Naar inhoud

Wanneer is een accountant aansprakelijk voor een beroepsfout?

19 juli 2026Juriaan de Vries

Inleiding

Wanneer een onderneming failliet gaat kort nadat een accountant een goedkeurende verklaring bij de jaarrekening heeft afgegeven, rijst vrijwel altijd dezelfde vraag: had de accountant dit moeten zien, en is hij aansprakelijk voor de schade van wie op die cijfers is afgegaan? De levensverzekeraar Vie d'Or bood daarvoor het richtinggevende voorbeeld. De accountants verstrekten goedkeurende verklaringen bij de jaarrekeningen, terwijl de solvabiliteit van de verzekeraar tekortschoot. Toen de maatschappij failleerde, spraken de gedupeerde polishouders de accountants aan uit onrechtmatige daad. De Hoge Raad formuleerde in dat arrest van 13 oktober 2006 de maatstaf die het leerstuk tot op heden beheerst.

In de hierna geanalyseerde uitspraken keert steeds hetzelfde stramien terug. Een koper, een investeerder of een polishouder vertrouwt op door een accountant gecontroleerde of samengestelde cijfers, de werkelijkheid blijkt anders, en de benadeelde zoekt verhaal bij de accountant. De rechtspraak laat zien dat de weg van normschending naar daadwerkelijke aansprakelijkheid uit meerdere zelfstandige stappen bestaat. Een tuchtrechtelijk verwijt is niet hetzelfde als civiele aansprakelijkheid, een fout is nog geen schade, en zelfs een vaststaande fout kan door eigen schuld van de benadeelde geheel wegvallen. Deze bijdrage bespreekt die stappen aan de hand van drie arresten van de Hoge Raad en vier uitspraken van feitenrechters, waarin telkens naar de grondnorm uit Vie d'Or wordt teruggegrepen.

De maatstaf: de redelijk bekwaam en redelijk handelend accountant

Het vertrekpunt is de zorg die van een redelijk bekwaam en redelijk handelend accountant mag worden verwacht. Als beroepsbeoefenaar neemt de accountant op grond van art. 7:401 BW jegens zijn opdrachtgever de zorg van een goed opdrachtnemer in acht. In de rechtspraak wordt die norm ingevuld met de eis dat hij handelt zoals een redelijk bekwaam en redelijk handelend vakgenoot betaamt. Schending van die zorgplicht kan jegens de opdrachtgever als toerekenbare tekortkoming en tegenover derden als onrechtmatige daad kwalificeren. Het Hof Arnhem-Leeuwarden vatte dit uitgangspunt in de houtskoolzaak rond Eko Blok en Carbo bondig samen, met verwijzing naar Vie d'Or en de latere Hoge Raad-arresten.

De inhoud van de norm is niet abstract, maar wordt bepaald door de vakinhoudelijke regels die op de accountant van toepassing zijn. In de zaak tussen COFCO en Ernst & Young over de overname van de Nidera-groep werkte de Rechtbank Rotterdam dit uit: de zorgplicht wordt ingevuld door de Nederlandse wet- en regelgeving en gedragsnormen voor accountants, waaronder de Nadere voorschriften controle- en overige standaarden. Dat verklaart waarom de beoordeling steeds concreet is. In de Nidera-zaak draaide het om de vraag of de controle van de mark-to-market-waardering met voldoende diepgang was opgezet en uitgevoerd. In de overname van bouwbedrijf BTO ging het om de vraag of de controlerend accountant de lijst met onderhanden projecten had moeten natellen. Beide keren luidde het oordeel dat de accountant niet had gedaan wat een redelijk bekwaam en redelijk handelend vakgenoot in de gegeven omstandigheden behoorde te doen.

