Naar inhoud

Een arbitraal vonnis tegen een staat uitvoeren in Nederland

22 juli 2026Juriaan de Vries

De executiefase: winnen in arbitrage is nog geen betaling

Op 21 juli 2026 hief de voorzieningenrechter Rotterdam het beslag op dat Blasket op een Spaans pand had gelegd voor een arbitraal vonnis van 106 miljoen euro. Winnen in arbitrage is nog geen betaling: de tenuitvoerlegging tegen een staat neemt drie hordes, die van betekening, van immuniteit van executie en van staatssteun. Verhaal slaagt uiteindelijk alleen op vermogen met een aantoonbaar commerciële bestemming, of via een onderneming die als alter ego van de staat geldt.

Beslag op pand Instituto Cervantes gaat van tafel

De zaak draait om ECLI:NL:RBROT:2026:8903 en om een pand in Utrecht dat in gebruik is bij het Instituto Cervantes, het culturele instituut van het Koninkrijk Spanje.

De achtergrond. De Japanse investeerder Eurus Energy Holdings had Spanje bij het ICSID aangesproken wegens de versobering, met terugwerkende kracht, van een subsidieregeling voor hernieuwbare energie. Het scheidsgerecht veroordeelde Spanje bij eindvonnis van 14 november 2022 tot betaling van 106,2 miljoen euro, vermeerderd met kosten en rente, wegens schending van de eerlijke en billijke behandeling uit artikel 10 van het Energiehandvest. Spanje kreeg het vonnis niet vernietigd: een verzoek daartoe werd op 31 juli 2025 afgewezen.

Eurus verkocht haar vordering vervolgens aan Blasket Renewable Investments, een in Delaware gevestigd vehikel dat arbitrale vonnissen tegen Spanje opkoopt. Blasket vroeg de Haagse voorzieningenrechter ex parte om erkenning en verlof tot tenuitvoerlegging, kreeg dat op 19 maart 2026, en liet op 24 april 2026 beslag leggen op het pand. Daar liep het mis. De uitspraak laat zien dat de executiefase in Nederland een eigen discipline is, met eigen valkuilen die de arbitragecounsel doorgaans niet bedient.

De eerste horde: een gebrekkige betekening maakt de executie nietig

De executie staat of valt met een vormvoorschrift. Artikel 430 lid 3 Rv bepaalt dat de grosse van een beschikking pas ten uitvoer kan worden gelegd na betekening aan de partij tegen wie de executie zich richt. Die grosse, de in executoriale vorm uitgegeven titel, is de kapstok waaraan de hele tenuitvoerlegging hangt.

Blasket had die grosse niet betekend. Wat aan Spanje was uitgereikt, was een Engelse vertaling van de verlofbeschikking waarop een kopie van de grossestempel, en zelfs kopieën van de handtekeningen van de rechter en de griffier, waren geplakt. De voorzieningenrechter noemde het een knip- en plakwerkje: geen officiële grosse, want niet door een beëdigd vertaler gemaakt en geen gewaarmerkt afschrift van de uitspraak. Daarmee was niet voldaan aan artikel 430 Rv en was de tenuitvoerlegging nietig.

Het beroep van Blasket op deformalisering ging niet op. De verlofbeschikking was ex parte gegeven, dus zonder dat Spanje was gehoord. Juist dan schaadt het achterwege laten van een deugdelijke betekening het belang van de geëxecuteerde. Daar kwam een tweede fout bij: de deurwaarder had op grond van artikel 3a Gerechtsdeurwaarderswet de minister moeten waarschuwen zodra hij rekening moest houden met strijd met de volkenrechtelijke verplichtingen van de Staat. Die melding kwam pas op het moment van de beslaglegging zelf, te laat. Diezelfde route, waarin de deurwaarder de minister inlicht, kan op zichzelf al tot opheffing leiden: bij derdenbeslagen ten laste van Albanië gebeurde dat omdat niet vaststond dat de beslagen goederen een niet-publieke bestemming hadden (ECLI:NL:RBDHA:2021:534).

De tweede horde: immuniteit maakt staatsbezit in beginsel onaantastbaar

Los van de betekening stuitte het beslag op immuniteit van executie. Uitgangspunt van internationaal gewoonterecht is dat eigendommen van vreemde staten niet vatbaar zijn voor beslag, tenzij vaststaat dat zij een niet-publieke bestemming hebben. Dat volgt uit artikel 19 van het VN-Verdrag inzake staatsimmuniteit en uit het Samruk-arrest van de Hoge Raad, ECLI:NL:HR:2020:2103.

