Het advocatentuchtrecht en de kwaliteit van de dienstverlening
Een advocaat heeft grote vrijheid in de manier waarop hij een zaak behandelt, en de tuchtrechter toetst die keuzes terughoudend. Het Hof van Discipline schorste op 1 december 2025 toch een advocaat voor vier weken. Op twee samenhangende niveaus liep het daar mis: in de inhoud van het werk, en in de communicatie en vastlegging daarover.
Kort gezegd grijpt de tuchtrechter in wanneer de dienstverlening duidelijk onder de maat blijft. Dat gebeurt vooral als de advocaat een dwingende regel mist, of belangrijke advisering en afspraken niet kan aantonen. Het enkele verlies van een procedure is onvoldoende.
Schorsing na ontbrekende procesrechtkennis en een tuchtklachtverbod
Het hof rekende de advocaat aan dat hij het civiele procesrecht niet voldoende kende.
De Raad van Discipline in het ressort Arnhem-Leeuwarden had in mei 2024 een voorwaardelijke schorsing van zes weken opgelegd. Het hof vernietigde die en legde een onvoorwaardelijke schorsing van vier weken op, ingaand op 22 december 2025. De raad had alleen de informatievoorziening en de beëindiging van de opdracht gegrond verklaard. Het hof achtte daarnaast het verwijt van juridisch ondermaats presteren en dat over de klachtbehandeling gegrond, en verzwaarde de maatregel omdat de gegronde onderdelen samenhang vertoonden.
De advocaat dagvaardde namens zijn cliënt een getuige die in een Duitse strafzaak tegen hem zou hebben gelogen. In hoger beroep bracht hij zes producties in, minder dan twee uur voor de zitting, en het hof Amsterdam liet ze buiten beschouwing: de wederpartij had geen tijd gekregen ze te lezen en een verklaring voor dat late tijdstip ontbrak.
In parallelle appelprocedures ging het verder mis. De cliënt dacht dat zijn advocaat eerst een summiere memorie van grieven kon indienen en die later kon aanvullen. Die gedachte is niet gecorrigeerd. De middag voor de roldatum schreef de advocaat: "Als ik voor u een memorie van grieven zal indienen, welke u zelf later zult (laten) aanvullen heb ik geen zin meer in gedoe." Aanvullen kon niet. De tweeconclusieregel, die besloten ligt in artikel 347 Rv, verlangt in beginsel dat alle grieven in het eerste inhoudelijke processtuk staan. Het hof was kort: "Het uit het voorgaande blijkende gebrek aan civiele procesrechtelijke kennis rekent het hof verweerder aan." Beide verwijten waren, afzonderlijk en in samenhang, ernstig genoeg om de kernwaarde deskundigheid geschonden te achten.
Daar kwam de beëindiging bij. Vlak voor het verlopen van een termijn legde de advocaat zijn cliënt een vaststellingsovereenkomst voor als voorwaarde voor het indienen van de grieven, met daarin een verbod op een tuchtklacht op straffe van een dwangsom van 10.000 euro ineens. Dat voor het blok zetten achtte het hof ernstig verwijtbaar: mede door de tijdsdruk en de hoogte van de dwangsom waren de voorwaarden in deze zaak buitenproportioneel en wezen zij erop dat de advocaat zijn eigen belang voorop had gesteld, waarmee de kernwaarde integriteit was geschonden. Het derde gegronde onderdeel betrof de interne klacht: ingediend op 31 oktober 2022, pas doorgestuurd naar de klachtenfunctionaris op 23 december 2022, en de cliënt hoorde niet dat die procedure was geëindigd.
Het hof verzwaarde de maatregel juist omdat de drie gegronde onderdelen samenhang vertoonden. Wie het leerstuk wil begrijpen doet er toch goed aan twee ervan te scheiden, want zij slagen langs verschillende lijnen. Het procesrechtelijke verwijt gaat over de inhoud van het werk. Bij het informatieverwijt lag het anders: de advocaat stelde wel te hebben geïnformeerd, zegde in beroep toe de correspondentie te overleggen en deed dat niet, zodat het hof niet kon vaststellen dat hij het had gedaan. Ontbrekende vastlegging is daarmee niet alleen een bewijsprobleem, want zij kan zelf een schending van de informatieplicht opleveren.
