Naar inhoud

De oud-boekhouder houdt de administratie vast: afgifte afdwingen in kort geding

24 juli 2026Juriaan de Vries

De oud-boekhouder houdt de administratie vast: afgifte afdwingen in kort geding

Een bouwonderneming zegt de opdracht aan haar boekhouder op. De boekhouder wijzigt daarop de toegangscode van het boekhoudpakket, sluit de bestuurder buiten en weigert de digitale administratie af te geven, terwijl de onderneming die nodig heeft voor een lopende procedure. De voorzieningenrechter in Almelo veroordeelt de boekhouder tot overdracht, op straffe van een dwangsom (ECLI:NL:RBOVE:2026:4407). De zaak laat zien hoe een onderneming de afgifte van haar administratie afdwingt, en waar de grenzen liggen, want niet elke weigering is onterecht en niet elke vordering wordt toegewezen.

De administratie is eigendom van de onderneming

Het uitgangspunt is helder. De digitale bescheiden die samen de administratie vormen, zijn eigendom van de onderneming. Wie ze na het einde van de opdracht onder zich houdt, doet dat in beginsel zonder recht of titel en moet ze afgeven (rov. 5.8). Daar komt een wettelijke plicht bij: het bestuur van een rechtspersoon moet op grond van art. 2:10 BW een administratie voeren en bewaren, zodat te allen tijde de rechten en verplichtingen van de rechtspersoon kunnen worden gekend (rov. 5.7). Die administratieplicht, met een bewaartermijn van zeven jaar (art. 2:10 jo. 3:15i BW), maakt dat een onderneming niet zonder haar historische administratie kan.

Mag de boekhouder de administratie achterhouden bij onbetaalde facturen?

De dienstverlener die nog facturen tegoed heeft, denkt al snel aan een opschortings- of retentierecht. Hier is een onderscheid beslissend. Een boekhouder of accountant mag zijn eigen verdere prestatie opschorten zolang de cliënt niet betaalt: in een Rotterdamse zaak schortte een administratiekantoor terecht het verzorgen van de aangifte inkomstenbelasting op totdat de openstaande factuur voor meerwerk was voldaan (art. 6:52 BW; ECLI:NL:RBROT:2026:837, rov. 4.6). Het opschorten van de eigen prestatie is echter iets anders dan het achterhouden van de administratie zelf. Die administratie is eigendom van de cliënt; haar vasthouden om betaling af te dwingen is een veel zwaarder middel, dat een deugdelijke grondslag vereist.

In de Almelose zaak ontbrak die grondslag. De boekhouder beriep zich niet op onbetaalde facturen, maar op een speculatief toekomstig belang: hij wilde de stand van de administratie vastgelegd zien met het oog op een mogelijke, toekomstige procedure tussen de (oud-)bestuurders. Dat belang is naar zijn aard speculatief en weegt lichter dan het belang van de onderneming bij onmiddellijke overdracht (rov. 5.10). Bovendien kan het op een minder vergaande wijze worden beschermd, namelijk door de administratie in de bestaande stand bij een onafhankelijke derde te deponeren. Alleen daarom al was de weigering niet houdbaar.

Wanneer wordt de afgifte toegewezen, en wanneer niet?

In kort geding is een spoedeisend belang vereist (art. 254 Rv). In de Almelose zaak was dat er: de onderneming had de administratie op korte termijn nodig voor een lopende procedure, en de doorlopende administratieplicht versterkte dat belang. Omdat alle nevenvorderingen voortborduurden op de hoofdvordering tot overdracht, werd het spoedeisend belang meegetrokken (rov. 5.6; ECLI:NL:HR:2007:BA1522, rov. 3.4).

De uitkomst is echter niet vanzelfsprekend. Waar de cliënt de stukken zelf al behoort te hebben, ontbreekt het belang. In de Rotterdamse zaak werd de vordering tot afgifte van de administratie over 2020 tot en met 2024 afgewezen, juist omdat de onderneming die op grond van haar eigen bewaarplicht (art. 2:10 jo. 3:15i BW) geacht werd te bezitten (rov. 4.4). En zonder voldoende spoedeisend belang strandt de vordering eveneens: bij de rechtbank Midden-Nederland werd de afgifte van de bedrijfsadministratie op die grond geweigerd (ECLI:NL:RBMNE:2024:5949). Wie afgifte vordert, onderbouwt dus concreet waarom hij de administratie nu nodig heeft en niet zelf al behoort te hebben.