Bij die toets komt het volgens Vie d'Or aan op een beoordeling van alle omstandigheden van het geval. Tot de te wegen factoren behoren de aard van de geschonden norm en de ernst van de schending, de door de accountant wel getroffen maatregelen of verschafte informatie, en de mate waarin het gevaar van schade voor de accountant redelijkerwijs voorzienbaar was. Daarbij weegt mee of die controlemaatregelen zijn genomen en die waarschuwingen zijn gegeven die in de gegeven omstandigheden redelijkerwijs van de accountant konden worden gevergd ter voorkoming van dat gevaar. In de AquaServa-zaak paste de Rechtbank Amsterdam deze gezichtspunten uitdrukkelijk toe, met een verwijzing naar dezelfde overwegingen uit Vie d'Or.

De bijzondere hoedanigheid van de accountant

Een terugkerend element is dat de accountant handelt in een bijzondere hoedanigheid: die van een tuchtrechtelijk gereguleerd beroepsbeoefenaar. In de AquaServa-zaak speelde dat een zelfstandige rol. De registeraccountant trad daar niet alleen op als accountant, maar ook als bestuurder van het accountantskantoor. Dat deed er volgens de Rechtbank Amsterdam niet aan af dat op hem persoonlijk, gelet op zijn hoedanigheid van accountant, de plicht rustte zich te gedragen als een redelijk handelend en redelijk bekwaam accountant en de nodige zorgvuldigheid te betrachten. De bijzondere hoedanigheid brengt dus een persoonlijk op de beroepsbeoefenaar rustende zorgvuldigheidsnorm mee, die naast de aansprakelijkheid van het kantoor kan bestaan.

Uit die publieke functie vloeit tevens voort dat de kring van beschermde belangen ruimer kan zijn dan alleen de opdrachtgever. De Rechtbank Amsterdam beoordeelde de vorderingen jegens de accountant aan de hand van de vraag wat van hem, met het oog op de belangen van degenen wier belangen door zijn handelen voldoende rechtstreeks werden geraakt, in een zorgvuldige taakuitoefening mocht worden gevergd. Wie tot die kring behoort, hangt vervolgens sterk af van de aard van de taak die de accountant vervulde. Op dat onderscheid tussen wettelijke en niet-wettelijke taken rust een groot deel van het leerstuk.

Wettelijke taken en de zorgplicht jegens het maatschappelijk verkeer

Bij de uitvoering van een wettelijke taak, zoals de wettelijk voorgeschreven controle van de jaarrekening, reikt de zorgplicht het verst. De belangen die met een goede uitoefening van de taak van de externe controlerend accountant zijn gemoeid, zijn volgens Vie d'Or niet beperkt tot die van de rechtspersoon om wiens jaarrekening het gaat. In het maatschappelijk verkeer mogen derden verwachten dat de informatie die door openbaarmaking van de jaarrekening en een goedkeurende verklaring naar buiten komt, naar het onafhankelijk en objectief inzicht van de accountant een getrouw beeld geeft van vermogen, resultaat, solvabiliteit en liquiditeit van de onderneming. Ook derden moeten hun gedrag op die informatie kunnen afstemmen en er bij hun financiële beslissingen op kunnen vertrouwen dat het gepresenteerde beeld niet misleidend is. Aldus dient deze taakuitoefening mede een wezenlijk publiek belang, en kan de accountant onder omstandigheden ook jegens derden aansprakelijk zijn.

Aan de zorg van de controlerend accountant worden daarom hoge eisen gesteld. Het Hof Arnhem-Leeuwarden bracht dat in de houtskoolzaak tot uitdrukking: waar de controle van de jaarrekening op grond van art. 2:393 BW een wettelijke taak betreft, mocht de koper zijn gedrag en beslissingen afstemmen op de informatie in de door de accountant goedgekeurde jaarrekeningen. In die zaak stond vast dat de waardering van een aantal risicodragende leningen onvoldoende kritisch was gecontroleerd, waardoor van een getrouw beeld op dat punt onvoldoende sprake was. Omdat voor de accountant voorzienbaar was dat derden op de juistheid van het gepresenteerde beeld zouden kunnen afgaan bij financiële beslissingen, oordeelde het hof dat jegens die derden onzorgvuldig was gehandeld. Daarmee was, zo benadrukte het hof, de aansprakelijkheid nog niet gegeven, omdat daarvoor ook causaal verband met de schade vereist is.

