Inleiding
Er ligt een vonnis en de deurwaarder legt derdenbeslag op het salaris van de schuldenaar. Vier weken later komt de verklaring binnen van de vennootschap waar hij werkt: niets verschuldigd, geen arbeidsovereenkomst, geen rechtsverhouding. Die vennootschap is zijn eigen holding, en hij is er bestuurder en enig aandeelhouder.
Voor die situatie bestaat artikel 479a Rv. Werkt de schuldenaar om niet of tegen een onevenredig lage vergoeding geregeld voor een derde? En is dat werk van een soort dat gewoonlijk alleen tegen betaling wordt gedaan? Dan wordt ten behoeve van de schuldeiser aangenomen dat daarvoor een redelijke vergoeding verschuldigd is. De rechter stelt die vergoeding vast en het beslag treft haar.
Wat de derde moet verklaren
De derde-beslagene moet volgens artikel 476a lid 2 Rv een met redenen omklede opgave doen van wat hij aan de geëxecuteerde verschuldigd is of uit een reeds bestaande rechtsverhouding zal worden. Daarbij horen de aard en het beloop van de getroffen vorderingen, en verder alle gegevens die dienstig zijn om de rechten van partijen vast te stellen. Die opgave is dus een informatieplicht, en daarop draait de rest van de procedure.
Bij een vennootschap van de schuldenaar zelf komt daar in de praktijk weinig van terecht. In de zaak van de Gemeente Rotterdam, waarin voor € 965.530,52 beslag lag, verschafte de derde geen inzicht in de door de schuldenaar gedeclareerde uren; de facturen en de betaalbewijzen ontbraken en werden ook niet overgelegd. Bij Madiba bleef het modelformulier ongebruikt en werd de korte verklaring die wel werd afgelegd nagenoeg niet van bewijsstukken voorzien, ondanks verzoeken daartoe en toezeggingen ter zitting.
Het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden somde in die laatste zaak op wat er had moeten liggen. Stukken die konden wijzen op nulaangiftes of teruggaven. De leningsovereenkomst waarnaar was verwezen voor de opnames voor levensonderhoud. En jaarstukken of andere boekhoudkundige bescheiden, al dan niet in concept. Die opsomming werkt als checklist, omdat zij laat zien welke stukken een rechter in dit type zaak verwacht.
Wat de deurwaarder vooraf kan opvragen
Voordat het exploot uitgaat, kan de deurwaarder zelf informatie opvragen. De schuldenaar moet op grond van artikel 475g lid 1 Rv desgevraagd zijn bronnen van inkomsten opgeven. Lid 2 gaat verder en geeft de deurwaarder de bevoegdheid ieder van wie hij vermoedt dat die periodieke betalingen aan de schuldenaar verricht te vragen of dat zo is, met een schriftelijke antwoordplicht voor de aangesprokene. Lid 3 schrijft voor wat dat antwoord bevat: de termijn en de omvang van de betalingen na de wettelijke inhoudingen, reeds gelegde beslagen en lopende verrekeningen. Daarnaast verstrekt het UWV op grond van artikel 475ga Rv op verzoek van de deurwaarder gegevens uit de polisadministratie over de aard van de periodieke inkomsten en de identiteit van degene die betaalt.
In de 37 uitspraken die in de centrale index naar artikel 479a Rv verwijzen, speelt die route een kleine rol: zeven raken artikel 475g Rv of de polisadministratie, tegen dertig die draaien op het bewijs binnen de procedure. Daar zijn twee redenen voor. Een DGA kan op de loonlijst staan zonder dat er stukken naar het UWV gaan, zoals bleek in een zaak bij de Rechtbank Overijssel uit maart 2026 waarop hierna vaker wordt teruggegrepen, zodat een lege uitkomst bij het UWV weinig zegt. En de informatieplicht van de schuldenaar in artikel 475g lid 1 Rv kent geen sanctie die hem tot spreken dwingt.
