Termijnbetalingen en oplevering in de bouw
Een aannemer die twee zwembaden renoveerde, vorderde de laatste termijnen van de aanneemsom. De gemeente vorderde vervangende schadevergoeding voor het werk dat zij door derden liet afmaken. Die omzetting maakte de termijnen niet opeisbaar, en de Hoge Raad liet dat oordeel in stand. De zaak gaat verder over meerwerk zonder goedkeuring, de boete bij te late oplevering en de bewijslast tegenover deskundigenrapporten.
Gemeente houdt laatste termijnen in na zwembadrenovatie
Het hof 's-Hertogenbosch hield de aannemer aan het betaalschema. De termijnen 4, 5 en 6 van de aanneemsom bleven onbetaald en haar meerwerkvordering werd maar deels toegewezen. Dat de Hoge Raad daar niets aan toevoegde, komt door art. 81 RO: hij verwierp zowel het principale beroep van de aannemer als het incidentele beroep van de gemeente zonder motivering (ECLI:NL:HR:2026:459). De inhoudelijke analyse staat daarom in de conclusie van A-G Drijber van 19 december 2025 (ECLI:NL:PHR:2025:1407).
De gemeente Drimmelen besteedde de renovatie en gedeeltelijke nieuwbouw van zwembad De Randoet in Made en Het Puzzelbad in Terheijden aan in vier percelen. De bouwkundige werken gingen naar deze aannemer. Op 17 september 2019 kwam daar een aparte tegelwerkovereenkomst bij voor het vervangen van het tegelwerk in de diepe bassins, met een aanneemsom van € 588.400. Na de bouwteamfase volgde op 31 oktober 2019 de aannemingsovereenkomst voor de bouwkundige werken, met een aanneemsom van € 846.612 en de UAV 2012 van toepassing.
Het betaalschema kende zes termijnen, gekoppeld aan de voortgang van het werk: 25 procent bij start bouw, 10 procent bij 25 procent gereed, 25 procent bij 50 procent gereed, 25 procent bij 75 procent gereed, 10 procent bij 100 procent gereed en oplevering, en 5 procent bij het einde van de onderhoudstermijn van zes maanden. Het werk moest op 1 april 2020 zijn uitgevoerd en op 17 april 2020 integraal gebruiksklaar zijn.
Het werk liep uit. De gemeente stelde de aannemer op 21 april 2020 in gebreke. Het tegelwerk werd op 19 mei 2020 opgeleverd. Op 2 juni 2020 werd het overige werk opgenomen, met drie opnamestaten vol restpunten, en dat proces-verbaal is alleen namens de gemeente ondertekend. De nieuwbouw van het entreegebouw van Het Puzzelbad bleef onaf. Bij brief van 3 december 2020 berichtte de gemeente dat het resterende werk door een derde zou worden uitgevoerd en dat de aannemer daartoe niet meer in de gelegenheid werd gesteld.
Omzetting ex art. 6:87 BW maakt termijnen niet opeisbaar
Termijn 5 hing aan de voorwaarde "100% gereed en oplevering". Het hof stelde vast dat geen van beide zich had voorgedaan, zodat die termijn niet opeisbaar was. Omdat oplevering in de zin van § 11 UAV 2012 uitbleef, was ook de onderhoudstermijn niet aangevangen en was termijn 6 evenmin opeisbaar.
Dat oordeel rust op een strikte lezing van het begrip oplevering. Partijen hadden geen deelopleveringen afgesproken en de UAV 2012 voorziet daar niet in. Het proces-verbaal van 2 juni 2020 draagt het woord oplevering in de titel en in de tekst, maar volgens het hof blijkt uit de inhoud dat het om een opname ging. Gelet op de onvoltooide staat van het werk, zoals uitdrukkelijk in dat proces-verbaal vermeld, was het werk op die datum niet voor oplevering gereed. Een proces-verbaal dat oplevering heet, levert dus nog geen oplevering op.
Voor het niet uitgevoerde en onvoldoende herstelde werk vorderde de gemeente vervangende schadevergoeding. Het hof kwalificeerde die vordering als een omzettingsverklaring in de zin van art. 6:87 BW: de verbintenis van de aannemer om het werk te voltooien en op te leveren maakte plaats voor een verbintenis tot betaling van schadevergoeding.
