Inleiding
Een vrouw start een crowdfundingactie om haar rechtsbijstand te bekostigen. Ze heeft al een advocaat gehad die te duur was. Ze vindt een nieuw kantoor en maakt een afspraak: € 200 per uur. Wat die uren gaan kosten? Dat weet ze niet. Het kantoor ook niet, of in elk geval: het vertelt het haar niet. Ruim een jaar later ligt er een factuur van € 64.579 inclusief btw. De vrouw weigert te betalen. De rechtbank geeft haar grotendeels gelijk: het kostenbeding wordt vernietigd wegens oneerlijkheid. Van de vordering blijft ongeveer een derde overeind, en alleen omdat voor één aanvullende opdracht wél een kostenraming was gegeven.
Maar het beeld is genuanceerder dan een reeks vernietigde declaraties suggereert. Sinds het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 12 januari 2023 kan de rechter ingrijpen wanneer een dienstverlener, of dat nu een advocaat, fiscalist of aannemer is, zijn cliënt-consument niet vooraf over de te verwachten kosten informeert. Het instrument werkt in twee stappen, eerst transparantie, dan pas oneerlijkheid, en de tweede is een zelfstandige horde. Het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden (12 augustus 2025, ECLI:NL:GHARL:2025:4995) zette die tweede stap het scherpst neer. Het Gerechtshof Den Haag (14 juli 2026, ECLI:NL:GHDHA:2026:2248) volgde bijna een jaar later dezelfde lijn. Een advocatendeclaratie waarvoor vooraf géén kostenraming was gegeven, was daar weliswaar niet-transparant, maar niet oneerlijk, en werd alsnog volledig toegewezen. Wie enkel op het informatiegebrek afgaat, mist de kern van de toets.
Eenentwintig uitspraken van hoven en rechtbanken zijn hierna geanalyseerd. Negentien daarvan gaan over de uitkomst van een declaratie. Zeven keer bleef het kostenbeding zonder korting overeind, zeven keer volgde een korting van 10 tot 60 procent, en vijf keer sneuvelde het beding. Wat het verschil maakt is zelden het ontbreken van de kostenraming op zichzelf.
Uurtarief alleen voldoet niet aan het transparantievereiste
Op 12 januari 2023 beantwoordde het Hof van Justitie EU in zaak C-395/21 een Litouwse prejudiciële vraag over het kostenbeding van een advocaat. Het antwoord was helder: een uurtarief alleen is niet transparant in de zin van artikel 4 lid 2 van Richtlijn 93/13.
De redenering: een gemiddelde consument kan op basis van een uurtarief niet inschatten hoeveel de dienstverlening hem uiteindelijk gaat kosten. Juridische procedures zijn complex en onvoorspelbaar, maar dat ontslaat de dienstverlener niet van zijn verplichting. Het Hof erkent dat exacte prognoses niet altijd mogelijk zijn. Maar de informatie moet aanwijzingen bevatten waarmee de consument het totaalbedrag bij benadering kan ramen: een schatting van het minimale aantal uren, een indicatie van de orde van grootte, of concrete afspraken over tussentijdse overzichten.
Een niet-transparant kostenbeding is vervolgens oneerlijk als het ten nadele van de consument een aanzienlijk onevenwicht tussen de rechten en plichten van partijen schept. Dat is een tweede toets, met een eigen maatstaf.
Informatieplichten bij opdracht op kantoor en op afstand
In Nederland geldt voor advocaten en andere dienstverleners die rechtstreeks contracteren met consumenten een gelaagd stelsel van informatieverplichtingen.
Welke informatieplicht geldt, hangt af van de wijze waarop de opdracht tot stand komt. De hoofdregel is artikel 6:230l BW, dat geldt voor iedere overeenkomst die niet op afstand of buiten de verkoopruimte wordt gesloten. De handelaar moet dan onder meer informatie verstrekken over de voornaamste kenmerken van de dienst en over de totale prijs. Kan die prijs door de aard van de dienst niet vooraf worden berekend, dan moet hij uitleggen hoe de prijs wordt berekend. Bij overeenkomsten voor onbepaalde duur komen daar de voorwaarden voor opzegging bij. Omdat de bepaling negatief is geformuleerd, geldt zij ook voor de opdracht die op het kantoor van de dienstverlener wordt aangenomen.