De jaarrekening bij de Kamer van Koophandel is daarom het bruikbaarste openbare stuk. Uit de jaarrekening over 2024 van Torque, het advocatenkantoor dat in die zaak de derde-beslagene was, bleek dat de salarissen en sociale lasten € 37.461 bedroegen. De directeur was op dat moment de enige werknemer. Uit dezelfde stukken kwam het gereserveerde dividend naar boven. In een Rotterdamse zaak tegen een web van holdings werd per vennootschap uit de statutaire doelstelling, het aantal werknemers volgens het handelsregister en de jaarstukken opgebouwd dat de bestuurder werk verrichtte waarvoor nooit een vergoeding was toegekend.
Voor stukken die alleen de derde heeft, werd tot voor kort artikel 843a Rv ingezet, zoals in twee Rotterdamse verklaringsprocedures gebeurde naast artikel 22 Rv. Dat artikel is per 1 januari 2025 vervallen en vervangen door de regeling van artikel 194 Rv en volgende. Die regeling stelt een eis die hier knelt: het recht op inzage komt toe aan een partij bij de rechtsbetrekking waarover de gegevens gaan, en tegenover de vennootschappen van zijn schuldenaar is de beslaglegger dat niet. Buiten de procedure komt de schuldeiser dus niet verder dan wat openbaar is. Daarom wordt dit vrijwel altijd in de verklaringsprocedure uitgevochten.
Artikel 479a Rv: een redelijke vergoeding wordt aangenomen
Daarmee verandert wat de schuldeiser moet aantonen. Het gaat niet meer om het bestaan van een vordering, maar om de vraag of er werk wordt verricht waarvoor gewoonlijk wordt betaald. Het Gerechtshof Den Haag verwoordde dat in de zaak tegen Berley International kort samen. Ook wanneer vaststaat dat de schuldenaar niets betaald heeft gekregen en niets te vorderen heeft, wordt ten behoeve van de beslaglegger aangenomen dat een redelijke vergoeding verschuldigd is. Dat er nooit salaris of een andere vergoeding is betaald, achtte het hof daarbij irrelevant. Daarmee verliest het antwoord waarop de derde zich beroept zijn beslissende karakter.
De fictie werkt uitsluitend in de verhouding tot de beslagleggende schuldeiser. Tussen de derde en de schuldenaar verandert er niets, en er ontstaat geen aanspraak die de schuldenaar zelf kan innen. Dat heeft een gevolg dat in verweren stelselmatig wordt gemist: omdat de vordering pas in de procedure en alleen ten behoeve van de schuldeiser wordt aangenomen, bestaat zij daarvoor niet en kan zij dus ook niet verjaren. Het Gerecht in Eerste Aanleg van Aruba wees op die grond het verjaringsverweer af in de zaak van het Land tegen Kalatinchi, waarin een fictieve vergoeding werd gevorderd voor werk vanaf 2005.
Het bereik in de tijd loopt bovendien terug tot vóór de beslaglegging. Het Gerecht leidde uit een arrest van de Hoge Raad van 27 juni 1997 (NJ 1997/650) af dat het derdenbeslag zich mede uitstrekt tot de in artikel 479a Rv bedoelde vergoedingen voor werkzaamheden die vóór het beslag zijn verricht. Verschillende rechtbanken nemen dat inmiddels in hun standaardkader op met de toevoeging "of vóór het beslag verrichtte", zoals de Rechtbank Rotterdam deed in de Rotterdamse zaak en in die van Emoov.
Wat de schuldeiser moet stellen en bewijzen
De fictie verlicht de bewijslast en neemt hem niet weg. Het Gerechtshof 's-Hertogenbosch stelde in de langlopende zaak over een uitvinder en ondernemer voorop dat het aan de beslagleggers is te bewijzen dat de schuldenaar een vordering, eventueel een 479a-vordering, op de derde heeft. Daar liep de zaak op stuk: dat de schuldenaar af en toe "even de loods in banjerde", soms de telefoon opnam en een enkele keer inviel voor de bestuurder, levert geen in geld waardeerbare prestatie op. Het gevoel van een van de beslagleggers dat de vader veel meer voor de onderneming had gedaan dan hij wilde voorkomen, was niet van voldoende feitelijke onderbouwing voorzien. Het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden wees om vergelijkbare redenen een beroep op de fictie af in 2023. Daar staat ook de verdeling die in al deze zaken terugkomt: de beslaglegger stelt en bewijst, en op de derde rust een verzwaarde motiveringsplicht bij zijn betwisting.