De Hoge Raad legde de bewijslast bij de schuldeiser: die moet gegevens aandragen waaruit blijkt dat de goederen voor andere dan publieke doeleinden worden gebruikt. En, cruciaal, het gaat niet alleen om de onmiddellijke bestemming van het goed. Ook wanneer de opbrengst van commerciële activiteiten uiteindelijk terugvloeit naar een publieke taak, deelt het goed in de immuniteit.

Precies daarop liep Blasket vast. Het pand is bij Spaanse wet toegewezen aan het Instituto Cervantes, een publiekrechtelijke instelling zonder winstoogmerk die de Spaanse taal en cultuur bevordert. Dat het pand ook wordt verhuurd voor concerten, wijnproeverijen en commerciële taalcursussen maakt dat niet anders: de opbrengsten komen ten goede aan de publieke taak van Cervantes.

Hoe zwaar die bewijslast weegt, laat de Syrische zaak ECLI:NL:GHAMS:2017:3729 zien. Een schuldeiser wilde beslag leggen op tegoeden van een Syrische staatsbank bij ABN AMRO en ING en stelde dat die gelden een commerciële bestemming hadden. Het hof weigerde het verlof: de bank verrichtte ook publieke taken, zoals de inning van belastinggeld, zodat sprake was van gemengd gebruik. Wie niet kan aantonen welk deel niet-publiek is, krijgt geen beslag. Datzelfde overkwam schuldeisers van Kazachstan: het beslag op tegoeden van de Nationale Bank van Kazachstan werd opgeheven (ECLI:NL:RBAMS:2021:3201), omdat centralebanktegoeden bij uitstek een publieke bestemming hebben.

De keerzijde van diezelfde immuniteit is dat zij geen absolute muur is. Zodra vaststaat dat vermogen een zuiver commerciële bestemming heeft, valt het buiten de bescherming. In de zaak Instrubel tegen Irak, ECLI:NL:GHAMS:2018:2736, was Irak in een ICC-arbitrage veroordeeld tot betaling van ruim 38 miljoen euro. De schuldeiser legde derdenbeslag op vorderingen die voortkwamen uit olieproductiecontracten. De minister zegde de deurwaarder aan dat de beslagen in strijd waren met het volkenrecht, maar het hof zette die aanzegging opzij: de opbrengsten uit de commerciële oliecontracten hadden een niet-publieke bestemming en waren dus vatbaar voor beslag.

Een tweede route loopt via het vermogen van staatsondernemingen. Een staat kan zich in beginsel achter de zelfstandigheid van zijn vennootschappen verschuilen, maar niet altijd: in het Samruk-arrest oordeelde de Hoge Raad dat een staatsvehikel misbruik kan maken van dat identiteitsverschil, zodat de vereenzelviging tussen staat en onderneming de deur naar verhaal kan openen.

De derde horde: staatssteun blokkeert de betaling bij een EU-lidstaat

Bij een EU-lidstaat komt een obstakel bij dat het gevecht verplaatst naar het Europese recht. Spanje had de betalingsverplichting uit het vonnis in december 2022 bij de Europese Commissie aangemeld als steunmaatregel. De Commissie had al in 2017 geoordeeld dat een in arbitrage toegekende schadevergoeding wegens de wijziging van die subsidieregeling staatssteun vormt, en heeft over deze aanmelding nog niet finaal beslist.

De achterliggende gedachte is dat het uitbetalen van zo'n vonnis het economische voordeel van de afgeschafte regeling herstelt: wie de veroordeling nakomt, verleent daarmee in feite opnieuw de steun die is ingetrokken. Het Hof van Justitie bevestigde in de Micula-zaak dat de Commissie bevoegd is die betaling aan het staatssteuntoezicht te onderwerpen (HvJ EU 25 januari 2022, C-638/19 P, Commissie/European Food, Micula). Dat toezicht dient juist om echte schadevergoeding, die op zichzelf geen staatssteun is (HvJ EG 27 september 1988, gevoegde zaken 106-120/87, Asteris), te onderscheiden van een als schadevergoeding vormgegeven betaling die in wezen de ingetrokken subsidie herstelt. Voor investeerders uit een andere EU-lidstaat komt daar een tweede complicatie bij, omdat het Hof oordeelde dat intra-EU-arbitrage onder het Energiehandvest zich niet met het Unierecht verdraagt (HvJ EU 2 september 2021, C-741/19, Komstroy, in het verlengde van Achmea). Voor de Japanse investeerder Eurus speelt die intra-EU-complicatie niet, maar de staatssteunhorde blijft onverkort staan.

Zolang dat besluit uitblijft, geldt de standstill-verplichting van artikel 108 lid 3 VWEU: de lidstaat mag de gemelde steun niet uitkeren. De Commissie trad in het kort geding op als amicus curiae. De voorzieningenrechter hief het beslag uiteindelijk op wegens de nietige betekening en de immuniteit, maar liet er geen misverstand over bestaan dat het staatssteunrecht ertoe doet: het is bepaald niet uitgesloten dat het VWEU voorrang heeft en dat Spanje niet aan het vonnis mag voldoen.