Zonder uitgewerkte vaktechnische beroepsstandaard toetst de tuchtrechter aan zorgvuldigheid
Artikel 46 Advocatenwet onderwerpt advocaten aan die tuchtrechtspraak, onder meer voor handelen of nalaten dat een behoorlijk advocaat niet betaamt. Aan die betamelijkheidsnorm hangt de kwaliteitstoets. Artikel 10a Advocatenwet vult haar met vijf kernwaarden. Waar een kwaliteitszaak een kernwaarde benoemt, gaat het meestal om deskundigheid of integriteit.
De maatstaf is dat de tuchtrechter mede tot taak heeft de kwaliteit van de dienstverlening te beoordelen als daarover wordt geklaagd, en dat de vrijheid van de advocaat wordt begrensd door de professionele standaard van de beroepsgroep. De raden verwijzen voor die standaard naar de beslissing van het Hof van Discipline van 5 februari 2018, waarin de gekozen aanpak goed verdedigbaar werd geacht en de klacht ongegrond bleef. Waarom die toets zo open blijft, legt het hof zelf uit: "Deze toets geldt omdat er binnen de beroepsgroep wat betreft de vaktechnische kwaliteit geen sprake is van breed gedragen, schriftelijk vastgelegde professionele standaarden." Voor de vaktechnische kwaliteit bestaat dus geen breed gedragen, schriftelijk uitgewerkte beroepsstandaard. De tuchtrechter toetst daarom aan de open norm van de redelijk bekwame en redelijk handelende advocaat in de gegeven omstandigheden.
Die toets is terughoudend, en in recente beslissingen formuleren de raden dat ook in zoveel woorden: er is pas sprake van tuchtrechtelijk verwijtbaar handelen als de kwaliteit duidelijk onder de maat is geweest. Dat is de drempel waar elke kwaliteitsklacht over moet. Wat de standaard inhoudelijk van een advocaat verlangt, vullen de raden aan met wat er bij aanvang moet gebeuren: de slagingskans inschatten en de cliënt daarover informeren, inclusief de proceskansen en het kostenrisico.
Voor de informatie- en vastleggingsplicht bestaat wél een concrete gedragsregel. Gedragsregel 16 lid 1 verlangt dat de advocaat zijn cliënt op de hoogte brengt van belangrijke informatie, feiten en afspraken, en dat hij een en ander waar nodig schriftelijk bevestigt. De tuchtrechter is niet aan de gedragsregels gebonden, maar gebruikt ze om de open norm van artikel 46 in te vullen. Wat de civiele rechter met een gedragsregel doet is een andere vraag: die vernietigde in drie arresten een borgtocht voor advocaatkosten wegens schending van gedragsregel 28.
Twee dingen aan de route bepalen mede de uitkomst. De voorzitter van de raad kan een klacht voor de zitting afdoen als zij kennelijk ongegrond, kennelijk niet-ontvankelijk of kennelijk van onvoldoende gewicht is, en tegen de beslissing op het verzet dat daartegen openstaat is geen rechtsmiddel meer mogelijk. Daarnaast is het beroepsrecht asymmetrisch. Tegen een inhoudelijke eindbeslissing van de raad kan de advocaat in beginsel hoger beroep instellen bij het Hof van Discipline; voor de klager is dat recht beperkter, want hij kan alleen appelleren als zijn klacht geheel of gedeeltelijk ongegrond is verklaard. Wie volledig gelijk krijgt en de maatregel te licht vindt, kan die maatregel dus niet aanvechten; de deken kan dat wel. Eén opening blijft de klager: wordt bij gegrondverklaring zijn verzoek om een uitspraak over de betrachte zorgvuldigheid afgewezen, dan staat beroep alsnog open.
Wat binnen de vrijheid van de advocaat valt
Veel klachten over kwaliteit stranden. In de geanalyseerde uitspraken is de grond daarvoor vaak dat de gekozen aanpak binnen de vrijheid van de advocaat viel, ook waar de feiten lagen zoals de klager stelde. Die vrijheid betreft de behandeling van de zaak van de eigen cliënt, en staat los van de ruimte tegenover de wederpartij, bijvoorbeeld bij dreigen met publiciteit als drukmiddel.