Daarop bouwde de aannemer haar klacht. De verbintenis tot oplevering bestond niet meer, dus kon de voorwaarde "100% gereed en oplevering" nooit meer worden vervuld. De tegenprestatie van de gemeente moest dan op enig moment opeisbaar worden, en volgens de aannemer al vanaf het uitbrengen van de omzettingsverklaring.
A-G Drijber verwierp dat betoog onder verwijzing naar HR 4 december 2020 (ECLI:NL:HR:2020:1954). De Hoge Raad overwoog daarin dat de schuldeiser bij omzetting van een verbintenis uit een wederkerige overeenkomst gehouden blijft zijn eigen prestatie te verrichten, want de overeenkomst zelf is niet ontbonden. De verbintenis van die schuldeiser ondergaat geen verandering, en dat geldt ook voor het moment van opeisbaarheid.
Dat laatste klinkt als een tegenspraak, omdat de opeisbaarheid na omzetting nu juist aan iets anders wordt gekoppeld. Het onveranderde element is het regime: het contractuele betaalschema blijft leidend en wordt door de omzetting niet opzijgezet. Wat verandert, is de verbintenis waarnaar dat schema verwijst. De aannemer moet dus eerst haar eigen verbintenis nakomen, en dat is na de omzetting het betalen van vervangende schadevergoeding. Pas op dat moment kan de tegenprestatie van de gemeente opeisbaar worden.
Helemaal uitgekristalliseerd is die lijn niet. In eerdere conclusies is betoogd dat een opeisbaarheidsregeling die in de oorspronkelijke contractuele opzet paste, na omzetting niet langer leidend hoeft te zijn. Daar valt volgens de A-G wat voor te zeggen, maar de Hoge Raad heeft zich in 2020 in algemene termen uitgelaten en daar houdt hij het bij. Wel is de motivering van het hof volgens de A-G niet zuiver geformuleerd. Het hof schreef dat de termijnen nog steeds niet opeisbaar zijn omdat het werk nog niet is opgeleverd, terwijl oplevering na de omzetting niet meer aan de orde was. Tot cassatie leidde dat niet, want het resultaat was juist. De A-G tekent daarbij aan dat de eis tot vervangende schadevergoeding in de praktijk weinig voorkomt, en dat het alternatief van een gedeeltelijke ontbinding met prijsvermindering als gevolg veelal aantrekkelijker is. Die route loopt via art. 6:265 BW.
Termijn 3 strandde op iets anders. De aannemer stelde dat de directievoerder die termijn had goedgekeurd, maar onderbouwde dat niet, en ten tijde van de facturatie was er geen opname waaruit bleek dat het werk voor 50 procent gereed was. De opeisbaarheid kwam daarmee niet vast te staan, met als gevolg dat de rentevordering over die termijn werd afgewezen.
Waarom de tegelwerktermijnen wel opeisbaar waren
Dezelfde bouwplaats leverde bij de tweede overeenkomst de omgekeerde uitkomst op. Ook bij het tegelwerk was het werk ten tijde van de opname nog niet 100 procent gereed en was de onderhoudstermijn niet aangevangen. Het verschil zat erin dat de gemeente zich in hoger beroep neerlegde bij het oordeel van de rechtbank dat het tegelwerk was opgeleverd. Daarmee waren de openstaande termijnen uit de tegelwerkovereenkomst wel opeisbaar.
Het scharnierpunt is dus de oplevering en niet de vraag of er gebreken zijn. Gebreken werken langs een andere route. Gelet op de vorderingen uit minderwerk, niet tijdig en niet voldoend werk en gebreken in het werk mocht de gemeente de betaling van de openstaande termijnen uit de aannemingsovereenkomst opschorten. Over die termijnen was daarom geen wettelijke handelsrente verschuldigd. Opeisbaar is bovendien niet hetzelfde als uitbetaald. De tegelwerkovereenkomst is een aanvullende opdracht, zodat de vorderingen uit beide overeenkomsten voldoende samenhang hebben en de gemeente bedragen uit de ene met die uit de andere mag verrekenen. Voor welk bedrag zij mocht opschorten en verrekenen, en over welk saldo zij de aannemer rente verschuldigd is, kon het hof niet vaststellen. Ook dat gaat naar de schadestaatprocedure.