Wat gesteld moet worden verschilt per route. Gaat het om werk om niet, dan zijn de aard en de omvang van de werkzaamheden het strijdpunt. In de Berley-zaak bleek uit getuigenverklaringen dat de schuldenaar voorafgaand aan, tijdens en na de beslaglegging wekelijks feitelijk leiding gaf aan de onderneming en fiscale adviezen aan klanten verstrekte, zonder ooit op de loonlijst te hebben gestaan. Het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden beoordeelde in een verzoek tot faillietverklaring de onbezoldigde werkzaamheden van een gepensioneerde bestuurder die met de Belastingdienst onderhandelde over verrekening van herwaarderingsreserves. Zijn verweer was dat alleen hij dat werk kon doen, omdat niemand anders de materie beheerste. Het hof zag daarin een reden te meer om een vergoeding aan te nemen.
Gaat het om een vergoeding die te laag is, dan moet de schuldeiser stellen en onderbouwen dát het betaalde bedrag onevenredig laag is. De Rechtbank Gelderland stelde in 2015 de maandelijkse vergoeding vast op wat de vennootschap onder firma feitelijk had uitgekeerd: € 3.500 tot en met februari 2015 en € 2.500 daarna. De reden was dat de schuldeiser had nagelaten te stellen dat € 2.500 onevenredig laag was voor het werk dat werd verricht. Waar die stelling wel wordt ingevuld, slaagt zij: bij Xena Holding was € 434,39 bruto per maand onevenredig laag voor een landelijk bekende kunstenaar in dienst van de vennootschap van zijn mecenas. In een zaak van een curator tegen de praktijkvennootschap van een fysiotherapeut stond een salaris van € 1.727,26 bruto tegenover een marktbeeld van € 3.737 tot € 4.268.
Lid 2 bepaalt welke omstandigheden in het bijzonder meewegen: de aard van het werk, de betrekkingen van verwantschap of van andere aard tussen de schuldenaar en de derde, en de financiële draagkracht van de derde. Die tweede factor benoemt waarom de vergoeding buiten het zicht kon blijven. Het Gerechtshof Amsterdam formuleerde dat in de zaak van Boekel tegen de STAK onomwonden. De betrekking tussen de schuldenaar en de stichting maakte het mogelijk de vergoeding buiten de boeken te houden, en daarmee buiten het zicht van zijn schuldeisers. Dat is precies de situatie waarvoor de bepaling is bedoeld. Diezelfde factor kan de derde ook helpen: bij Vanhommerig Holding waren schuldenaar en derde levenspartners, wat volgens het hof kritische toetsing vergde, waarna die toets uitwees dat de schuldenaar als monteur en verkoper verdiende wat hem toekwam.
Wat er gebeurt als de derde zijn verklaring niet onderbouwt
Daar staat een zware plicht van de derde tegenover. Hij is gehouden zijn verklaring zoveel mogelijk te staven met gegevens en bescheiden, een regel die de rechtspraak ontleent aan het arrest van de Hoge Raad van 13 februari 2009. Het gevolg van verzuim staat in artikel 477a lid 1 Rv: wie in gebreke blijft verklaring te doen, wordt veroordeeld tot betaling van het volledige bedrag waarvoor beslag is gelegd, als ware hij daarvan zelf schuldenaar. In de zaak van Boekel tegen de STAK gebeurde dat bij verstekvonnis van 1 februari 2017 voor € 84.559. De stichting kwam in verzet en legde diezelfde dag alsnog haar verklaring af. De schuldeiser vulde zijn grondslag daarna aan met een beroep op artikel 479a Rv.
Wat dat betekent, bleek in de Rotterdamse zaak. De derde had alleen haar eigen tegenvordering onderbouwd en liet de facturen van de schuldenaar aan haar ongenoemd. De rechtbank stelde haar verklaring gelijk met het achterwege laten daarvan en veroordeelde haar tot betaling van het volledige beslagbedrag van € 965.530,52, als ware zij zelf schuldenaar.