De uitvoering: dwangsom en de valkuil van de reële executie

Aan de veroordeling tot overdracht koppelt de rechter doorgaans een dwangsom als drukmiddel. Daarbij geldt een technische begrenzing: een dwangsom kan per tijdseenheid, bijvoorbeeld per dag, óf per overtreding worden vastgesteld, maar niet allebei tegelijk voor dezelfde verplichting (art. 611b Rv). In Almelo werd de dwangsom op € 2.500 per dag gesteld, met een maximum van € 50.000 (rov. 5.13).

Een tweede valkuil zit in het petitum. De onderneming vorderde ook dat het vonnis in de plaats zou treden van de medewerking van de boekhouder aan de overdracht, een vorm van reële executie (doorgaans art. 3:300 BW). De rechter is daarmee terughoudend en wees de vordering af: zij was nevenschikkend en zonder toelichting geformuleerd, naast de al met een dwangsom versterkte hoofdveroordeling, en miste bovendien een wettelijke grondslag (rov. 5.16). De les voor de praktijk: formuleer een vordering tot reële executie subsidiair, met een uitdrukkelijke grondslag en een toelichting waarom zij naast de dwangsomveroordeling nodig is.

Wat betekent dit voor de onderneming en de dienstverlener?

Voor een onderneming die haar administratie niet terugkrijgt, biedt het kort geding een snelle route. De administratie is haar eigendom en zij heeft een wettelijke plicht die te voeren; een dienstverlener die haar zonder deugdelijke grond vasthoudt, doet dat zonder recht of titel. Voorwaarde is wel een concreet en spoedeisend belang, en de vaststelling dat de onderneming de stukken niet zelf al behoort te hebben.

Voor de dienstverlener geldt de keerzijde. Onbetaalde facturen rechtvaardigen dat hij zijn eigen verdere werkzaamheden opschort, maar niet dat hij de administratie van de cliënt gijzelt. Wie zekerheid wil over de stand van de administratie, kan deponering bij een onafhankelijke derde voorstellen in plaats van haar volledig achter te houden.

Veelgestelde vragen

Mag een boekhouder de administratie achterhouden zolang facturen onbetaald zijn?

Nee, niet de administratie zelf. Die is eigendom van de onderneming; haar zonder deugdelijke grondslag vasthouden gebeurt zonder recht of titel. Wél mag de boekhouder zijn eigen verdere werkzaamheden opschorten zolang een openstaande factuur niet is betaald (art. 6:52 BW). Het opschorten van een prestatie is dus iets anders dan het gijzelen van andermans administratie.

Hoe dwing je afgifte van de administratie af?

Via een kort geding, mits er een spoedeisend belang is, bijvoorbeeld een lopende procedure waarvoor de administratie nodig is. De vordering tot overdracht wordt doorgaans versterkt met een dwangsom. Onderbouw concreet waarom de administratie nu nodig is en niet al in eigen bezit is, want zonder dat belang wordt de vordering afgewezen.

Wat is het verschil tussen opschorten en achterhouden?

Opschorten betekent dat de dienstverlener zijn eigen prestatie, zoals nieuw jaarwerk of een aangifte, uitstelt totdat de cliënt betaalt. Achterhouden betekent dat hij de administratie die aan de cliënt toebehoort onder zich houdt. Het eerste is bij onbetaalde facturen toegestaan; het tweede vereist een zelfstandige, deugdelijke grondslag.

Aangehaalde rechtspraak

Hoge Raad
- ECLI:NL:HR:2007:BA1522: het spoedeisend belang van een nevenvordering wordt meegetrokken met een voldoende spoedeisende, nauw verwante hoofdvordering

Rechtbanken
- ECLI:NL:RBOVE:2026:4407: afgifte van de digitale administratie en inloggegevens toegewezen in kort geding; reële executie afgewezen
- ECLI:NL:RBROT:2026:837: afgifte van de administratie afgewezen wegens de eigen bewaarplicht; opschortingsrecht voor verdere werkzaamheden bij een onbetaalde factuur
- ECLI:NL:RBMNE:2024:5949: afgifte van de bedrijfsadministratie afgewezen wegens het ontbreken van een spoedeisend belang

Lees ook