Meerwerk zonder goedkeuring en de tenzij-bepaling
In de aannemingsovereenkomst staat niet wanneer sprake is van meerwerk, zodat § 36 UAV 2012 de maatstaf geeft. De bewoordingen daarvan zijn vrijwel gelijk aan art. 7:755 BW. Bij een door de opdrachtgever gewenste bestekwijziging kan de aannemer alleen een prijsverhoging vorderen als hij tijdig heeft gewezen op de noodzaak daarvan, tenzij de opdrachtgever die noodzaak uit zichzelf had moeten begrijpen. Bij die tenzij-toets telt alleen de noodzaak van een verhoging, en niet of de opdrachtgever inzicht had in de omvang ervan. Is de toets gehaald en is het bedrag van de verhoging niet bepaald of daarvoor slechts een richtprijs afgesproken, dan volgt uit art. 7:752 BW dat een redelijke prijs verschuldigd is. Die tweede stap leidde het hof af uit HR 1 juli 2022 (ECLI:NL:HR:2022:989).
De gemeente wees op aanvullende afspraken uit de bouwvergadering: meerwerk moest vooraf worden goedgekeurd en kon pas worden gefactureerd nadat de bouwdirectie het werk had goedgekeurd. Ook wierp zij tegen dat de aannemer nooit voor prijsverhogingen had gewaarschuwd. Het hof volgde haar daarin niet: is het werk gewijzigd door omstandigheden die voor risico van de gemeente blijven, dan kan zij het ontbreken van voorafgaande goedkeuring of van een waarschuwing niet aan de aannemer tegenwerpen. De A-G legt uit waarom dat de afspraken niet omzeilt. Zij vullen de waarschuwingsplicht aan, maar doen niet af aan de tenzij-bepaling. Meewoog dat de aannemer de directievoerder in de betreffende gevallen had bericht dat naar haar mening sprake was van meerwerk, en dat de directievoerder dat telkens had bevestigd.
De tenzij-bepaling bracht de aannemer maar een deel van de weg. De stelplicht en de bewijslast dat sprake is van voor vergoeding in aanmerking komend meerwerk rusten op haar. Waar de gemeente met het programma van eisen en de demarcatielijst onderbouwde dat werkzaamheden al waren opgedragen, onderbouwde de aannemer haar vordering niet nader, en die posten werden afgewezen. Van de ruim € 245.000 aan meerwerkfacturen bleef € 103.488,14 over. Deze meerwerkoverwegingen vormden het incidentele cassatieberoep van de gemeente, dat eveneens werd verworpen.
Boete en korting: twee grondslagen, twee bedragen
De € 16.960 aan boetes waartoe de aannemer werd veroordeeld, rust op twee verschillende grondslagen. Voor het tegelwerk gold het boetebeding uit artikel 11 van de tegelwerkovereenkomst: € 10.000 per overtreding, vermeerderd met € 60 voor elke dag dat de niet-nakoming voortduurt. Het hof legde dat beding uit als betrekking hebbend op het werk als geheel, zodat de gemeente de boete niet twee keer kon verbeuren omdat het om twee zwembaden ging. Het begrip dag is in de overeenkomst niet gedefinieerd, en omdat de UAV 2012 ook op de tegelwerkovereenkomst van toepassing is verklaard, rekende het hof in werkdagen. Uitgaande van de nader overeengekomen opleverdatum van 15 mei 2020 en de oplevering op 19 mei 2020 kwam de boete uit op € 10.060.
Voor de aannemingsovereenkomst geldt dat beding niet, want het staat in de tegelwerkovereenkomst. Daar liep de sanctie via de korting van § 42 lid 2 en 3 UAV 2012. Uitgaande van 15 mei 2020 en de door de gemeente aangehouden datum einde werk van 1 november 2020, opnieuw in werkdagen, kwam dat op € 6.900. De gemeente had voor het tegelwerk € 40.240 gevorderd en voor de korting € 10.200, naast € 33.480 aan nog niet in rekening gebrachte korting. Op beide onderdelen kreeg zij dus aanzienlijk minder dan zij vroeg.
