Beslag over de grens en de bevoegde rechter
Een NAVO-hoofdkwartier vorderde in Nederland de opheffing van een beslag dat in België lag. Mocht de Nederlandse rechter daarover beslissen? De Hoge Raad legde die vraag voor aan het Hof van Justitie. Het antwoord kwam op 3 september 2020: het land waar het beslag ligt heeft geen exclusieve bevoegdheid. Een schuldenaar hoeft dus niet naar het buitenland om van een Nederlandse maatregel af te komen.
Brandstof voor een NAVO-operatie, beslag in Brussel
Supreme Site Services leverde brandstoffen voor een vredesoperatie van de NAVO. Betaling bleef volgens haar uit. Met verlof van de voorzieningenrechter in Limburg legde zij conservatoir derdenbeslag onder BNP Paribas in Brussel, op het tegoed van een escrowrekening. SHAPE, het militaire hoofdkwartier in België, vorderde in kort geding opheffing van dat beslag. Daarbij vroeg het ook een verbod om opnieuw beslag te leggen, met een beroep op immuniteit van executie. De voorzieningenrechter en het hof gaven SHAPE gelijk.
In cassatie ging het over die immuniteit. Advocaat-generaal Vlas stelde een andere vraag aan de orde, buiten de middelen om. Mocht de Nederlandse rechter hier eigenlijk over beslissen? Artikel 24 punt 5 van de Brussel I-bis-verordening wijst voor de tenuitvoerlegging van beslissingen bij uitsluiting de gerechten aan van de plaats van tenuitvoerlegging. Dat is dwingend recht. Artikel 27 verplicht de rechter zich dan ambtshalve onbevoegd te verklaren.
Zijn conclusie van 21 september 2018 laat zien hoe open die vraag lag. Rechtspraak en literatuur lazen de bepaling ruim en eng. In de ruime lezing vallen ook geschillen over conservatoire beslagen eronder. In de enge lezing horen die bij artikel 35 over voorlopige maatregelen. Vlas koos de enge lezing en adviseerde prejudiciële verwijzing.
Hof: opheffing valt buiten de exclusieve executiebevoegdheid
Het Hof volgde die lijn. Een kort geding tot opheffing van een conservatoir derdenbeslag dat in een andere lidstaat ten uitvoer is gelegd, valt buiten artikel 24 punt 5. Die bepaling ziet op geschillen over het aanwenden van dwang of beslag om een beslissing uitgevoerd te krijgen. Een vordering tot opheffing van een bewarende maatregel gaat over iets anders.
Daarmee gelden de gewone bevoegdheidsregels. De rechter die bevoegd is van het bodemgeschil kennis te nemen, mag ook bewarende maatregelen treffen. Dat is vaste rechtspraak van het Hof. Voor de opheffing wijst artikel 705 Rv de voorzieningenrechter aan die het verlof heeft gegeven.
A-G en Hoge Raad verschillen over het medewerkingsbevel
Tussen die conclusie en dat arrest lag een zaak over scheepsbeslag. V Marine legde in Marokko beslag op een zeeschip van Dexhon. Dexhon stortte een bedrag bij de rechtbank daar om het beslag te laten opheffen. In Nederland vorderde zij vervolgens een bevel aan V Marine om mee te werken aan vrijgave van dat depot, tegen een bankgarantie.
Advocaat-generaal Vlas achtte dat toelaatbaar. Het bevel strekte tot medewerking aan een verzoek bij de Marokkaanse rechter. Dat is minder verstrekkend dan vrijgave zelf. Hij vergeleek het met een vordering tot medewerking aan de vestiging van een hypotheekrecht op een buitenlandse onroerende zaak. Zo'n vordering valt buiten artikel 24 punt 1.
De Hoge Raad koos op 17 juli 2020 de andere kant. Waar het Beslagverdrag het beslagforum exclusieve rechtsmacht geeft, mag de rechter van een andere staat die rechtsmacht niet doorkruisen. Daarvan is sprake bij een bevel om op straffe van een dwangsom in die buitenlandse procedure een standpunt in te nemen of aan een uitkomst mee te werken. Volgens rechtsoverweging 3.7 geldt dat ook in kort geding en bij een provisionele vordering op grond van artikel 223 Rv.