Pas wanneer de overeenkomst kwalificeert als overeenkomst op afstand gelden de zwaardere verplichtingen van de artikelen 6:230m en 6:230v BW, waaronder een bevestiging op een duurzame gegevensdrager en de mededeling van het recht van ontbinding. Dat het contact telefonisch of per e-mail verliep, is daarvoor niet voldoende.
Artikel 6:230g lid 1 onder e BW eist daarnaast een georganiseerd systeem voor dienstverlening op afstand. Volgens de memorie van toelichting bij de Implementatiewet richtlijn consumentenrechten volgt uit de woorden georganiseerd en systeem dat het gebruik van middelen voor communicatie op afstand stelselmatig moet zijn, en niet min of meer toevallig. Die formulering ontleent de toelichting zelf aan de eerdere wetsgeschiedenis van de koop op afstand (Kamerstukken II 2012/13, 33 520, nr. 3, onderdeel e, onder verwijzing naar Kamerstukken II 1999/2000, 26 861, nr. 3, p. 13). Een website waarop enkel informatie over de handelaar en diens producten te vinden is, is volgens diezelfde toelichting uitdrukkelijk geen zodanig systeem.
Dezelfde toelichting beslist ook het grensgeval dat in de rechtspraak steeds terugkeert. Wordt in de winkel over een overeenkomst onderhandeld en de overeenkomst vervolgens via internet of telefoon gesloten, dan is er geen overeenkomst op afstand; omgekeerd geldt hetzelfde. Ging aan de opdracht dus een gesprek in persoon vooraf waarin over de opdracht is onderhandeld, dan is van een overeenkomst op afstand geen sprake, ook niet als de overeenkomst daarna per e-mail wordt gesloten (Rb. Overijssel, ECLI:NL:RBOVE:2024:2803). Omgekeerd is voor een georganiseerd systeem geen webshop of bestelknop nodig: een website die verder gaat dan een uithangbord en bezoekers aanmoedigt op afstand contact te leggen, volstaat (Rb. Midden-Nederland, ECLI:NL:RBMNE:2026:487).
Naast deze consumentenrechtelijke verplichtingen werkt de oneerlijkheidstoets van Richtlijn 93/13 via artikel 6:231 BW e.v. Een kostenbeding is een kernbeding en valt daarmee buiten het begrip algemene voorwaarden, zodat de oneerlijkheidstoets er niet op van toepassing is. Die uitzondering geldt blijkens artikel 6:231 onder a BW alleen voor zover het beding duidelijk en begrijpelijk is geformuleerd. Is het dat niet, dan valt het kostenbeding alsnog onder afdeling 6.5.3 en kan het op grond van artikel 6:233 onder a BW worden vernietigd.
De Gedragsregels advocatuur (Regel 17) verplichten de advocaat daarnaast om zijn cliënt te informeren over de financiële consequenties van zijn bijstand en om tijdig te waarschuwen wanneer de kosten dreigen te worden overschreden. Die tuchtrechtelijke norm werkt door in het civiele recht: zowel het Gerechtshof Den Haag als de rechtbank Den Haag rekende Regel 17 uitdrukkelijk mee bij de civielrechtelijke beoordeling van het kostenbeding.
Twee stappen: transparantie en oneerlijkheid
Stap 1. Transparantie: een uurtarief alleen is nooit voldoende
De rechtspraak is op dit punt consistent. Voor het Gerechtshof Amsterdam (ECLI:NL:GHAMS:2024:3269) vorderde een advocaat betaling van openstaande declaraties voor begeleiding bij een echtscheiding. Het uurtarief van € 165 was vooraf medegedeeld, er werd maandelijks gefactureerd en de cliënt had nooit geklaagd. Toch vond het hof het kostenbeding niet transparant. Het hof wees af dat feitelijk maandelijks declareren als alternatief voor een kostenraming kan gelden: de advocaat had vooraf moeten aangeven of het ging om een zaak van € 5.000, € 10.000 of € 50.000. Dat oordeel betekende een breuk met de eigen eerdere jurisprudentie van het hof, dat in ECLI:NL:GHAMS:2023:440 en ECLI:NL:GHAMS:2023:949 nog anders had geoordeeld.
Periodieke urenoverzichten achteraf maken het evenmin goed. In de ITA-zaak (Rechtbank Amsterdam, ECLI:NL:RBAMS:2026:2670) stuurde een advocaat nagenoeg maandelijks urenoverzichten. Toch oordeelde de rechtbank dat dit onvoldoende was: de informatieverplichting kan niet worden vervuld door achteraf overzichten te sturen van al verricht werk. De cliënt had geen enkel referentiepunt waaraan zij die overzichten kon afzetten.
