Inleiding
Bestuurdersaansprakelijkheid bij faillissement is een van de meest geprocedeerde onderwerpen in het ondernemingsrecht. Op deze pagina staan twintig arresten van de Hoge Raad die samen het kader afbakenen: van de maatstaf van het ernstig verwijt tot de grenzen van de matiging, de kring van aansprakelijken en de positie van de curator. Elk arrest is met vindplaats opgenomen, zodat de overwegingen zelf naleesbaar zijn. Zij vullen de feitenrechtspraak over bestuurdersaansprakelijkheid aan, en het bredere kader staat op de pagina bestuurdersaansprakelijkheid.
De maatstaf: ernstig verwijt
De kern van artikel 2:9 BW is dat een bestuurder pas aansprakelijk is jegens de vennootschap als hem een ernstig verwijt kan worden gemaakt, te beoordelen naar alle omstandigheden van het geval. In Staleman/Van de Ven somde de Hoge Raad die omstandigheden op: de aard van de activiteiten, de daaruit voortvloeiende risico’s, de taakverdeling binnen het bestuur, de geldende richtlijnen en de gegevens waarover de bestuurder beschikte of behoorde te beschikken (HR 10 januari 1997, ECLI:NL:HR:1997:ZC2243).
Wordt gehandeld in strijd met statutaire bepalingen die de vennootschap beogen te beschermen, dan is dat een zwaarwegende omstandigheid die in beginsel de aansprakelijkheid vestigt (HR 29 november 2002, ECLI:NL:HR:2002:AE7011, Berghuizer Papierfabriek). Dat is een uitgangspunt, geen eindpunt. Voert de bestuurder feiten aan waaruit zou kunnen volgen dat de statutenschending toch geen ernstig verwijt oplevert, dan moet de rechter die feiten uitdrukkelijk in zijn oordeel betrekken; laat hij dat na, dan sneuvelt het arrest (HR 3 februari 2023, ECLI:NL:HR:2023:146, een Curaçaose zaak waarin de Hoge Raad de maatstaf van artikel 2:9 BW en die van de Antilliaanse tegenhanger in dezelfde bewoordingen formuleert).
Aansprakelijkheid jegens schuldeisers
Voor aansprakelijkheid uit onrechtmatige daad jegens een individuele schuldeiser geldt het kader van Ontvanger/Roelofsen, met de Beklamel-norm voor het aangaan van verplichtingen en de categorie van het bewerkstelligen of toelaten van niet-nakoming (HR 8 december 2006, ECLI:NL:HR:2006:AZ0758). Die verhoogde drempel geldt alleen als de bestuurder in zijn hoedanigheid wordt aangesproken; handelt hij op eigen titel onrechtmatig, dan volstaat de gewone maatstaf (HR 23 november 2012, ECLI:NL:HR:2012:BX5881, Spaanse Villa).
Bij selectieve betaling is de enkele volgorde van betalen niet doorslaggevend. Een bestuurder die het faillissement heeft aangevraagd en daarna nog een schuldeiser met voorrang voldoet, is niet op die enkele grond aansprakelijk; beslissend blijft of hem persoonlijk een ernstig verwijt kan worden gemaakt, waarbij een eigen belang bij de betaling zwaar weegt (HR 17 januari 2020, ECLI:NL:HR:2020:73).
In concernverhoudingen moet het verwijt per rechtspersoon worden onderbouwd. Een groep vennootschappen mag niet als één structuur worden behandeld: zonder toereikende motivering kan een bestuurder van de moedervennootschap geen verwijt worden gemaakt over de wijze waarop een kleindochter haar eigen schuldeisers voldoet, wanneer de aansprekende schuldeiser geen vordering op die kleindochter heeft. De Hoge Raad casseerde op dat punt en verwees de zaak (HR 12 juni 2026, ECLI:NL:HR:2026:912).
De bestuurder achter de bestuurder
Artikel 2:11 BW legt de aansprakelijkheid van een rechtspersoon-bestuurder hoofdelijk op ieder die daarvan bestuurder was. De Hoge Raad besliste dat de bepaling geldt bij alle wettelijke grondslagen van bestuurdersaansprakelijkheid, dus ook bij artikel 6:162 BW, en dat de schuldeiser niet afzonderlijk hoeft te stellen dat ook de tweedegraads bestuurder persoonlijk een ernstig verwijt treft. Die bestuurder kan aansprakelijkheid wel afwenden door zelf te stellen en zo nodig te bewijzen dat hem persoonlijk geen ernstig verwijt kan worden gemaakt (HR 17 februari 2017, ECLI:NL:HR:2017:275). De bewijslast ligt daarmee bij de bestuurder, niet bij de schuldeiser.