Een advocaat mag weigeren te procederen. Raad van Discipline Den Haag, 4 mei 2026 wees de klacht af van een werknemer die na langdurige arbeidsongeschiktheid een vergoeding wilde vorderen voor knieklachten en mentale problemen. Zijn advocaat vond het verband met het werk onvoldoende bewezen, legde dat uitvoerig uit en adviseerde de vaststellingsovereenkomst te ondertekenen. Van advocaten wordt verwacht dat zij geen procedures starten waarin zij te weinig slagingskans zien, aldus de raad, en dat de cliënt het bewijs anders weegt verandert dat niet. Dat de overeenkomst finale kwijting bevatte, sloot de weg vervolgens ook feitelijk af.
Een advocaat mag de opdracht ook afbakenen. Een vader wilde op meer fronten procederen; zijn advocaat vroeg een toevoeging aan voor alleen de nihilstelling voor de jongste zoon, omdat de oudste 21 was geworden. De voorzitter vond die uitleg navolgbaar en verklaarde de klacht op 13 mei 2026 kennelijk ongegrond. Beide Haagse beslissingen wijzen daarnaast op een Bossche voorzittersbeslissing van 18 november 2024: werkzaamheden hoeven niet te beginnen voordat de eigen bijdrage is betaald.
Zelfs een erkende fout haalt de drempel niet altijd. Een advocaat zegde toe een strafdossier op te vragen, deed dat niet en gaf het verzuim toe. Raad van Discipline 's-Hertogenbosch, 26 mei 2025 vond dat onzorgvuldig, maar van onvoldoende gewicht voor een tuchtrechtelijk verwijt, en oordeelde dat haar plicht niet verder reikte dan de opdracht die zij had aanvaard. Het Hof van Discipline bekrachtigde dat op 3 april 2026.
Waar het werk zelf tekortschiet, helpt geen dossier
In de geanalyseerde uitspraken keren dezelfde verwijten terug: een termijn of een processtuk gemist, een juridische keuze die onjuist blijkt, geen advies over kansen en kosten bij aanvang, en een cliënt die niet op de hoogte wordt gehouden. De eerste twee gaan over het werk zelf, de laatste twee over wat de advocaat kan aantonen. Dat zijn de twee lijnen, en deze sectie behandelt de eerste.
Bij procesrechtelijke regels en termijnen is de manoeuvreerruimte gering, zoals de openingszaak laat zien. Voor de zeer laat ingediende producties bestond daar geen rechtvaardiging, en het vertrouwen op latere aanvulling van de grieven was juridisch onjuist.
Hetzelfde geldt voor een keuze die bewust is gemaakt en juridisch onjuist was. Raad van Discipline Den Haag, 1 december 2025 berispte een advocaat die had gedagvaard namens één van twee vennoten, in plaats van namens de vof die de bedrijfsruimte huurde. De kantonrechter verklaarde de eiser niet-ontvankelijk en overwoog dat dit geen vergissing was die zich leende voor herstel, maar een weloverwogen keuze. Die kwalificatie is beslissend. Een kennelijke verschrijving in de tenaamstelling kan worden hersteld; in deze zaak kon de weloverwogen keuze voor de verkeerde procespartij niet als een herstelbare vergissing worden behandeld. De raad stelde de beroepsfout zelfstandig vast, op het vonnis en het dossier.
De vennoot had de dreigende niet-ontvankelijkheid zelf gesignaleerd na lezing van de conclusie van antwoord en om overleg gevraagd. Die zorg is weggewuifd zonder inhoudelijke argumenten. Had de advocaat haar serieus genomen, dan had hij zijn eigen fout kunnen vinden en nog kunnen herstellen. Het signaal van de cliënt is dus een aanknopingspunt waarop gehandeld moet worden. Ook de toon werd aangerekend, geïrriteerd en aanmatigend in de e-mails, en te laat verschijnen op een door de advocaat zelf verplaatste bespreking. Wat de klacht niet haalde is het verwijt over de dagvaarding zelf: over de inhoud en de onderbouwing van de vordering kon de raad geen verwijtbaar handelen vaststellen.