In de Move4U-zaak paste de Rechtbank Rotterdam die sanctie in een keten toe: drie vennootschappen werden ieder veroordeeld tot betaling van het bedrag waarvoor onder haar beslag lag, telkens ten laste van de partij boven haar in de structuur.
Die sanctie reikt verder dan het geheel uitblijven van een verklaring. Een in rechte afgelegde verklaring die niet aan de eisen van artikel 476a lid 2 Rv voldoet, kan in haar gevolgen worden gelijkgesteld met het geval dat er helemaal geen verklaring is afgelegd. Zo vatte de Rechtbank Rotterdam de vaste rechtspraak samen. Waar de grens ligt, maakte de Rechtbank Overijssel in 2026 duidelijk. Torque had loonaangifte, jaarrekening en aangifte inkomstenbelasting overgelegd. Dat was genoeg om die gelijkstelling af te wenden, ook al ontbraken de gevraagde loonaangiftes over acht maanden en de daadwerkelijke loonbetalingen. Stukken die het opgegeven inkomen daadwerkelijk raken zijn dus genoeg, een kale mededeling is dat niet. Daarbij geldt een voorwaarde die in de hoofdregel niet staat: de derde moet in de gelegenheid worden gesteld zijn verklaring te wijzigen of aan te vullen, en of gelijkstelling volgt hangt af van alle omstandigheden van het geval.
Is er een verklaring, dan geldt de betwistingsprocedure van artikel 477a lid 2 Rv, met een dagvaardingstermijn van twee maanden na de verklaring waarvan overschrijding de bevoegdheid doet vervallen. In die procedure moet de rechter vaststellen of de verklaring juist is, en daarbij ook de feiten en omstandigheden betrekken die inmiddels zijn gebleken. De Hoge Raad casseerde op 12 april 2024 een arrest waarin het hof zich had beperkt tot de vraag of de derdenverklaring aanvankelijk te goeder trouw kon worden afgelegd. Daarbij overwoog de Hoge Raad dat de artikelen 475 tot en met 479a Rv en hun Caribische tegenhangers wegens het concordantiebeginsel in dezelfde zin moeten worden uitgelegd. Stukken die pas tijdens de procedure boven komen, kan de schuldeiser dus alsnog tegen de verklaring inzetten.
De rechter kan die stukken binnen de procedure ook afdwingen. In de Overijsselse zaak werd de vennootschap bij tussenvonnis in de gelegenheid gesteld haar verklaring te staven met stukken waaruit het maandinkomen volgt. Daarna moest zij het loon over 2023 onderbouwen met loonstroken en overboekingen, uitdrukkelijk omdat alleen zij over die informatie beschikt. De vaststelling kan ook langs andere wegen: het Gerechtshof 's-Hertogenbosch behandelde een vordering tot vaststelling van een redelijke vergoeding in kort geding, en bij conservatoir beslag verklaart artikel 720 Rv dezelfde bepalingen van overeenkomstige toepassing. Levert de veroordeling op grond van artikel 477a lid 1 Rv al meer op dan de fictie zou kunnen opleveren, dan ontbreekt het belang bij de 479a-vordering, zoals de Rechtbank Midden-Nederland in 2017 besliste bij een toewijzing van € 66.861,08.
Hoe de rechter de hoogte bepaalt
Voor de hoogte gebruikt de rechter vervangende maatstaven, om dezelfde reden: de echte cijfers liggen bij de derde. De gebruikelijkloonregeling van artikel 12a Wet op de loonbelasting 1964 is de meest gebruikte. Het Gerechtshof Den Haag stelde de vergoeding in de Berley-zaak vast op het gebruikelijke DGA-salaris dat de Belastingdienst voor 2014 hanteerde: € 44.000 bruto per jaar. Het hof koos het brutobedrag omdat de vergoeding fictief wordt vastgesteld en de schuldenaar niet op de loonlijst stond. In de zaak van Move4U tegen een web van holdings en een stichting administratiekantoor werd per vennootschap € 3.750 per maand gevorderd, gerekend vanaf de oprichting van elke entiteit. Tot die vaststelling kwam de rechtbank daar niet: zij veroordeelde de derden op grond van artikel 477a lid 1 Rv tot het volledige beslagbedrag en wees het meer gevorderde af. Het Madiba-arrest noemt artikel 479a Rv en de fiscale regeling in één adem als twee zelfstandige gronden waarop een DGA geacht kan worden een redelijke vergoeding te ontvangen.