De twee beslissingen staan naast elkaar. Het arrest berust op het Beslagverdrag, dat als bijzonder verdrag voorgaat op grond van artikel 71 van de verordening. Het veronderstelt een exclusieve rechtsmacht die het Hof zeven weken later juist voor artikel 24 punt 5 uitsloot. Waar zulke rechtsmacht bestaat, geldt de waarschuwing onverkort.
Wanneer onroerend goed de bevoegdheid verschuift
Voor onroerende zaken loopt de grens langs artikel 24 punt 1. Dat artikel wijst de gerechten aan van de lidstaat waar het goed ligt, en het wordt strikt uitgelegd. Dat een vordering een onroerende zaak raakt is dus niet genoeg. Het Hof besliste in 1992 in Reichert en Kockler dat de actio pauliana buiten de exclusieve regel valt, ook al treft die vordering de beschikking over een onroerende zaak.
In Schmidt/Schmidt liep de scheidslijn dwars door één procedure. Het ging om een in Oostenrijk gelegen onroerende zaak. De vordering tot vernietiging van de schenkingsovereenkomst viel buiten artikel 24 punt 1. De vordering tot doorhaling van de vermeldingen over het eigendomsrecht van de begiftigde viel eronder. Advocaat-generaal Kokott stelde precies die tweedeling voor. Zij wees erop dat artikel 8 punt 4 toelaat beide vorderingen bij dezelfde rechter te brengen.
Reitbauer trok de lijn nog verder van de plaats van het goed af. Een schuldeiser betwistte de verdeling van de opbrengst van een gerechtelijke veiling. Hij vorderde vaststelling dat een concurrerende vordering door verrekening was tenietgegaan. Ook vorderde hij vaststelling dat het zakelijke zekerheidsrecht daarvoor niet kon worden tegengeworpen. Het Hof bracht dat onder geen van beide exclusieve bevoegdheden, omdat de vordering op persoonlijke rechten berustte. Advocaat-generaal Tanchev had voorgesteld elke grief afzonderlijk te wegen, en het Hof deed dat.
De Nederlandse toepassing laat zien waar de grens ligt. De rechtbank Rotterdam verklaarde zich in 2021 onbevoegd voor een buitenlandse woning, omdat de eigendom tussen de echtgenoten in geschil was. De rechtbank Zeeland-West-Brabant nam in 2023 bevoegdheid aan voor de beëindiging van mede-eigendom van een woning in Nederland, met partijen in Duitsland. Dezelfde toets, en de eigendomsvraag maakt het verschil.
Wat betekent dit voor een vordering tot opheffing?
De winst van 2020 zit in de plaats van het geschil. Wat die winst kan bederven is de omschrijving van de vordering. Schending van artikel 24 is een grond om erkenning van het vonnis in een andere lidstaat te weigeren. En artikel 27 verplicht de rechter zich ambtshalve onbevoegd te verklaren, dus de vraag komt hoe dan ook op tafel.
De grens loopt langs wat wordt gevorderd en van wie. Opheffing van de maatregel blijft bij de Nederlandse rechter. Vaststelling van eigendom of van een zakelijk recht op de buitenlandse zaak hoort bij de rechter van de ligging, en de doorhaling van een eigendomsinschrijving ook. Van de wederpartij is nakoming van haar eigen verbintenis te vorderen. Haar opstelling in een buitenlandse procedure blijft buiten het bereik van een Nederlands bevel, zodra een bijzonder verdrag die procedure exclusief aan de buitenlandse rechter toevertrouwt.
Op dat laatste punt koos de Hoge Raad tegen zijn eigen advocaat-generaal. Die keuze reikt verder dan het scheepsbeslag waarin zij werd gemaakt.
Voor de beslaglegger werkt het dezelfde kant op. Wie met Nederlands verlof over de grens beslag legt, kan de schuldenaar niet naar het buitenland verwijzen voor de opheffing. Het verlof en het verweer daartegen blijven bij dezelfde rechter.
Veelgestelde vragen
Mag de Nederlandse rechter een beslag in een andere EU-lidstaat opheffen?
Ja. Het Hof van Justitie besliste op 3 september 2020 dat zo'n kort geding buiten artikel 24 punt 5 Brussel I-bis valt. Het land van tenuitvoerlegging heeft dus geen exclusieve bevoegdheid. Daarmee gelden de gewone regels, en artikel 705 Rv wijst de voorzieningenrechter aan die het verlof gaf.