Het bewijsvermoeden van artikel 2:248 lid 2 BW
Is de administratie niet op orde of de jaarrekening niet tijdig gedeponeerd, dan staat onbehoorlijke taakvervulling vast en wordt vermoed dat die een belangrijke oorzaak van het faillissement is geweest (artikel 2:248 lid 2 BW). Voor het ontzenuwen volstaat dat de bestuurder aannemelijk maakt dat andere feiten of omstandigheden een belangrijke oorzaak zijn geweest; slaagt hij daarin, dan is het weer aan de curator (HR 30 november 2007, ECLI:NL:HR:2007:BA6773, Blue Tomato).
Die andere oorzaak hoeft niet van buiten te komen. Ook handelen of nalaten van een of meer bestuurders dat op zichzelf beschouwd geen onbehoorlijke taakvervulling oplevert, kan voldoende zijn om het vermoeden te ontzenuwen. Het hof dat de bestuurders op dit punt geen beroep op het handelen van bestuurders toestond, ging uit van een onjuiste rechtsopvatting (HR 9 juli 2021, ECLI:NL:HR:2021:1099).
Aan de andere kant bewaakt de Hoge Raad de motiveringsplicht ook ten gunste van de curator. In een zaak waarin het hof had aangenomen dat de curator over de volledige administratie kon beschikken, werd gecasseerd omdat het hof op onbegrijpelijke gronden voorbij was gegaan aan alle stellingen van de curator over de onvolledige aanlevering (HR 16 juni 2023, ECLI:NL:HR:2023:925).
Matiging: een limitatieve opsomming
De rechter kan het bedrag waarvoor de bestuurders aansprakelijk zijn verminderen, maar alleen op de gronden van artikel 2:248 lid 4, eerste volzin, BW: de aard en de ernst van de onbehoorlijke taakvervulling, de andere oorzaken van het faillissement, en de wijze waarop het faillissement is afgewikkeld. Zowel de tekst als de parlementaire geschiedenis wijzen uit dat die opsomming limitatief is (HR 13 mei 2022, ECLI:NL:HR:2022:691).
Wat dat in de praktijk betekent, bleek een jaar later. Een hof dat de aansprakelijkheid tot tien procent van het boedeltekort had teruggebracht op grond van “alle omstandigheden”, waaronder de geringe beloning van de bestuurders, werd gecasseerd: die grond valt niet onder lid 4. Tegelijk verwierp de Hoge Raad de opvatting dat matiging alleen mogelijk zou zijn wanneer het boedeltekort groter is dan de door het onbehoorlijk bestuur veroorzaakte schade (HR 21 april 2023, ECLI:NL:HR:2023:635).
Naast dit specifieke regime bestaat de algemene matigingsbevoegdheid bij schadevergoeding. In een Curaçaose zaak over bestuurders van een stichting met een publieke taak oordeelde de Hoge Raad dat matiging in de regel pas aan de orde komt nadat de volledige schade is vastgesteld, maar dat de rechter omwille van de proceseconomie een andere weg mag kiezen wanneer zijn oordeel impliceert dat elke hogere vergoeding tot kennelijk onaanvaardbare gevolgen zou leiden (HR 4 oktober 2024, ECLI:NL:HR:2024:1384, gewezen onder artikel 6:109 BWC, de Antilliaanse tegenhanger van artikel 6:109 BW).
De feitelijk beleidsbepaler
Artikel 2:248 lid 7 BW stelt met een bestuurder gelijk degene die het beleid heeft bepaald of mede heeft bepaald als ware hij bestuurder. De Hoge Raad verduidelijkte dat de wetsgeschiedenis, die spreekt van feitelijke terzijdestelling van het formele bestuur, niet betekent dat de beleidsbepaler moet hebben bestuurd met uitsluiting van het bestuur. Voldoende is dat hij zich ten minste een deel van de bestuursbevoegdheid heeft toegeeigend; uit het woord “mede” volgt dat de formele bestuurders daarnaast hun taken kunnen zijn blijven uitoefenen (HR 24 maart 2023, ECLI:NL:HR:2023:445). Dat verruimt de kring van aansprakelijken bij constructies waarin een aandeelhouder of adviseur feitelijk de beslissingen neemt.
Meer over de feitelijk beleidsbepaler
Décharge en de klachtplicht
Décharge strekt zich niet uit tot gegevens die niet uit de jaarrekening blijken of niet anderszins aan de algemene vergadering zijn bekendgemaakt voordat deze de jaarrekening vaststelde; dat volgt uit Staleman/Van de Ven. Tegenover de curator werkt zij in het geheel niet, omdat artikel 2:248 lid 6 BW bepaalt dat kwijting niet in de weg staat aan de vordering.