Beslissend is dus niet hoe er is gefactureerd, maar wat er bij het sluiten van de overeenkomst is afgesproken. Het Gerechtshof Den Haag (12 mei 2026, ECLI:NL:GHDHA:2026:942) maakte dat expliciet. Daar bevatte de opdrachtbevestiging naast het uurtarief van € 150 de verbintenis om maandelijks tussentijds te declareren. Dat de advocaat die afspraak vervolgens niet nakwam en pas na ruim twee jaar factureerde, deed aan de transparantie niet af: die wordt beoordeeld naar het tijdstip van het sluiten van de overeenkomst, en niet naar de vraag of het beding daadwerkelijk is nagekomen (r.o. 247, onder verwijzing naar HR 21 april 2017, ECLI:NL:HR:2017:773). Een verbintenis tot tussentijdse facturering met redelijke tussenpozen is precies het tweede alternatief dat het Hof van Justitie noemt, en het hof achtte het beding daarom voldoende transparant. Het woog daarbij mee dat het aantal benodigde uren sterk afhing van de houding van de wederpartij, zodat een voorspelling vooraf weinig zou toevoegen aan maandelijks declareren.
Het verschil met de echtscheidingszaak zit dus in de opdrachtbevestiging, niet in het declaratiegedrag. Een afspraak over tussentijdse overzichten die bij het aangaan van de opdracht is vastgelegd, maakt het beding transparant. Maandelijkse facturen die zonder zo'n afspraak worden verstuurd, doen dat niet.
Het gaat niet alleen om grote declaraties. Een kantoor stuurde voor verhoorbijstand in een strafzaak een voorschotnota van € 726 en bracht uiteindelijk drie uur in rekening. De Rechtbank Den Haag (4 maart 2026, ECLI:NL:RBDHA:2026:4488) oordeelde dat de opdrachtbevestiging met enkel het uurtarief en het voorschot niet duidelijk en begrijpelijk was. Dat de cliënt daarnaast gebonden was aan bindende adviezen van de Geschillencommissie Advocatuur stond aan die toets niet in de weg.
De informatieplicht eindigt bovendien niet bij het sluiten van de overeenkomst. In een zaak van Rechtbank Midden-Nederland (ECLI:NL:RBMNE:2026:431) betaalde een cliënt zijn advocaat keurig totdat zijn bedrijf in 2023 failliet ging. Daarna stopte hij met betalen. De advocaat werkte door en informeerde hem niet over de financiële gevolgen van de nog te verrichten werkzaamheden. Na de zitting ontving de cliënt drie facturen die hem volledig verrasten, hij dacht dat de zaak klaar was. De kantonrechter legde een korting van 20 procent op wegens schending van die doorlopende informatieplicht.
Stap 2. Oneerlijkheid: de vergelijking met het aanvullende recht
Niet-transparant en oneerlijk zijn twee afzonderlijke stappen, en de tweede is een zelfstandige horde. Het Hof van Justitie benadrukte al in r.o. 52 van het arrest van 12 januari 2023 dat niet-transparant niet zonder meer oneerlijk betekent.
Het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden werkte die tweede stap op 12 augustus 2025 het volledigst uit, in een zaak tegen advocatenkantoor Kienhuishoving over declaraties van in totaal ruim € 104.000. Het hof stelt voorop dat het gebrek aan transparantie bij het oordeel over oneerlijkheid slechts een gezichtspunt is. Doorslaggevend is een vergelijking: plaatst het beding de consument in een juridisch minder gunstige positie dan hij zonder dat beding op grond van het nationale recht zou hebben gehad? Die maatstaf is niet nieuw. De Hoge Raad formuleerde haar in HR 21 april 2017 (ECLI:NL:HR:2017:773) in navolging van het Aziz-arrest van het Hof van Justitie, en het hof past haar hier toe op het kostenbeding.