De Nidera-zaak laat zien hoe deze bijzondere zorgplicht ook geldt in een internationale controleketen. Ernst & Young Nederland was als groepsaccountant verantwoordelijk voor de wettelijke controle van de geconsolideerde jaarrekening van de Nidera-groep, terwijl Ernst & Young Brazilië als component-accountant de rapportages van de Braziliaanse dochter controleerde. De Rechtbank Rotterdam oordeelde dat op beide een bijzondere zorgplicht jegens de koper rustte. Zij wisten of moesten immers begrijpen dat de geconsolideerde jaarrekening van belang kon zijn voor een mogelijke aandelentransactie en dat een koper daarop zou kunnen afgaan. De omstandigheid dat de Braziliaanse vennootschap niet aan de Nederlandse regelgeving was onderworpen, deed daaraan niet af, nu Nederlands recht op de vordering van toepassing was.

Niet-wettelijke taken en de zorgplicht jegens de opdrachtgever

Voor niet-wettelijke taken, zoals het samenstellen van cijfers of advisering, geldt een ander uitgangspunt. Daar heeft de accountant in beginsel enkel een zorgplicht jegens zijn opdrachtgever. In de zaak over de overname van een jachthavenonderneming, waarin de accountant de jaarrekeningen en halfjaarcijfers had samengesteld, verduidelijkte de Hoge Raad op 29 januari 2021 wanneer die zorgplicht zich toch tot een derde uitstrekt. Dat is het geval indien de accountant uiterlijk op het moment waarop hij zijn rapportage uit handen geeft, weet of behoort te weten dat deze ter beschikking van een derde zal komen en dat die derde waarschijnlijk op de rapportage zal vertrouwen bij een beslissing over een bepaalde transactie of een transactie van een bepaalde soort.

De vraag of bij een niet-wettelijke taak jegens een derde onzorgvuldig is gehandeld, moet volgens dat arrest worden beantwoord aan de hand van de omstandigheden van het geval, waarbij mede acht moet worden geslagen op de functie van de accountant in het maatschappelijk verkeer. De Hoge Raad bracht daarbij een belangrijke begrenzing aan. Een zorgplicht jegens een bepaalde derde brengt niet zonder meer mee dat de accountant een gelijke zorgplicht heeft jegens andere derden. In de jachthavenzaak waren de eerste kopers al voor het beschikbaar komen van de cijfers tot hun investering overgegaan, terwijl opvolgende kopers pas een kwartaal later in beeld kwamen. Ten aanzien van die latere kopers hoefde de accountant er bij het uit handen geven van de cijfers geen rekening mee te houden dat zij hun gedrag mede door die cijfers zouden laten bepalen. De vordering strandde in zoverre.

Het Hof Arnhem-Leeuwarden bouwde in de houtskoolzaak op dit onderscheid voort. De goedgekeurde jaarrekeningen over eerdere boekjaren betroffen een wettelijke taak waarop de koper mocht afgaan, maar de conceptcijfers over het lopende boekjaar waren nog niet van een goedkeurende verklaring voorzien en nog niet openbaar gemaakt. Die conceptcijfers waren bovendien opgesteld voordat de koper in beeld kwam, en dus niet met het doel hem van informatie te voorzien. Voor eventuele fouten daarin kon de accountant daarom niet zonder meer met succes worden aangesproken. Het onderscheid tussen wat de accountant in een wettelijke hoedanigheid naar buiten brengt en wat als voorlopig, intern of niet-openbaar materiaal circuleert, is dus bepalend voor de reikwijdte van zijn verantwoordelijkheid jegens derden.