Een verweer dat de bestuurder evenmin baat, is de klachtplicht. De Hoge Raad besliste dat een bestuurder ter afwering van aansprakelijkheid op grond van artikel 2:9 BW geen beroep kan doen op artikel 6:89 BW. Dat vloeit voort uit de aard van de rechtsverhouding tussen bestuurder en rechtspersoon en uit de omstandigheid dat de rechtspersoon bezwaarlijk kan worden tegengeworpen dat de bestuurder tijdens zijn aanstelling nalaat namens haar bij zichzelf te protesteren. Hetzelfde geldt voor de op grond van artikel 2:9 lid 2 BW hoofdelijk verbonden medebestuurders, omdat collegiale verhoudingen binnen het bestuur tijdig protesteren kunnen bemoeilijken (HR 26 april 2024, ECLI:NL:HR:2024:681).
Belastingschulden en pensioenpremies
Voor achterstallige premies aan een bedrijfstakpensioenfonds geldt in artikel 23 Wet Bpf 2000 een stelsel dat vrijwel gelijkluidend is aan dat van artikel 36 Invorderingswet 1990: alles hangt af van een tijdige melding van betalingsonmacht. De Hoge Raad besliste dat een eenmaal gedane melding niet hoeft te worden herhaald zolang de achterstand voortduurt, maar dat de aansprakelijkheid dan ook kan berusten op kennelijk onbehoorlijk bestuur van ná de melding. De periode van drie jaren wordt in dat geval berekend vanaf het moment waarop voor de betrokken bijdrage uiterlijk gemeld had moeten worden (HR 21 mei 2021, ECLI:NL:HR:2021:754).
De Peeters/Gatzen-vordering
Naast de vordering namens de vennootschap kan de curator opkomen voor de belangen van de gezamenlijke faillissementsschuldeisers. Die Peeters/Gatzen-vordering komt toe aan de schuldeisers en valt niet in de boedel; de opbrengst wel. In twee arresten van dezelfde datum over hetzelfde faillissement liet de Hoge Raad in stand dat het hof een vordering die formeel was geformuleerd ten behoeve van de vennootschap, mocht opvatten als mede gericht op de aansprakelijkheid jegens de gezamenlijke schuldeisers. Beslissend was wat de curator feitelijk aan zijn vordering ten grondslag had gelegd, en dat dit ook voor de bestuurders duidelijk moet zijn geweest (HR 23 juni 2023, ECLI:NL:HR:2023:967 en ECLI:NL:HR:2023:968). De kwalificatie van de vordering hangt dus af van de inhoud van het verwijt, niet van de formulering van het petitum.
Commissarissen
De hoge drempel voor persoonlijke aansprakelijkheid geldt ook voor commissarissen, en geldt in het bijzonder tegenover derden. In de Fairstar-zaak had het hof geoordeeld dat twee commissarissen als toezichthouder ernstig verwijtbaar onrechtmatig hadden gehandeld, niet alleen jegens de vennootschap maar ook jegens een derde. De Hoge Raad casseerde: dat oordeel was, mede gelet op die hoge drempel, onvoldoende gemotiveerd (HR 30 januari 2026, ECLI:NL:HR:2026:128). Het arrest verscherpt dus de motiveringseis voor een aansprakelijkstelling van commissarissen door een derde.
Meer over de aansprakelijkheid van commissarissen
Wat betekent dit voor de praktijk?
Uit deze twintig arresten komt geen eenzijdig beeld naar voren. Het regime van artikel 2:248 BW is streng en de matigingsgronden zijn limitatief, de kring van aansprakelijken reikt verder dan het formele bestuur, en de curator beschikt met de Peeters/Gatzen-vordering over een instrument dat naar zijn inhoud wordt beoordeeld. Tegelijk bewaakt de Hoge Raad de motiveringsplicht scherp in beide richtingen: een te snel aangenomen aansprakelijkheid van een concernbestuurder of een commissaris houdt evenmin stand als een te snel gepasseerd verweer van de curator. Voor bestuurders blijven de praktische lessen dezelfde: houd de administratie op orde, deponeer de jaarrekening tijdig, meld betalingsonmacht binnen de termijn, en houd in concernverband de vennootschappen uit elkaar.
Deze arresten maken deel uit van de bredere analyse van HR-rechtspraak over ondernemingsrecht. De feitenrechtspraak staat op de verwijzingenpagina bij artikel 2:248 BW.