Dat is geen incident. In twee uitspraken in dezelfde Amsterdamse zaak over dezelfde Spaanse regeling, ECLI:NL:RBAMS:2025:732 en ECLI:NL:RBAMS:2024:3156, hadden de investeerders AES en AEF hun vonnis eveneens aan Blasket overgedragen, en ook daar stond de vraag centraal of nakoming verboden staatssteun oplevert.

Wat betekent dit voor wie verhaal zoekt op een staat?

Nederland is een aantrekkelijk forum voor verhaal: er is veel staatsvermogen, er ligt een uitgewerkte lijn over immuniteit van executie sinds de arresten MSI/Gabon en Samruk, en Den Haag is een arbitragehub. Maar winnen en betaald krijgen zijn twee afzonderlijke trajecten.

De drie hordes bepalen de route. Betekening is een geldigheidsvereiste, geen formaliteit: een gebrekkige of geïmproviseerde grosse maakt de hele executie nietig. Richt het beslag op vermogen met een aantoonbaar commerciële bestemming, of op een onderneming die als alter ego van de staat kan gelden, want op de schuldeiser rust de bewijslast om de immuniteit te doorbreken. En breng bij een EU-lidstaat het staatssteunrecht in kaart: een standstill kan de betaling jaren blokkeren, ook als het vonnis onherroepelijk is.

Veelgestelde vragen

Kun je een ICSID-vonnis zonder meer in Nederland ten uitvoer leggen?

Nee. Op grond van artikel 54 van het ICSID-verdrag en de Nederlandse uitvoeringswet is eerst erkenning en verlof tot tenuitvoerlegging nodig. Daarna moet de grosse van dat verlof volgens artikel 430 Rv worden betekend aan de staat voordat beslag mag volgen. Een gebrek in die betekening maakt de executie nietig.

Geldt immuniteit van executie voor al het staatsbezit?

Nee, maar het uitgangspunt is immuniteit. Beslag is alleen mogelijk op goederen waarvan vaststaat dat zij een niet-publieke bestemming hebben. De bewijslast ligt bij de schuldeiser. Volgens het Samruk-arrest telt daarbij niet alleen het directe gebruik: ook goederen waarvan de opbrengst terugvloeit naar een publieke taak blijven beschermd.

Kan een schuldeiser een staat dwingen verhaalsvatbare goederen aan te wijzen?

In beginsel niet. In de Blasket-zaak verklaarde de rechter zich onbevoegd over die tegenvordering wegens immuniteit van rechtsmacht. Een staat geniet die immuniteit ook tegenover een eis in reconventie, tenzij die uit dezelfde rechtsverhouding voortvloeit. Het aanwijzen van verhaalsobjecten valt daar niet onder.

Aangehaalde rechtspraak

Hoge Raad
- ECLI:NL:HR:2020:2103 (Samruk / Kazachstan): maatstaf immuniteit van executie
- ECLI:NL:HR:2016:2236 (MSI / Gabon en Staat)
Gerechtshoven
- ECLI:NL:GHAMS:2018:2736: Instrubel / Irak, beslag op commerciële olie-opbrengsten
- ECLI:NL:GHAMS:2017:3729: Syrische staatsbank, verlof geweigerd wegens gemengd gebruik
Rechtbanken
- ECLI:NL:RBROT:2026:8903: Blasket / Spanje (de besproken uitspraak)
- ECLI:NL:RBAMS:2025:732 en ECLI:NL:RBAMS:2024:3156: Spanje, staatssteun bij nakoming arbitraal vonnis
- ECLI:NL:RBAMS:2021:3201: beslag op tegoeden Nationale Bank van Kazachstan opgeheven
- ECLI:NL:RBDHA:2021:534: deurwaarderskortgeding, derdenbeslagen tegen Albanië
Hof van Justitie van de EU
- C-638/19 P, ECLI:EU:C:2022:50 (Commissie/European Food, Micula): de Commissie is bevoegd te toetsen of de uitbetaling van een arbitraal vonnis dat ingetrokken steun herstelt, staatssteun vormt
- C-741/19, ECLI:EU:C:2021:655 (Komstroy): intra-EU-arbitrage onder het Energiehandvest onverenigbaar met het Unierecht
- C-284/16, ECLI:EU:C:2018:158 (Achmea): arbitragebeding in een intra-EU-BIT onverenigbaar met het Unierecht
- gevoegde zaken 106-120/87, ECLI:EU:C:1988:457 (Asteris): schadevergoeding voor door de overheid veroorzaakte schade is op zichzelf geen staatssteun

Lees ook