Waar een collectieve arbeidsovereenkomst het werk beschrijft, wordt daaraan getoetst. In de Vanhommerig-zaak liep de vordering stuk op het functiegebouw van de CAO Metaal en Techniek 2017. Salarisgroep 8 was voorbehouden aan bedrijfsleiding en aan advies zonwering en rolluiken. Montage kwam niet verder dan functiegroep 6, en montage was wat de schuldenaar overwegend deed. Bij de fysiotherapeut kwam het marktbeeld uit een openbare salarisvergelijking. Voor de hoogte sloot de curator aan bij het inkomen dat de bestuurder in 2012 daadwerkelijk had ontvangen, € 47.004. Na aftrek van het feitelijk uitbetaalde salaris leverde dat een vordering van € 73.648,20 op.
Bij een salarisverlaging rond de beslaglegging is het loon van het jaar ervoor de natuurlijke maatstaf. Torque bracht het loon van zijn directeur en enig aandeelhouder in de loop van 2024 terug tot het minimale DGA-loon van € 3.121,77 bruto per maand. Na belasting, sociale lasten en beslagvrije voet bleef daarvan € 32,33 per maand voor de beslaglegger over. De rechtbank stelde vast dat de werkzaamheden onveranderd doorliepen, en dat er bedrijfseconomisch geen aanleiding voor de verlaging bestond. De directeur bleef grotendeels via de vennootschap in zijn levensonderhoud voorzien, mede uit inkomen uit aanmerkelijk belang en een in de jaarrekening gereserveerd dividend van € 150.000. Voor de periode vanaf september 2024 zocht zij aansluiting bij het loon over 2023.
De vastgestelde vergoeding wordt begrensd door de vordering waarvoor beslag ligt. Bij een krantenbezorgster die volgens haar eigen verklaringen in een eerdere schuldsaneringsprocedure werkzaamheden verrichtte voor de derde, bepaalde de kantonrechter de redelijke vergoeding op € 330 netto per maand. De maandelijkse afdrachten maximeerde hij op € 64.189,22, het beloop van de vordering. Het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden liet dat in hoger beroep in stand. Diezelfde zaak laat zien waar bewijs vandaan kan komen wanneer de derde zwijgt: uit wat de schuldenaar zelf in een andere procedure heeft verklaard.
Wanneer artikel 479a Rv niet opgaat
De fictie werkt alleen tegen de partij voor wie de schuldenaar het werk verricht, en dan uitsluitend wanneer onder díe partij beslag is gelegd. De Rechtbank Noord-Holland wees een beroep op artikel 479a Rv in 2017 af omdat het beslag onder de Sociale Verzekeringsbank lag en niet onder de vennootschap waarvoor de schuldenaar in een dierenwinkel werkzaamheden zou verrichten. Wie de fictie tegen een holding of een werkmaatschappij wil inroepen, legt daar dus ook daadwerkelijk beslag.
Daarbij komt de begrenzing van artikel 475 lid 1 Rv: het beslag treft vorderingen die de geëxecuteerde op de derde heeft of uit een ten tijde van het beslag reeds bestaande rechtsverhouding rechtstreeks zal verkrijgen. Verhuist de schuldenaar naar de loonlijst van een andere entiteit, dan is voor die entiteit een nieuw exploot nodig. De aanspraak op de oude entiteit vervalt daarmee niet zonder meer. In de Overijsselse zaak trad de directeur per 1 juli 2025 uit dienst bij de werkmaatschappij en in dienst bij de holding. De rechtbank liet partijen zich uitlaten over de aard en omvang van het werk dat hij daarna nog voor de werkmaatschappij verrichtte.