Die vergelijking pakt bij een uurtariefafspraak vaak in het voordeel van de dienstverlener uit, en het hof legt scherp uit waarom. Zonder kostenbeding is op grond van artikel 7:405 lid 2 BW een redelijk loon verschuldigd. De gehanteerde tarieven van € 280 en € 130 per uur waren niet onredelijk of ongebruikelijk, en declareren op uurbasis evenmin, zodat het beding de rechtspositie van de consument in dat opzicht niet aantastte. Het hof voegt daaraan een tweede punt toe: ook onder de wettelijke regeling van artikel 7:405 BW kan een consument de totale kosten niet vooraf inschatten. Het informatiegebrek waarover geklaagd wordt, is dus geen verslechtering ten opzichte van het recht dat zonder het beding zou gelden. Het kostenbeding was niet onredelijk bezwarend, en de vordering tot terugbetaling uit onverschuldigde betaling strandde.
Het Gerechtshof Den Haag volgde die lijn op 14 juli 2026. Een advocaat had een consument bijgestaan in een geschil over de zorgregeling voor zijn dochter. De opdrachtbevestiging noemde een uurtarief van € 205 exclusief btw, maar géén raming van de totale kosten en géén afspraak over tussentijdse urenoverzichten. De kantonrechter vernietigde het kostenbeding als oneerlijk. Het hof draaide dat om. Het beding was niet transparant, mede omdat Regel 17 van de Gedragsregels advocatuur een redelijke inschatting van de kosten veelal vergt. Maar het overeengekomen uurtarief van € 248,05 inclusief btw was, gelet op de aard van de zaak, niet onredelijk. Afgezien van het informatiegebrek week het beding dus niet wezenlijk ten nadele van de consument af van wat rechtens zou hebben gegolden.
Bovendien had de advocaat geen misleidende suggesties gedaan over de kosten, en was niet aannemelijk dat de consument bij volledige kosteninformatie van de opdracht zou hebben afgezien. De volledige declaratie van € 1.763,24 werd toegewezen.
Het hof waarschuwde ten overvloede tegen de omgekeerde redenering. Wie een niet-transparant beding automatisch als oneerlijk kwalificeert, zonder te toetsen of werkelijk ten nadele van de consument is afgeweken, komt tot onbillijke én rechtsonzekere uitkomsten. Het Litouwse recht dat aan het arrest van 12 januari 2023 ten grondslag lag, koos uitdrukkelijk voor een hoger beschermingsniveau, niet-transparant gelijk aan oneerlijk, maar de Nederlandse wetgever heeft die keuze niet gemaakt. Het enkele ontbreken van een kostenraming is dus geen zelfstandige grond voor vernietiging of korting.
Factoren die het kantelpunt wél bepalen:
- Kenbare financiële kwetsbaarheid. Wist de dienstverlener dat de cliënt beperkte middelen had of dat het financiële aspect bijzonder zwaar woog?
- Misleidende suggesties. Heeft de opdrachtbevestiging de indruk gewekt dat de kosten beperkt zouden blijven, of dat een derde ze zou dragen?
- Marktconformiteit van het tarief. Een gebruikelijk uurtarief weegt in het voordeel van de dienstverlener.
- Volledige afwezigheid van enige indicatie. Heeft de dienstverlener werkelijk niets medegedeeld over de omvang van de werkzaamheden?
- Een genoemd bedrag dat het uiteindelijke bedrag ver ondergraaft. Is de cliënt een orde van grootte voorgehouden waar de declaratie een veelvoud van blijkt?
In vijf zaken werd de horde gehaald. In de ITA-zaak wist de advocaat dat de cliënt via crowdfunding geld had ingezameld voor haar rechtsbijstand en dat haar vorige advocaat al te duur was bevonden. Het financiële aspect was kenbaar van zwaarwegend belang. Onder die omstandigheden impliceerde het noemen van alleen een uurtarief volgens de rechtbank een soort blanco cheque. Het kostenbeding werd vernietigd als oneerlijk: de rechter wees de gehele vordering van € 64.579 af, met uitzondering van een aanvullende opdracht voor een kort geding waarvoor wél een kostenraming was gegeven (toegewezen: € 17.962).
Het Gerechtshof 's-Hertogenbosch oordeelde in vergelijkbare zin in de WonenBreburg-zaak (ECLI:NL:GHSHE:2025:822): de opdrachtbevestiging vermeldde dat een eventueel overschot op het voorschot van € 1.210 zou worden terugbetaald. Daarmee was de suggestie gewekt dat de totale kosten bij benadering met dat voorschot zouden overeenkomen. Die suggestie was onjuist. Het kostenbeding werd vernietigd; de advocaat moest het betaalde voorschot terugbetalen.