Het tuchtrechtelijk oordeel en de verzwaarde motiveringsplicht

Veel civiele procedures tegen accountants volgen op een tuchtklacht bij de Accountantskamer. Een gegrond tuchtrechtelijk verwijt weegt zwaar, maar is niet beslissend. Aan het oordeel van de tuchtrechter dat in strijd met de voor het beroep geldende normen is gehandeld, kan niet zonder meer de gevolgtrekking worden verbonden dat de betrokkene civielrechtelijk aansprakelijk is wegens schending van een zorgvuldigheidsnorm. Vie d'Or verklaarde dat uit de eigen aard van het tuchtrecht: dat strekt in de eerste plaats ertoe, in het algemeen belang, een goede beroepsuitoefening te bevorderen, en beoordeelt aan de hand van andere maatstaven en zonder de civiele bewijsregels of een beroepsbeoefenaar in overeenstemming met de beroepsnormen heeft gehandeld.

De Hoge Raad scherpte deze verhouding aan in de bloemenimportzaak van 22 september 2017. Wijkt de civiele rechter af van het oordeel van de tuchtrechter, dan moet hij zijn oordeel zodanig motiveren dat het, ook in het licht van de beoordeling door de tuchtrechter, voldoende begrijpelijk is. In die zaak had de Accountantskamer de registeraccountant een waarschuwing opgelegd omdat hij zich onvoldoende kritisch had opgesteld tegenover een tussenpersoon die zich als financier presenteerde. Het hof had aansprakelijkheid afgewezen, maar deed dat volgens de Hoge Raad op gronden die, in het licht van het tuchtrechtelijk oordeel, zonder nadere motivering niet begrijpelijk waren. Het arrest werd vernietigd en de zaak verwezen.

De omgekeerde situatie deed zich voor in de zaken over BTO en AquaServa, waarin de feitenrechter juist aansluiting zocht bij het tuchtrechtelijk oordeel. In de BTO-overname stelde het Hof 's-Hertogenbosch voorop dat een tuchtrechtelijke normschending niet automatisch een civielrechtelijke beroepsfout oplevert, maar bevestigde het vervolgens dat het niet natellen van de gemanipuleerde lijst met onderhanden projecten ook naar civielrechtelijke maatstaven onzorgvuldig was. In de AquaServa-zaak toetste de Rechtbank Amsterdam zelfstandig en kwam tot het oordeel dat een oordeelonthouding onvoldoende was en dat een afkeurende verklaring aangewezen was geweest. Het tuchtrechtelijk oordeel fungeert in deze uitspraken als een gezichtspunt van gewicht, niet als een automatisme.

Het tuchtrecht speelt daarnaast een rol bij de verjaring. In de BTO-overname oordeelde het Hof 's-Hertogenbosch dat de verjaringstermijn niet al ging lopen toen de koper bekend werd met de fraude. Zij ging pas lopen nadat hij door kennisname van de tuchtuitspraken bekend was geworden met het feitelijke handelen en nalaten van de accountant als de daarvoor aansprakelijke persoon. Zolang de benadeelde op de deskundigheid van de accountant mocht vertrouwen, had hij nog onvoldoende zekerheid dat de schade door foutief handelen van de accountant was veroorzaakt.

Causaal verband: een normschending is nog geen aansprakelijkheid

Zelfs een vaststaande beroepsfout leidt pas tot een verplichting tot schadevergoeding als er causaal verband bestaat tussen die fout en de gestelde schade. Dat verband is er wanneer de benadeelde, de normschending weggedacht, een andere beslissing zou hebben genomen. De houtskoolzaak illustreert hoe zelfstandig deze horde is. Het Hof Arnhem-Leeuwarden nam aan dat de waardering van de buitenlandse leningen onvoldoende was gecontroleerd en dat daarmee onzorgvuldig jegens de koper was gehandeld, maar wees de vordering toch af. Uit de stellingen van de koper bleek namelijk niet dat die leningen van doorslaggevende betekenis waren voor de aankoopbeslissing. De buitenlandse activiteiten vormden niet de kern van het ondernemingsplan, en de koper had bij de aankoop niet eens naar de waarde van die leningen gevraagd. Bij die stand van zaken ontbrak het vereiste causale verband.