Een verweer dat de derde pleegt te voeren, is dat de executie op losse schroeven staat. Dat helpt hem zelden. Het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden oordeelde in de Vanhommerig-zaak dat een voorlopige vernietiging van de executoriale titel in de procedure tussen schuldenaar en schuldeiser hier geen effect had. De Rechtbank Midden-Nederland overwoog dat voor misbruik van recht meer nodig is dan de stelling dat het vonnis onjuist is. Executie van een vonnis dat nog niet in kracht van gewijsde is gegaan, gebeurt altijd op eigen risico van de executant.
Ten slotte begrenst de beslagvrije voet het resultaat, ook bij een fictief vastgestelde vergoeding, en treft loonbeslag alleen loon. Dividenduitkeringen vielen in de Overijsselse zaak buiten het gelegde derdenbeslag, terwijl de directeur zijn levensstandaard juist via dividend en aanmerkelijk belang op peil hield. Een schuldeiser die alleen op loon beslaat, laat die tweede geldstroom lopen.
De curator en het faillissement
In faillissement verschuift het informatieprobleem. De gefailleerde is op grond van artikel 105 Fw verplicht de curator alle inlichtingen te verschaffen die van hem worden verlangd. Hij moet de curator bovendien uit zichzelf inlichten over feiten waarvan hij weet of behoort te weten dat zij voor de omvang, het beheer of de vereffening van de boedel van belang zijn. Op verzuim staat hier een reële sanctie: artikel 87 Fw maakt inbewaringstelling mogelijk wegens het niet nakomen van die verplichtingen of wegens gegronde vrees daarvoor.
De bevoegdheid van artikel 479a Rv komt in faillissement toe aan de curator, ten behoeve van de boedel. De voorzieningenrechter van de Rechtbank Gelderland verwierp het betoog dat een curator dat recht niet zou hebben, onder verwijzing naar een arrest van de Hoge Raad van 8 november 1963 (NJ 1964/144). De conservatoire beslagen die de curator onder een bank, zeventien zorgverzekeraars en factoringmaatschappijen had gelegd, bleven in stand. Naast de fictieve vergoeding vorderde die curator € 33.312,84 aan loon dat de vennootschap na de faillissementsdatum aan de bestuurder had betaald, in weerwil van het faillissementsbeslag. Dat was boven het vrij te laten bedrag van € 1.417,11 per maand dat de rechter-commissaris had vastgesteld. Inkomen dat de gefailleerde tijdens zijn faillissement verwerft valt op grond van artikel 20 Fw in de boedel, behoudens voor zover de rechter-commissaris anders bepaalt.
Voor een schuldeiser die een faillissementsaanvraag overweegt, is de fictie ook langs een andere as van belang. Het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden zag in de onbezoldigde werkzaamheden van de bestuurder juist het zicht op actief dat een faillissement rechtvaardigt: vorderingen op de vennootschappen waarvan hij bestuurder was. Dat de curator die vordering nog niet had ingesteld, kan de verzoekende schuldeiser niet worden tegengeworpen. De 479a-vordering kan bovendien worden overgedragen: in de zaak die leidde tot het arrest van de Hoge Raad van 3 juli 2026 had een curator zijn vorderingen op een vennootschap bij akte gecedeerd, wegens door de bestuurder verrichte werkzaamheden en uitdrukkelijk ook die op grond van artikel 479a Rv. Het cassatiegeding ging over het bepaaldheidsvereiste bij die cessie.
Wat betekent dit voor de praktijk?
Voor de schuldeiser is de winst van artikel 479a Rv dat hij niet hoeft te bewijzen wat hij niet kan zien. Bouw de dagvaarding daarom op het werk en niet op de beloning: aard, omvang en regelmaat van wat de schuldenaar feitelijk doet, onderbouwd met wat openbaar is en met wat hij elders over zichzelf heeft verklaard. Dagvaard primair op grond van artikel 477a lid 1 Rv wanneer de verklaring ontbreekt of kaal is, en subsidiair op grond van artikel 477a lid 2 Rv in samenhang met artikel 479a Rv. Reken vanaf de verklaring twee maanden, want daarna is de bevoegdheid om te betwisten vervallen. Leg beslag onder elke entiteit waarvoor de schuldenaar feitelijk werkt, want de fictie werkt alleen daar.