Een stap die te laat wordt gezet valt in dezelfde categorie. Een vader diende op 19 februari 2024 een verzoek in over gezag, hoofdverblijf en zorgregeling; alimentatie zat daar niet in. De advocaat van de moeder begon diezelfde maand en was aantoonbaar actief, maar om alimentatie vroeg zij pas op 12 juli 2024, bij verweerschrift, bijna vijf maanden later. Daar zit het verwijt, en de reden ligt in de ingangsdatum. Die is in de regel de datum waarop het verzoek wordt ingediend, en een datum in het verleden stelt de rechter alleen in uitzonderingsgevallen vast. Elke maand wachten was dus een maand waarin de moeder de kosten van de kinderen alleen droeg. Raad van Discipline 's-Hertogenbosch, 7 april 2026 oordeelde dat een advocaat de opgedragen werkzaamheden met de nodige voortvarendheid moet verrichten, en dat het verzuim om met bekwame spoed een verzoek tot voorlopige kinderalimentatie in te dienen de kernwaarde deskundigheid schendt.
Ook werk dat wel wordt verricht kan tekortschieten. Een autokoper meldde zijn advocaat op 3 juli 2024, en daarna meermaals, dat de auto zonder zijn toestemming was gerepareerd en dat hij de helft van de kosten niet ging betalen. Een week later ontving hij binnen anderhalf uur een opdrachtbevestiging van 24 pagina's, een factuur van 499 euro en een standaard-ingebrekestelling aan de garage die uitging van een herstelgelegenheid. Die brief diende geen enkel doel, oordeelde Raad van Discipline Amsterdam, 8 september 2025, omdat het herstel al was uitgevoerd. Van een advocaat mag worden verwacht dat hij zich verdiept in de hulpvraag en de daarvoor aangeleverde informatie bekijkt. De kwaliteit was duidelijk onder de maat. De raad overwoog dat schrapping van het tableau moest volgen, en legde die maatregel dezelfde dag op in de beslissing op het dekenbezwaar tegen dezelfde advocaat.
Ontbrekende vastlegging verschuift het bewijsrisico
De tweede lijn is subtieler, en verklaart waarom de klachten die eerder strandden het niet haalden. In die zaken kon de advocaat laten zien welke keuze hij had gemaakt en waarom. Ontbreekt dat spoor, dan kan de uitkomst kantelen, en dan helpt het niet dat de keuze verdedigbaar was.
Raad van Discipline Amsterdam, 6 oktober 2025 bracht die regel terug tot twee zinnen: "Ter voorkoming van misverstanden daarover moet de advocaat belangrijke informatie en afspraken schriftelijk vastleggen. Indien de advocaat dit niet doet, komt het bewijsrisico daarvan op de advocaat te rusten." In die zaak, een huurgeschil over geluidsoverlast en schimmel, was geen opdrachtbevestiging overgelegd en nam de raad daarom aan dat er geen was. Over ruim twee jaar bijstand gingen twee inhoudelijke brieven naar de wederpartij, en van drie besprekingen ontbrak elk verslag. Dat werd een onvoorwaardelijke schorsing van drie weken, waarbij ook het tuchtrechtelijk verleden en het uitblijven van reflectie meewogen.
Hoe hard die regel kan uitpakken laat een Haagse strafzaak zien. De cliënt was op vrije voeten onder de voorwaarde dat hij bij de inhoudelijke behandeling aanwezig zou zijn. Daar verschenen cliënt noch advocaat, en er is geen aanhouding gevraagd; bij verstek volgden vijf maanden gevangenisstraf waarvan twee voorwaardelijk. Alle contact liep telefonisch en via WhatsApp, de cliënt kreeg geen dossier, en over strategie, kansen en risico's was niets vastgelegd. De raad: "Verweerster stelt dat te hebben gedaan, maar dat blijkt niet uit de stukken, omdat schriftelijke vastlegging ontbreekt. Het risico voor de gevolgen daarvan rust op verweerster." Dat werd op 26 januari 2026 een voorwaardelijke schorsing van vier weken met een coachingstraject als bijzondere voorwaarde.