Het hof vernietigde het vonnis van de rechtbank Zeeland-West-Brabant en deed opnieuw recht. Tegenover het toegewezen meerwerk staat € 23.769,88 aan minderwerk, van de € 78.152,16 die de gemeente daarvoor had gevorderd, zodat het saldo van meer- en minderwerk uitkomt op € 79.718,26 in het voordeel van de aannemer. Daarnaast moet zij die boetes en € 875 aan buitengerechtelijke kosten van de gemeente betalen, en vervangende schadevergoeding op te maken bij staat voor het afmaken van het werk en voor herstel van het tegelwerk. Het eindpunt ligt daarmee buiten dit arrest: ook de vraag of de gemeente de openstaande facturen uit beide overeenkomsten verschuldigd is, en de rente daarover, is naar de schadestaatprocedure verwezen.
In cassatie klaagde de aannemer dat de boete twee keer was opgelegd, in eerste aanleg en in hoger beroep. Die klacht miste feitelijke grondslag, want door de vernietiging verviel ook de eerdere boeteveroordeling. De veroordeling tot terugbetaling van wat de gemeente ter uitvoering van het vonnis had betaald, is bij herstelarrest geschrapt.
Betwisting zonder contra-expertise houdt geen stand
De gemeente bracht drie rapporten van Technoconsult in het geding, gedateerd 3 maart 2021, 22 februari 2024 en 2 juli 2024. De aannemer maakte bezwaar op grond van de goede procesorde en verzocht bij akte te mogen reageren. Het hof wees dat af. De producties zijn tijdig ingediend, de aannemer had ruim vijf maanden om op het tweede rapport te reageren, het derde is ruim drie weken voor de zitting ingediend en actualiseerde het al bekende tweede rapport, en tijdens de mondelinge behandeling van 19 september 2024 is voldoende gelegenheid geboden om erop te reageren.
De A-G onderbouwt dat verder, en daar komen de procesrechtelijke aanknopingspunten vandaan. Het tweede rapport ging per H-formulier van 27 februari 2024 in het geding, meer dan zes maanden voor de zitting, en die tijd is niet benut. Reageren kon ook zonder voorafgaande toestemming van het hof: art. 82 Rv laat een akte toe vóór of op een roldatum, geldt in hoger beroep via art. 353 lid 1 Rv, en zo'n akte kan een reactie op een productie inhouden. Dat de aannemer het risico nam te wachten op een beslissing van het hof, komt voor haar rekening. Het derde rapport is op 27 augustus 2024 ingediend, ruim tien dagen voor de zitting en daarmee tijdig op grond van art. 87 lid 6 Rv.
Inhoudelijk legde de aannemer geen contra-expertise tegenover de drie rapporten. Het hof oordeelde dat de betwisting van de gestelde gebreken daardoor onvoldoende was gemotiveerd. In cassatie klaagde de aannemer dat aan een betwisting niet dezelfde eisen mogen worden gesteld als aan de partij die stelt, en dat een partijrapport zich niet uitsluitend met een tegenrapport laat weerspreken. Die klacht mist feitelijke grondslag, aldus de A-G, want het hof heeft dat nergens overwogen. Het oordeel van het hof komt erop neer dat tegenover drie rapporten een weinig onderbouwde betwisting stond. Met een eigen rapport had het anders kunnen uitpakken, en een tegenrapportage lag hier voor de hand, maar het hof heeft niet beslist dat dit het enige was wat de aannemer had kunnen baten.
Wat betekent dit voor aannemers en opdrachtgevers?
Voor de aannemer is de les dat de opdrachtgever met een omzetting de opleveringsvoorwaarde niet uit het betaalschema haalt. Wie termijnen wil incasseren die aan oplevering hangen, levert op. Blijft dat uit en zet de opdrachtgever om, dan verschuift de voorwaarde naar het betalen van de vervangende schadevergoeding, en dat is doorgaans het tegendeel van een verbetering. Wie het werk laat liggen, houdt daarmee ook de eigen vordering tegen.
Leg de voortgang vast op het moment dat een termijn wordt gefactureerd. Termijn 3 sneuvelde op precies dat punt: er was geen opname waaruit bleek dat het werk voor 50 procent gereed was, en een gestelde maar niet onderbouwde goedkeuring van de directievoerder vulde dat gat niet.
Bij meerwerk overleeft de tenzij-bepaling procedurele goedkeuringsafspraken, maar de stelplicht blijft bij de aannemer. In deze zaak sneuvelde het grootste deel van de meerwerkposten op de onderbouwing en niet op de waarschuwingsplicht. Onderbouw daarom per post dat het werk buiten de opdracht viel en noodzakelijk was, en zet dat naast het programma van eisen en de demarcatielijst waarmee de opdrachtgever het tegendeel zal betogen.