Voor de derde-beslagene bepaalt de verklaring het procesrisico. Een mededeling dat niets verschuldigd is, zonder loonstroken, loonaangiftes, jaarstukken of overboekingen, loopt het risico te worden gelijkgesteld met het geheel niet afleggen van een verklaring, met een veroordeling voor het volledige beslagbedrag als gevolg. Gebruik het modelformulier, en voeg de stukken toe die het opgegeven inkomen daadwerkelijk raken.
Voor de schuldenaar die zijn beloning via een eigen vennootschap laat lopen, is de uitkomst van deze rechtspraak dat de vormgeving weinig oplevert wanneer het werk zichtbaar doorloopt. Een verlaging naar het minimale DGA-loon rond het moment van beslaglegging vraagt om een bedrijfseconomische verklaring die uit de eigen jaarrekening blijkt. En een overstap naar de loonlijst van de holding maakt de werkmaatschappij nog niet vrij. Dat de vergoeding nooit is betaald en nooit is geboekt, is voor de toepassing van de fictie het uitgangspunt en geen verweer.
Veelgestelde vragen
Kan er beslag worden gelegd op loon als er geen arbeidsovereenkomst is?
Ja. Artikel 479a Rv bepaalt dat ten behoeve van de schuldeiser een redelijke vergoeding verschuldigd wordt geacht wanneer de schuldenaar om niet of tegen een onevenredig lage vergoeding geregeld werkzaamheden verricht voor een derde, en die werkzaamheden naar aard en omvang gewoonlijk slechts tegen betaling worden verricht. De rechter stelt de hoogte vast in de verklaringsprocedure.
Hoe kom je aan de stukken als de schuldenaar en zijn vennootschap zwijgen?
Binnen de verklaringsprocedure, want daar rust op de derde-beslagene de plicht zijn verklaring zoveel mogelijk met gegevens en bescheiden te staven, op straffe van een veroordeling voor het volledige beslagbedrag. Buiten de procedure kan de deurwaarder de bronnen van inkomsten uitvragen op grond van artikel 475g Rv en gegevens uit de polisadministratie opvragen, en biedt de jaarrekening bij de Kamer van Koophandel openbare aanknopingspunten.
Binnen welke termijn moet de verklaring van de derde worden betwist?
Binnen twee maanden na de verklaring moet de derde worden gedagvaard tot het doen van een gerechtelijke verklaring en tot betaling van wat de rechter vaststelt. Artikel 477a lid 2 Rv bepaalt dat overschrijding van die termijn de bevoegdheid doet vervallen.
Aangehaalde rechtspraak
Hoge Raad
- HR 13 februari 2009, ECLI:NL:HR:2009:BG5256 — de derde-beslagene is gehouden zijn verklaring zoveel mogelijk te staven met gegevens en bescheiden.
- HR 12 april 2024, ECLI:NL:HR:2024:583 — in de betwistingsprocedure moet de rechter vaststellen of de verklaring juist is, mede aan de hand van inmiddels gebleken feiten; concordante uitleg van de artikelen 475 tot en met 479a Rv en hun Caribische tegenhangers.
- HR 3 juli 2026, ECLI:NL:HR:2026:1148 — bepaaldheidsvereiste bij cessie van onder meer een vordering op grond van artikel 479a Rv.
Gerechtshoven
- Hof 's-Hertogenbosch 17 oktober 2017, ECLI:NL:GHSHE:2017:4527 — vaststelling van een redelijke vergoeding in kort geding bij een ongenoegzame verklaring.
- Hof 's-Hertogenbosch 24 juli 2018, ECLI:NL:GHSHE:2018:3123 — de bewijslast rust op de beslaglegger; incidentele hulp levert geen in geld waardeerbare prestatie op.
- Hof Arnhem-Leeuwarden 14 mei 2019, ECLI:NL:GHARL:2019:4158 — vergoeding van € 330 netto per maand, gemaximeerd tot het beloop van de vordering; bewijs uit eerdere verklaringen van de schuldenaar.