Dezelfde eis geldt voor de voorlichting bij aanvang. Een stukadoor met een eenmanszaak werd in kort geding gedagvaard, betaalde zijn advocaat ruim 5.000 euro aan voorschotten en werd veroordeeld tot ruim 27.000 euro. Zijn advocaat had processtukken opgesteld en onderhandeld, maar van een gedegen voorlichting over de aanpak en de kans van slagen ontbrak elke schriftelijke vastlegging. Raad van Discipline Arnhem-Leeuwarden, 1 juni 2026 nam daarom aan dat de cliënt niet goed was voorgelicht, en achtte gedragsregel 16 en de kernwaarde deskundigheid in ernstige mate geschonden. Wat er bij aanvang aan een consument moet worden gemeld geldt ook buiten het tuchtrecht: zie de precontractuele informatieplicht van dienstverleners.
De raden zijn wel precies in wat dat betekent. Het ontbreken van een schriftelijke vastlegging brengt niet zonder meer mee dat de advocaat niet heeft voorgelicht, overwoog de Arnhem-Leeuwarder raad, maar het komt wel voor zijn risico als het op het bewijs aankomt.
Wat de zwaarte van de maatregel bepaalt
De raad kan bij een gegronde klacht vijf maatregelen opleggen: een waarschuwing, een berisping, een geldboete, een schorsing van maximaal een jaar en schrapping van het tableau. Een geldboete kan naast een andere maatregel worden opgelegd, en een schorsing kan geheel of deels voorwaardelijk zijn. De raad kan ook bepalen dat er ondanks de gegrondverklaring geen maatregel volgt.
Welke maatregel het wordt, volgt in de geanalyseerde uitspraken zelden uit één verwijt. De raden zetten het gedrag, het tuchtrechtelijk verleden en de kans op herhaling naast elkaar, en wegen mee of de advocaat inzicht toont in wat hem verweten wordt. Raad van Discipline Arnhem-Leeuwarden, 22 december 2025 schorste een advocaat voorwaardelijk voor acht weken. Hij had een belangrijk stuk niet ingediend en een vonnis niet onverwijld doorgestuurd, en had nog dagenlang met zijn cliënt gecommuniceerd over het indienen van stukken terwijl het vonnis al was gewezen. Gelet op de aard en de ernst daarvan én op een eerdere veroordeling over vergelijkbare gebreken kon met een berisping niet worden volstaan.
In de zaak van de stukadoor stonden al twee berispingen, een voorwaardelijke schorsing en een voorwaardelijke geldboete op de teller, zonder dat de advocaat inzicht toonde. De raad verkortte daar ook de termijn van artikel 8a lid 3 Advocatenwet tot vijf jaar. Die termijn bepaalde in deze zaak hoe lang de onvoorwaardelijke schorsing voor derden op het tableau zichtbaar bleef; het wettelijke uitgangspunt is tien jaar, dus verkorting werkt in het voordeel van de advocaat.
Omstandigheden kunnen ook verzachten. In de alimentatiezaak volstond de raad met een waarschuwing, omdat de advocaat ten tijde van het verwijtbaar handelen advocaat-stagiaire was en niet was gebleken dat zij onder supervisie van haar patroon voor de verweten gedraging voldoende was behoed.
Het verleden is bovendien niet zonder meer belastend. In de openingszaak liet het hof een waarschuwing uit 2023 uitdrukkelijk buiten beschouwing, omdat die was opgelegd ná het handelen dat ter beoordeling stond, dat van 2022. Wie een eerdere maatregel tegen zich ziet ingebracht, legt dus eerst de tijdlijn.
Wat betekent dit voor een tuchtklacht over de eigen advocaat?
Voor de advocaat is de les dat hij zich het overtuigendst op zijn professionele vrijheid kan beroepen wanneer hij heeft vastgelegd welke keuze hij maakte en waarom. Leg bij aanvang vast wat de aanpak is, welke kansen en risico's daaraan hangen en wat het gaat kosten, en bevestig belangrijke afspraken daarna per e-mail. Dat bepaalt de verdeling van het bewijsrisico: waar de vastlegging ontbreekt, kan de advocaat zijn verweer vaak onvoldoende onderbouwen en komt de onzekerheid voor zijn rekening.
