die kosten direct samenhangen met die andere procedure.

Hoe scherp die afbakening werkt, laat de Noord-Hollandse zaak van maart 2026 zien. De opdrachtgevers hadden € 91.000,21 betaald in zes termijnen. De curator trok een peildatum op 1 november 2023 en erkende definitief € 21.807,67, precies de som van de vier betalingen die daarna zijn gedaan. Voor de periode ervoor, waaronder de twee grootste termijnen, bleef de vordering afgewezen. Van belang is wat die erkenning is: een vordering in het faillissement van de bestuurder, en dus geen betaling.

Dat venster kan ook dichtvallen. Ophouden met betalen beschermt wat nog niet is overgemaakt en kost de opdrachtgever geen verwijt, maar daarmee is die grond dan uitgeput. Bij de rechtbank Den Haag was op 7 mei 2025 € 77.170 overgemaakt tussen april en september 2022, tegen € 16.700 aan geleverd werk. Ook als het de bestuurder in oktober van dat jaar duidelijk had moeten zijn dat de vennootschap niet meer zou nakomen, zo overwoog de rechtbank, waren er vanaf dat moment geen betalingen meer verricht. Er viel toen niets meer aan te nemen, en op precies die vaststelling strandde deze grond. Voor de bedragen van vóór dat moment blijft de Beklamel-norm over, die wetenschap vraagt op de dag van het contracteren.

Wat kan een opdrachtgever doen als de aannemer wankelt?

Leg de betaaldata naast de voortgang van het werk, en houd dat bij per factuur. Dat is de as waarop beide toewijzingen draaiden, en tegelijk de as waarop de peildatum van de curator werd getrokken. Wordt vooruitbetaling gevraagd voor een concrete levering, vraag dan de waarborg waarvan de rechtbank Noord-Holland vaststelde dat die had moeten worden ingebouwd: rechtstreekse betaling aan de leverancier, of een bewijs van bestelling voordat het geld weggaat.

Bij nieuwbouw beschermt de wet de verhouding tussen betaling en voortgang. Artikel 7:767 BW bepaalt dat een particuliere opdrachtgever alleen kan worden verplicht tot betalingen die, althans bij benadering, overeenstemmen met de voortgang van de bouw. Het te veel betaalde geldt als onverschuldigd betaald, en daarvan kan niet ten nadele van de opdrachtgever worden afgeweken. In de Rotterdamse zaak overtrof het betaalde de waarde van het werk met 33 procent daarvan, en dat viel buiten de bandbreedte die het woord "bij benadering" toelaat. Die bescherming geldt ook voor wie zelf in de bouw werkt. Bij de verbouwing van een bestaande woning geldt zij in beginsel niet: artikel 7:765 BW beperkt de afdeling tot aanneming van werk die strekt tot de bouw van een woning. Daar moet het betalingsschema dus zelf worden vastgelegd, gekoppeld aan meetbare mijlpalen in plaats van aan de kalender.

Blijft de voortgang achter, schort dan op en leg schriftelijk vast wat er wordt verwacht. Opschorten zonder die grond zet de opdrachtgever zelf in verzuim, zodat hij degene wordt die tekortschiet, en bij het hof Amsterdam liep het beroep van de aannemer op opschorting juist stuk op het ontbreken van zo'n mededeling. Zie voor de bredere context aanneming van werk en, voor de positie in het faillissement zelf, faillissement en curator. En bewaar de financiële sporen naast het bouwkundige rapport: onbetaalde onderaannemers, geannuleerde bestellingen, andere opdrachtgevers met hetzelfde verhaal. Het openbare faillissementsverslag is daarbij de eerste bron die niets kost: het staat in het centraal insolventieregister en zet de tijdlijn op een rij, tot en met bestuurswissels en contante opnames. Een rapport bewijst het gebrek, en over de bestuurder bewijst het niets. Zijn wetenschap moet uit andere stukken komen, en die moet per aangesproken bestuurder worden onderbouwd. Wie alleen het rapport heeft, procedeert over een gebrek en niet over een bestuurder.

Veelgestelde vragen

Wat kan de opdrachtgever van de curator verlangen?