Voor de opdrachtgever zit de winst in de vastlegging. Een proces-verbaal met het woord oplevering in de titel bindt hem niet als de inhoud een opname beschrijft, maar wie deelopleveringen wil kunnen aanvaarden of weigeren, spreekt ze af, want de UAV 2012 kent die figuur niet. En wie gebreken stelt, doet dat met rapporten die per post benoemen wat er mis is, tijdig genoeg ingediend om de wederpartij gelegenheid tot reactie te geven. Dat laatste drukte hier het bezwaar op de goede procesorde de kop in.
Wie zulke rapporten tegenover zich krijgt, laat het niet bij een betwisting in algemene termen. Een eigen deskundigenrapport is niet verplicht, maar het uitblijven ervan kan beslissend zijn, en wachten op toestemming om te mogen reageren komt voor eigen rekening.
Veelgestelde vragen
Moet de opdrachtgever nog betalen als hij vervangende schadevergoeding vordert?
De omzetting laat het betaalschema staan. Omdat de overeenkomst door een omzetting niet wordt ontbonden, blijft de opdrachtgever gehouden zijn eigen prestatie te verrichten, en die verbintenis verandert niet, ook niet wat het moment van opeisbaarheid betreft. Hangt een termijn aan oplevering, dan schuift die voorwaarde door naar het betalen van de schadevergoeding. Wie de betalingsverplichting wil laten vervallen, moet ontbinden.
Is een ondertekend proces-verbaal van oplevering beslissend?
De inhoud beslist, en niet de titel. Het hof las een proces-verbaal dat oplevering heette als een opname, omdat daarin uitdrukkelijk stond welke werkzaamheden nog niet waren voltooid en de bijgevoegde opnamestaten vol restpunten stonden. Ondertekening door beide partijen ontbrak hier bovendien. Zonder afgesproken deeloplevering telt een gedeeltelijk afgerond werk niet als opgeleverd, en gaat de onderhoudstermijn dus ook niet lopen.
Kan een aannemer meerwerk factureren dat niet vooraf is goedgekeurd?
Ja, als de opdrachtgever de noodzaak van de prijsverhoging uit zichzelf had moeten begrijpen. Een afspraak dat meerwerk vooraf moet worden goedgekeurd, vult de waarschuwingsplicht aan en zet de tenzij-bepaling niet buiten werking. De aannemer draagt wel de stelplicht dat de post niet al onder de opdracht viel en dat uitvoering nodig was. De opdrachtgever kan zich dus niet op het ontbreken van goedkeuring beroepen, en hoeft evenmin te betalen voor posten waarvan dat niet wordt aangetoond.
Aangehaalde rechtspraak
Hoge Raad
- ECLI:NL:HR:2026:459 (20 maart 2026) — art. 81 RO; zowel het principale beroep van de aannemer als het incidentele beroep van de gemeente verworpen.
- ECLI:NL:HR:2020:1954 (4 december 2020) — bij omzetting ex art. 6:87 BW blijft de schuldeiser gehouden zijn eigen prestatie te verrichten en ondergaat zijn verbintenis geen verandering, ook niet wat het moment van opeisbaarheid betreft.
- ECLI:NL:HR:2022:989 (1 juli 2022) — is de tenzij-bepaling gehaald en is het bedrag van de verhoging niet bepaald of daarvoor slechts een richtprijs afgesproken, dan is op grond van art. 7:752 BW een redelijke prijs verschuldigd.
Parket bij de Hoge Raad
- ECLI:NL:PHR:2025:1407 (19 december 2025) — conclusie A-G Drijber: het contractuele betaalschema blijft na omzetting leidend, zodat de tegenprestatie pas opeisbaar wordt als de schuldenaar de vervangende schadevergoeding voldoet.
Gerechtshoven
- ECLI:NL:GHSHE:2024:4052 (17 december 2024) — zonder overeengekomen deeloplevering is een opname van onvoltooid werk geen oplevering, ook niet als het proces-verbaal die naam draagt; is het werk gewijzigd door omstandigheden die voor risico van de opdrachtgever blijven, dan kan hij het ontbreken van goedkeuring of van een waarschuwing voor meerwerk niet tegenwerpen.