Twee gebieden vragen extra aandacht, want daar helpt geen dossier. Het eerste is dwingend procesrecht, waar beleidsvrijheid niets te beschermen heeft. Een gemiste termijn, een te late productie of een grief die niet meer kan worden aangevuld, laat zich zelden als verdedigbare keuze presenteren. Het tweede is de beëindiging van de opdracht. Een cliënt onder tijdsdruk laten kiezen tussen een processtuk en een vaststellingsovereenkomst raakt de integriteit. Het tuchtklachtverbod uit de openingszaak, onder tijdsdruk opgelegd en gekoppeld aan een dwangsom van 10.000 euro, werd buitenproportioneel geacht.
Voor de cliënt geldt dat het enkele verlies van een procedure geen grond voor een klacht is. Houvast zit in het papieren spoor: is er een opdrachtbevestiging, is er ooit schriftelijk over kansen en kosten geadviseerd, zijn de rolberichten doorgestuurd. Ontbreekt dat, dan komt het bewijsrisico bij de advocaat te liggen. Voor de declaratie geldt hetzelfde; wat de advocaat daarover moet verantwoorden, staat in de bespreking van de declaratie van de advocaat.
Wie een concreet vermoeden van een fout heeft, legt dat schriftelijk aan zijn advocaat voor en vraagt om een inhoudelijke reactie. Dat is het moment waarop een fout nog te herstellen valt, en het wegwuiven van zo'n signaal is in de geanalyseerde uitspraken zelfstandig aangerekend.
De tuchtrechter behandelt geen volledige schadevordering. Wel kan hij op grond van artikel 48b Advocatenwet als bijzondere voorwaarde opleggen dat de advocaat de door hem veroorzaakte schade tot ten hoogste 5.000 euro vergoedt. Voor volledige schadevergoeding is de civiele rechter aangewezen, met een eigen maatstaf en een eigen bewijslast: zie beroepsaansprakelijkheid van advocaat, notaris en accountant.
Veelgestelde vragen
Binnen welke termijn moet een klacht over de eigen advocaat worden ingediend?
Binnen drie jaar na de dag waarop de klager kennis heeft genomen of redelijkerwijs kennis heeft kunnen nemen van het handelen of nalaten, op grond van artikel 46g lid 1 Advocatenwet. Zijn de gevolgen pas later bekend geworden, dan verloopt de termijn een jaar na de datum waarop die gevolgen redelijkerwijs als bekend zijn aan te merken. Klachten over de hoogte van een declaratie kunnen niet-ontvankelijk worden verklaard als daarvoor een geschillenweg openstaat.
Wat kan een raad van discipline naast een maatregel bepalen?
Bij een voorwaardelijke maatregel kan een bijzondere voorwaarde worden gesteld, en in kwaliteitszaken is dat een coachingstraject over de inrichting van de praktijk, op kosten van de advocaat en met een door de deken goedgekeurd plan van aanpak. Artikel 48b Advocatenwet maakt daarnaast mogelijk dat als bijzondere voorwaarde vergoeding van de veroorzaakte schade tot ten hoogste 5.000 euro wordt opgelegd. Ook kan de raad in daarvoor in aanmerking komende gevallen de termijn van artikel 8a lid 3 Advocatenwet verkorten. In de zaak van de stukadoor betekende dat dat de onvoorwaardelijke schorsing vijf in plaats van tien jaar voor derden zichtbaar bleef. Daarnaast kan de raad de advocaat in de proceskosten veroordelen ten gunste van de klager, de orde en de Staat, en dat gebeurt vaak in zaken waarin een maatregel volgt.
Weegt een tuchtrechtelijk oordeel mee als de cliënt schadevergoeding vordert?
Het weegt mee zonder beslissend te zijn. De civiele rechter waardeert de beslissing van de tuchtrechter naast de overige feiten en omstandigheden. De kaders verschillen in wat bewezen moet worden: de tuchtrechter beoordeelt of een behoorlijk advocaat zo had mogen handelen, de civiele rechter of toerekenbaar is tekortgeschoten en welke schade daaruit volgt. Een maatregel is dus een aanwijzing, en het causaal verband en de schade moeten in de civiele procedure nog steeds worden onderbouwd.