- Hof Arnhem-Leeuwarden 20 januari 2020, ECLI:NL:GHARL:2020:460 — onbezoldigde bestuurswerkzaamheden leveren zicht op actief in een faillissementsaanvraag.
- Hof Arnhem-Leeuwarden 20 oktober 2020, ECLI:NL:GHARL:2020:8511 — € 434,39 bruto per maand voor een kunstenaar is een onevenredig lage vergoeding.
- Hof Amsterdam 1 december 2020, ECLI:NL:GHAMS:2020:3309 — de betrekking tussen schuldenaar en derde faciliteerde dat de vergoeding buiten de boeken bleef; € 8.333 per maand.
- Hof Den Haag 29 maart 2022, ECLI:NL:GHDHA:2022:662 — dat nooit een vergoeding is betaald is irrelevant; vaststelling op het gebruikelijke DGA-salaris van € 44.000 bruto per jaar.
- Hof Arnhem-Leeuwarden 13 september 2022, ECLI:NL:GHARL:2022:7834 — bij levenspartners kritisch toetsen; toetsing aan het functiegebouw van de CAO; een voorlopige vernietiging van de titel heeft geen effect.
- Hof Arnhem-Leeuwarden 25 april 2023, ECLI:NL:GHARL:2023:3547 — beroep op artikel 479a Rv afgewezen bij onvoldoende onderbouwde aard en frequentie van de werkzaamheden.
- Hof Arnhem-Leeuwarden 18 juni 2024, ECLI:NL:GHARL:2024:4078 — artikel 479a Rv en de gebruikelijkloonregeling als zelfstandige gronden; opsomming van de ontbrekende bescheiden.
Rechtbanken en Gerecht in Eerste Aanleg
- Rb Gelderland 2 december 2015, ECLI:NL:RBGEL:2015:8246 — de beslaglegger moet stellen dat het betaalde bedrag onevenredig laag is.
- Rb Midden-Nederland 19 april 2017, ECLI:NL:RBMNE:2017:1784 — geen belang bij de 479a-vordering waar artikel 477a lid 1 Rv meer oplevert; executie voor kracht van gewijsde is voor eigen risico.
- Rb Gelderland 17 augustus 2017, ECLI:NL:RBGEL:2017:4398 — de curator kan de bevoegdheid van artikel 479a Rv uitoefenen; salaris van € 1.727,26 bruto voor een ervaren fysiotherapeut is in beginsel geen redelijke vergoeding.
- Rb Noord-Holland 16 oktober 2017, ECLI:NL:RBNHO:2017:8498 — de fictie mist toepassing als het beslag onder een andere derde ligt dan de vennootschap waarvoor wordt gewerkt.
- Rb Rotterdam 10 januari 2018, ECLI:NL:RBROT:2018:396 — drie derden op grond van artikel 477a lid 1 Rv veroordeeld tot het volledige beslagbedrag, in een keten door de groepsstructuur; de gevorderde fictieve vaststelling op het fiscale gebruikelijk loon werd afgewezen.
- Rb Rotterdam 13 februari 2019, ECLI:NL:RBROT:2019:1753 — vordering tot vaststelling op € 4.000 per maand, met een subsidiaire vordering tot vernietiging van de opzegging van de arbeidsovereenkomst.
- Rb Rotterdam 6 maart 2019, ECLI:NL:RBROT:2019:2086 — standaardkader van de artikelen 476a, 476b, 477a en 479a Rv; ontbrekende facturen en urenspecificaties maken de verklaring ongenoegzaam, met een veroordeling tot het volledige beslagbedrag van € 965.530,52 tot gevolg.
- Gerecht in Eerste Aanleg van Aruba 24 augustus 2022, ECLI:NL:OGEAA:2022:538 — de fictieve vordering kan niet verjaren; het beslag strekt zich uit tot vergoedingen voor werk van vóór het beslag.
- Rb Overijssel 18 maart 2026, ECLI:NL:RBOVE:2026:1503 — verlaging naar het minimale DGA-loon is onevenredig laag; aansluiting bij het loon van het jaar ervoor; overstap naar de holding beëindigt de aanspraak op de werkmaatschappij niet zonder meer.