Het genoemde bedrag was ook beslissend bij Rechtbank Noord-Holland (14 januari 2026, ECLI:NL:RBNHO:2026:2374). Aan de cliënt was € 750 doorgegeven voor het controleren van een vaststellingsovereenkomst; de declaratie liep op tot boven € 5.500. Ook als de door het kantoor geschetste mondelinge toelichting zou zijn komen vast te staan, hoefde de cliënt met zo'n bedrag geen rekening te houden. Het kantoor had bij het aangaan van de opdracht een indicatie van de meerkosten moeten geven voor het geval uitgebreid onderhandeld zou moeten worden. Dat de cliënt bij zijn vorige advocaat een vergelijkbaar uurtarief was overeengekomen, maakte dat niet anders.
Dat de norm niet aan de advocatuur is voorbehouden, blijkt uit Rechtbank Noord-Holland (11 maart 2026, ECLI:NL:RBNHO:2026:2941). Een professioneel juridisch dienstverlener, geen advocaat, stond een werkneemster bij in een arbeidsgeschil tegen € 125 per uur en declareerde uiteindelijk € 24.396,78. Vooraf was geen indicatie van de orde van grootte gegeven; ter zitting erkende de dienstverlener zelf te hebben gezegd dat het waarschijnlijk niet langer dan vijf à tien uur zou duren. Bovendien was in overleg besloten niet maandelijks te factureren, met het argument dat de kosten bij een schikking doorgaans door de werkgever worden gedragen. Daarmee werd de cliënt zowel het zicht op de oplopende uren ontnomen als de onjuiste voorstelling gewekt dat de rekening niet voor haar zou zijn. Het kostenbeding was oneerlijk; de vordering werd geheel afgewezen en het reeds betaalde bedrag van € 3.426,70 moest terug.
In de Haagse verhoorbijstandzaak ten slotte woog de rechtbank uitdrukkelijk mee dat Regel 17 het kantoor verplichtte een in redelijkheid te vormen inschatting te geven en dat dit was nagelaten. Het met de gedragsregels strijdige gebrek aan transparantie betekende dat het vereiste van goede trouw onvoldoende was nageleefd. Het kostenbeding werd vernietigd en € 484 moest worden terugbetaald.
Prijsvermindering van 10 tot 60 procent
Voor schendingen van de precontractuele en contractuele informatieplichten hanteren de rechtbanken een sanctiemodel. Het Burgerlijk Wetboek kent voor die schendingen zelf geen uitdrukkelijke sanctie. De grondslag ligt in HR 12 november 2021 (ECLI:NL:HR:2021:1677), waarin de Hoge Raad gedeeltelijke vernietiging als mogelijke sanctie noemde en de lagere rechters opriep daarvoor niet-bindende richtlijnen met vaste percentages op te stellen. Dat is gebeurd in de Richtlijn Sanctiemodel informatieplichten, vastgesteld door het LOVCK op 15 december 2021 en laatstelijk gewijzigd op 6 februari 2025, mede naar aanleiding van de prejudiciële beslissingen van HR 4 oktober 2024. In HR 10 juni 2022 (ECLI:NL:HR:2022:861) overwoog de Hoge Raad dat een richtlijn als deze bijdraagt aan de praktische hanteerbaarheid van de regels, aan gelijke behandeling van gelijke gevallen en aan de rechtszekerheid. De rechter kan er gemotiveerd van afwijken wanneer de aangewezen sanctie niet doeltreffend, evenredig of afschrikkend is. Bindend is het model dus niet.