De waarschuwingsplicht uit de bloemenimportzaak toont de causaliteitsvraag vanuit een andere hoek. Of de schade aan de accountant kan worden toegerekend, hangt volgens de Hoge Raad in het bijzonder ervan af of van de accountant in de concrete omstandigheden verwacht mocht worden dat hij zijn opdrachtgever voor het handelen van een derde waarschuwde, en wat de gevolgen van die waarschuwing vermoedelijk zouden zijn geweest. Het hof had daarover niets vastgesteld, hoewel de stellingen daartoe aanleiding gaven, en dat gebrek droeg zelfstandig bij aan de vernietiging.

Tegenover deze gevallen staat de BTO-overname, waarin het causale verband juist werd aangenomen. Het Hof 's-Hertogenbosch achtte voldoende gebleken dat de goedgekeurde jaarrekening 2010 relevant was geweest voor de overnamebeslissing en dat de koper daaraan, mede omdat de cijfers door de controlerend accountant waren goedgekeurd, waarde en autoriteit mocht ontlenen. De juiste cijfers zouden een fors verlies hebben getoond, bij welke kennis de onderneming niet zou zijn overgenomen. In de Nidera-zaak volstond voor verwijzing naar de schadestaatprocedure dat de mogelijkheid van schade aannemelijk was, en oordeelde de Rechtbank Rotterdam dat de koper bij zijn investeringsbeslissing mede op de goedgekeurde geconsolideerde jaarrekening had vertrouwd en dat redelijkerwijs ook mocht doen.

Eigen schuld en de onderzoeksplicht van de professionele partij

Wanneer causaal verband wel wordt aangenomen, kan de vergoedingsplicht alsnog worden verminderd of geheel wegvallen door eigen schuld van de benadeelde op de voet van art. 6:101 BW. De schade wordt dan over benadeelde en aansprakelijke verdeeld naar de mate waarin de aan ieder toe te rekenen omstandigheden daaraan hebben bijgedragen. In de houtskoolzaak leidde dit tot een opvallend sluitstuk. Het Hof Arnhem-Leeuwarden oordeelde dat, ook als het causale verband zou worden aangenomen, de vergoedingsplicht van de accountants volledig zou vervallen. De kopers waren professionele partijen met commerciële deskundigheid en ondernemingservaring, op wie bij de aankoop van aandelen een onderzoeksplicht rustte naar de wezenlijke kenmerken van de onderneming. Zij hadden hun beslissing haastig en op basis van weinig onderzoek genomen, hadden een beschikbaar due diligence-rapport buiten beschouwing gelaten en hadden meerdere waarschuwingssignalen genegeerd. De billijkheid bracht dan mee dat de eventuele vergoedingsplicht geheel verviel.

Dat een beroep op eigen schuld niet altijd slaagt, blijkt uit de BTO-overname en de AquaServa-zaak. Het Hof 's-Hertogenbosch verwierp het verweer voor zover het erop neerkwam dat de koper zich beter in de financiële situatie had moeten verdiepen, omdat de koper juist op de goedgekeurde jaarrekening mocht vertrouwen. Het gaat de accountant dan niet aan de koper te verwijten dat hij de controle van de goedgekeurde cijfers nog eens had moeten overdoen. In de AquaServa-zaak overwoog de Rechtbank Amsterdam in vergelijkbare zin dat het verweer dat de benadeelde zelf onderzoek had moeten doen, de onrechtmatigheid niet wegneemt en hooguit bij de omvang van de schade een rol kan spelen. De uitkomst hangt hier sterk af van de hoedanigheid van de benadeelde en van de vraag of hij redelijkerwijs op het werk van de accountant mocht afgaan dan wel zelf tot nader onderzoek gehouden was.

Wat betekent dit voor de accountant, de opdrachtgever en de benadeelde derde?