Aangehaalde rechtspraak
Hof van Discipline: ECLI:NL:TAHVD:2025:250 (1 december 2025, gebrek aan civiele procesrechtelijke kennis schendt de kernwaarde deskundigheid, en een vaststellingsovereenkomst met een tuchtklachtverbod op straffe van een dwangsom schendt de integriteit; schorsing vier weken); ECLI:NL:TAHVD:2018:32 (5 februari 2018, een goed verdedigbare aanpak van de zaak is niet in strijd met de kwaliteitseisen; de beslissing waarnaar de raden voor de professionele standaard verwijzen); ECLI:NL:TAHVD:2026:95 (3 april 2026, bekrachtiging van de beslissing dat een erkend verzuim onzorgvuldig kan zijn en toch van onvoldoende gewicht blijft).
Raad van Discipline Den Haag: ECLI:NL:TADRSGR:2025:247 (1 december 2025, dagvaarden namens de verkeerde partij als weloverwogen keuze in plaats van herstelbare vergissing, en het wegwuiven van het signaal van de cliënt; berisping); ECLI:NL:TADRSGR:2026:31 (26 januari 2026, uitsluitend telefonisch en via WhatsApp geïnformeerd en niets vastgelegd legt het bewijsrisico bij de advocaat; voorwaardelijke schorsing vier weken met coachingstraject); ECLI:NL:TADRSGR:2026:98 (4 mei 2026, weigeren te procederen bij onvoldoende slagingskans valt binnen de vrijheid van de advocaat, en finale kwijting sluit de weg alsnog af; ongegrond); ECLI:NL:TADRSGR:2026:108 (13 mei 2026, de opdracht mag worden afgebakend tot het deel waarin de advocaat slagingskans ziet; kennelijk ongegrond).
Raad van Discipline Amsterdam: ECLI:NL:TADRAMS:2025:181 (6 oktober 2025, ontbrekende opdrachtbevestiging en gespreksverslagen bij ruim twee jaar bijstand, met het tuchtrechtelijk verleden en het uitblijven van reflectie; schorsing drie weken); ECLI:NL:TADRAMS:2025:156 (8 september 2025, een standaard-ingebrekestelling die geen enkel doel diende omdat de hulpvraag niet was gelezen; klacht gegrond, maatregel opgelegd in de beslissing op het dekenbezwaar); ECLI:NL:TADRAMS:2025:155 (8 september 2025, het dekenbezwaar waarin de schrapping is opgelegd).
Raad van Discipline Arnhem-Leeuwarden: ECLI:NL:TADRARL:2025:278 (22 december 2025, dagen doorcommuniceren over stukken terwijl het vonnis al was gewezen, met een eerdere veroordeling over vergelijkbare gebreken; voorwaardelijke schorsing acht weken); ECLI:NL:TADRARL:2026:133 (1 juni 2026, ontbrekende schriftelijke voorlichting over aanpak en kans van slagen schendt gedragsregel 16 en de kernwaarde deskundigheid in ernstige mate; schorsing vier weken, met verkorting van de tableautermijn tot vijf jaar); ECLI:NL:TADRARL:2024:122 (6 mei 2024, de in hoger beroep deels vernietigde beslissing in de openingszaak).
Raad van Discipline 's-Hertogenbosch: ECLI:NL:TADRSHE:2026:47 (7 april 2026, verzuim om met bekwame spoed een verzoek tot voorlopige kinderalimentatie in te dienen schendt de voortvarendheidsplicht en de kernwaarde deskundigheid, omdat de ingangsdatum in de regel de datum van indiening is; waarschuwing, mede omdat de advocaat stagiaire was); ECLI:NL:TADRSHE:2025:88 (26 mei 2025, een verzuimd strafdossier is onzorgvuldig maar van onvoldoende gewicht, en de plicht reikt niet verder dan de aanvaarde opdracht); ECLI:NL:TADRSHE:2024:165 (18 november 2024, de advocaat mag met zijn werkzaamheden wachten tot de eigen bijdrage is betaald).