Wanneer is de rechter van het land waar het onroerend goed ligt exclusief bevoegd?
Wanneer de vordering de eigendom of een zakelijk recht op de zaak vaststelt. Ook de doorhaling van een eigendomsinschrijving valt daaronder, zo besliste het Hof in Schmidt/Schmidt. Berust de vordering op een persoonlijke rechtsverhouding, dan valt zij erbuiten. Dat de zaak in het buitenland ligt is op zichzelf niet genoeg.
Wat gebeurt er als de Nederlandse rechter zich ten onrechte bevoegd acht?
Dan raakt dat de bruikbaarheid van het vonnis over de grens. Schending van artikel 24 is een grond om erkenning in een andere lidstaat te weigeren. Wie zijn vonnis daar nodig heeft, stelt de bevoegdheidsvraag dus zelf aan de orde. Artikel 27 dwingt de rechter er toch al toe.
Aangehaalde rechtspraak
Hof van Justitie van de Europese Unie
- HvJ EU 3 september 2020, C-186/19 (Supreme Site Services/SHAPE) — een kort geding tot opheffing van een in een andere lidstaat ten uitvoer gelegd conservatoir derdenbeslag valt buiten de exclusieve bevoegdheid van artikel 24 punt 5 Brussel I-bis.
- HvJ EU 10 juli 2019, C-722/17 (Reitbauer) — een vordering die strekt tot vaststelling dat een vordering door verrekening is tenietgegaan en dat het zakelijke zekerheidsrecht daarvoor niet kan worden tegengeworpen, valt onder geen van de exclusieve bevoegdheden van artikel 24 punt 1 en punt 5.
- HvJ EU 16 november 2016, C-417/15 (Schmidt/Schmidt) — de vordering tot vernietiging van een schenking van onroerend goed valt buiten artikel 24 punt 1, de vordering tot doorhaling van de eigendomsinschrijving in het kadaster valt eronder.
- HvJ EG 26 maart 1992, C-261/90 (Reichert en Kockler), ECLI:EU:C:1992:149 — de actio pauliana valt buiten de exclusieve bevoegdheidsregel, hoewel de vordering de beschikking over een onroerende zaak treft; aangehaald in Reitbauer.
Conclusies advocaten-generaal
- Conclusie A-G Vlas 21 september 2018, ECLI:NL:PHR:2018:1038 — werpt ambtshalve op of opheffing van een in België gelegd beslag onder artikel 24 punt 5 valt, constateert dat er geen acte clair is en adviseert prejudiciële verwijzing.
- Conclusie A-G Vlas 24 januari 2020, ECLI:NL:PHR:2020:54 — een bevel tot medewerking aan vrijgave van een depot is een minder verstrekkende vordering en doorkruist de rechtsmacht van het beslagforum niet.
- Conclusie A-G Kokott 7 juli 2016, C-417/15 — stelt de tweedeling tussen vernietiging en kadastrale doorhaling voor en wijst op artikel 8 punt 4 om beide vorderingen samen te brengen.
- Conclusie A-G Saugmandsgaard Øe 2 april 2020, C-186/19 — knoopt de vraag of de vordering een burgerlijke of handelszaak is aan de aard van het recht dat met het beslag wordt gewaarborgd.
- Conclusie A-G Tanchev 3 april 2019, C-722/17 — elke aangevoerde grief moet afzonderlijk worden gewogen, en de procedure wordt dus niet als geheel gekwalificeerd.
Hoge Raad
- HR 17 juli 2020, ECLI:NL:HR:2020:1280 — waar het beslagforum exclusieve rechtsmacht heeft, doorkruist een bevel om op straffe van een dwangsom in die procedure een standpunt in te nemen of aan een uitkomst mee te werken die rechtsmacht op onaanvaardbare wijze.
Rechtbanken
- Rb Rotterdam 15 april 2021, ECLI:NL:RBROT:2021:3509 — onbevoegd ten aanzien van buitenlands onroerend goed omdat de eigendom daarvan tussen partijen in geschil is.
- Rb Zeeland-West-Brabant 8 februari 2023, ECLI:NL:RBZWB:2023:768 — bevoegd op grond van artikel 24 voor vorderingen tot beëindiging van mede-eigendom van een in Nederland gelegen woning.