Bij een overeenkomst die door beide partijen nog niet volledig is nagekomen, kan de curator schriftelijk een redelijke termijn worden gesteld om te verklaren of hij haar gestand doet, dus of de boedel haar nakomt. Verklaart hij zich niet bereid, dan verliest hij het recht nakoming te vorderen. In de zaak van maart 2026 antwoordde de curator dat de boedel de overeenkomst niet gestand deed en dat het de opdrachtgevers vrijstond een derde het resterende werk te laten uitvoeren.

Helpt het dat de aannemer geen jaarrekeningen publiceerde?

Op zichzelf niet. De rechtbank Den Haag achtte dat feit in mei 2025 onvoldoende, omdat het niet verklaart waarom de bestuurder tegenover deze opdrachtgever onrechtmatig handelde. Het wettelijk vermoeden dat aan schending van de publicatieplicht hangt, werkt in de procedure van de curator over het boedeltekort. Andersom baatte het de bestuurder bij het hof Amsterdam ook niet dat de opdrachtgevers de jaarstukken zelf hadden kunnen opvragen.

Is er nog een partij die wel betaalt?

Soms wel, en dan meestal een garant. Wat zo'n garantie dekt volgt uit haar tekst en uit de context waarin zij is afgegeven. Bij het hof Arnhem-Leeuwarden gaf zij financiële zekerheid dat de woningen worden afgebouwd bij faillissement of staking van de werkzaamheden, terwijl de garantsteller volhield dat het slechts een toezegging van expertise en begeleiding was. Dat verschil in uitleg besliste de zaak, en de bestuurdersaansprakelijkheid werd in hetzelfde arrest afgewezen.

Aangehaalde rechtspraak

Hoge Raad: ECLI:NL:HR:1989:AB9521 (6 oktober 1989, Beklamel, maatstaf voor persoonlijke aansprakelijkheid van de bestuurder die namens de vennootschap contracteert); ECLI:NL:HR:2006:AZ0758 (8 december 2006, Ontvanger/Roelofsen, de twee gevallen waarin een bestuurder naast de vennootschap aansprakelijk kan zijn).

Gerechtshoven: ECLI:NL:GHAMS:2024:1247 (Amsterdam, 7 mei 2024, premature bouwtermijnen die niet aan het werk zijn besteed leveren een persoonlijk ernstig verwijt op); ECLI:NL:GHARL:2024:8011 (Arnhem-Leeuwarden, 17 december 2024, een niet doorbetaalde bijbetaling voor kozijnen is één betaling binnen de overeenkomst en niet zonder meer een ernstig verwijt); ECLI:NL:GHDHA:2025:2379 (Den Haag, 25 november 2025, het ontbreken van verhaal, meerdere vennootschappen en rapporten van later maken de indirect bestuurder niet aansprakelijk); ECLI:NL:GHARL:2023:9389 (Arnhem-Leeuwarden, 7 november 2023, garantie van een derde uitgelegd als afbouwgarantie bij faillissement van de aannemer).

Rechtbanken: ECLI:NL:RBNHO:2024:137 (Noord-Holland, 10 januari 2024, vooruitbetaalde en geoormerkte gelden niet afgedragen: de bestuurder had ten minste een waarborg moeten inbouwen tegen besteding aan andere doeleinden); ECLI:NL:RBDHA:2021:5869 (Den Haag, 9 juni 2021, de Beklamel-norm vereist een feitelijk uitzichtloze situatie bij het aangaan; geldzorgen en lopende onderhandelingen met een investeerder volstaan niet); ECLI:NL:RBNHO:2026:2837 (Noord-Holland, 18 maart 2026, contractspartij vastgesteld op offerte, facturen en betalingen, en slecht werk als zodanig geen persoonlijk ernstig verwijt); ECLI:NL:RBDHA:2025:8222 (Den Haag, 7 mei 2025, geen betalingen na het kantelpunt betekent geen aangenomen betalingen zonder tegenprestatie); ECLI:NL:RBROT:2026:1231 (Rotterdam, 4 februari 2026, factureren in strijd met artikel 7:767 BW levert de bestuurder geen ernstig verwijt op); ECLI:NL:RBLIM:2026:2037 (Limburg, 11 maart 2026, verstekvonnis vernietigd omdat de verkeerde vennootschap uit de groep was gedagvaard; art. 2:9 en 2:248 BW komen de curator toe en niet de opdrachtgever).

Lees ook