Voor de accountant onderstreept de geanalyseerde rechtspraak dat de reikwijdte van zijn verantwoordelijkheid wordt bepaald door de aard van zijn taak. Bij een wettelijke controle en een openbaar gemaakte goedkeurende verklaring reikt de zorgplicht tot in het maatschappelijk verkeer, en worden aan de controle hoge eisen gesteld. Bij niet-wettelijke werkzaamheden blijft de zorgplicht in beginsel beperkt tot de opdrachtgever, en ontstaat pas een zorgplicht jegens een derde als de accountant weet of behoort te weten dat die derde op de rapportage zal vertrouwen voor een transactie. Een tuchtrechtelijke waarschuwing of berisping is een serieus signaal, maar staat niet gelijk aan civiele aansprakelijkheid. Wie zijn controlewerk en waarschuwingen zorgvuldig documenteert, staat in een civiele procedure sterker.

Voor de opdrachtgever geldt dat de accountant tegenover hem gebonden is aan de zorg van een goed opdrachtnemer. Tegelijk laten de uitspraken zien dat de opdrachtgever eigen verantwoordelijkheden houdt: het bestuur is verantwoordelijk voor een deugdelijke administratie en voor het verstrekken van volledige informatie. In de houtskoolzaak en de BTO-overname was juist het verzwijgen of manipuleren van gegevens door de onderneming zelf een reden waarom bepaalde verwijten aan de accountant niet slaagden. Volledige en tijdige informatievoorziening aan de accountant is dus niet alleen een verplichting, maar ook een voorwaarde om later met succes een beroep op diens fouten te kunnen doen.

Voor de benadeelde derde die op cijfers is afgegaan, tekent zich een meerstaps-toets af. Aansprakelijkheid vergt achtereenvolgens een geschonden zorgvuldigheidsnorm, een zorgplicht die zich mede tot deze derde uitstrekt, causaal verband tussen de fout en een gewijzigde beslissing, schade, en een verdeling naar eigen schuld. Een professionele koper die op een openbaar gemaakte, wettelijk gecontroleerde en goedgekeurde jaarrekening mocht vertrouwen, staat daarbij sterker dan een koper die voorlopige of niet-openbare cijfers gebruikte, die beschikbaar onderzoek negeerde of die zijn beslissing al had genomen voordat de cijfers beschikbaar kwamen. Elk van deze stappen kan in een concreet geval de doorslag geven, zoals de geanalyseerde uitspraken op uiteenlopende wijze bevestigen.

Veelgestelde vragen

Wanneer is een accountant aansprakelijk jegens iemand die geen opdrachtgever is?

Bij een wettelijke controle mag het maatschappelijk verkeer op de goedgekeurde jaarrekening vertrouwen, zodat een zorgplicht jegens derden kan gelden. Bij niet-wettelijke taken ontstaat die zorgplicht alleen als de accountant weet of behoort te weten dat een bepaalde derde waarschijnlijk op de rapportage zal vertrouwen voor een transactie.

Leidt een tuchtrechtelijke veroordeling automatisch tot civiele aansprakelijkheid?

Nee. Aan het oordeel van de tuchtrechter kan niet zonder meer de gevolgtrekking worden verbonden dat de accountant civielrechtelijk aansprakelijk is. Wel geldt dat de civiele rechter die van het tuchtrechtelijk oordeel afwijkt, zijn beslissing zodanig moet motiveren dat deze ook in dat licht voldoende begrijpelijk is.

Kan de schade van de benadeelde worden verminderd door eigen schuld?

Ja. Op grond van art. 6:101 BW wordt de vergoedingsplicht verdeeld naar de mate waarin de aan ieder toe te rekenen omstandigheden tot de schade hebben bijgedragen. In de geanalyseerde rechtspraak kon een haastige, slecht onderzochte aankoopbeslissing door een professionele partij ertoe leiden dat de vergoedingsplicht geheel verviel.

Aangehaalde rechtspraak

Hoge Raad

Gerechtshoven en rechtbanken

Lees ook