Het model bestrijkt alle drie de regimes van afdeling 6.5.2B BW. Bij overeenkomsten op afstand gaat het om artikel 6:230m in verbinding met artikel 6:230v BW, bij overeenkomsten buiten de verkoopruimte om artikel 6:230m in verbinding met artikel 6:230t BW, en bij alle overige overeenkomsten om artikel 6:230l BW. Ontbreekt een deel van de essentiële informatie in de duurzame gegevensdrager, dan geldt dat als één schending. Er zijn vijf categorieën, waarin het aantal voldoende ernstige schendingen wordt gecombineerd met de vraag of de bestelknop aan artikel 6:230v lid 3 BW voldoet:
- één tot drie schendingen, bestelknop in orde: 20 procent vermindering van de hoofdsom
- geen schendingen, bestelknop niet in orde: 33,33 procent
- één of twee schendingen, bestelknop niet in orde: 40 procent
- vier of meer schendingen, bestelknop in orde: 40 procent
- drie of meer schendingen, bestelknop niet in orde: 60 procent
De eis van de bestelknop geldt alleen bij langs elektronische weg gesloten overeenkomsten op afstand. Komt de opdracht op kantoor tot stand, of in een e-mailwisseling zonder elektronisch bestelproces, dan is er geen bestelknop die kan tekortkomen. In de praktijk resteren dan de eerste en de vierde categorie: 20 procent bij één tot drie schendingen en 40 procent bij vier of meer. 60 procent is dan alleen bereikbaar via een gemotiveerde afwijking naar boven. Het model staat los van de vernietiging bij een oneerlijk beding, die hierboven aan de orde kwam; wat daarna van de vordering overblijft, komt verderop aan bod. En zoals beide hoven lieten zien, kan een marktconform tarief zonder misleiding ook helemaal geen korting opleveren, ondanks het ontbreken van een kostenraming. De volgende percentages beschrijven dus de bandbreedte wanneer een sanctie aan de orde is.
10 procent past de rechter toe wanneer de schendingen beperkt zijn of de verhouding tussen partijen bijzonder. Het Gerechtshof Amsterdam (13 mei 2025, ECLI:NL:GHAMS:2025:1257) kwam daarop uit bij een aannemer die een garageverbouwing afmaakte: de kosteninschatting van € 36.846,45 gold als richtprijs in de zin van artikel 7:752 BW, waardoor zonder waarschuwing maximaal 110 procent daarvan mocht worden gefactureerd. Het kostenbeding voor het meerwerk was niet transparant maar niet oneerlijk; wegens drie schendingen van precontractuele informatieplichten volgde 10 procent prijsvermindering. Bij een aannemer die een bevriend advocatenstel verbouwde paste Rechtbank Noord-Holland (ECLI:NL:RBNHO:2025:6572) eveneens 10 procent toe: de bijzondere verhouding tussen partijen en de juridische kennis van de opdrachtgever wogen mee.
20 procent prijsvermindering is een veelvoorkomende uitkomst bij één schending van de informatieplicht, doorgaans het ontbreken van een kosteninschatting bij een verder normaal kostenbeding. Voorbeelden: Rb. Noord-Holland (ECLI:NL:RBNHO:2026:998), waar de opdracht op kantoor tot stand kwam en de kantonrechter langs de weg van gedeeltelijke vernietiging (art. 3:40 lid 2 en 3:41 BW) in samenhang met de regeling van de oneerlijke handelspraktijk op 20 procent uitkwam, en Rb. Midden-Nederland (ECLI:NL:RBMNE:2026:431).
25 procent paste het Amsterdamse hof toe in de echtscheidingszaak, onder de vóór 6 februari 2025 geldende versie van het model, die 25 procent kende bij één tot drie schendingen en 50 procent bij meer dan drie (ECLI:NL:GHAMS:2024:3269).
40 procent prijsvermindering bij vier of meer schendingen van essentiële informatieplichten. Het Gerechtshof Amsterdam paste dit toe in een zaak waarin een advocaat voor bijstand in hoger beroep en een kort geding geen urenraming had verstrekt, geen herroepingsrecht had gemeld en geen schriftelijke bevestiging had gestuurd. Van een declaratie van bijna € 9.000 resteerde 60 procent (ECLI:NL:GHAMS:2025:1765).
60 procent prijsvermindering bij bijzondere omstandigheden. Rechtbank Gelderland paste dit toe in een zaak over een 28-jarige vrouw die via e-mail een arbeidsrechtadvocaat had ingeschakeld voor een verzoekschriftprocedure (ECLI:NL:RBGEL:2025:3738). De advocaat was voor de fasen 2 tot en met 4 van de procedure gestart zonder enige kosteninschatting, terwijl haar vader uitdrukkelijk om inzicht in de kosten had gevraagd. De procedure mislukte; de totale declaratie bedroeg ruim € 27.000. De rechter acht de omstandigheden (jonge cliënt, expliciete vraag om kosteninformatie, overeenkomst op afstand) reden voor een hogere sanctie dan de standaard van 20 procent, een afwijking naar boven die het model toestaat.
Er is ook een uitkomst waarin de rechter de schending vaststelt en tóch geen korting oplegt. In de Kienhuishoving-zaak merkte het hof het verzuim om over de kosten te informeren uitdrukkelijk aan als schending van de informatieplichten van artikel 6:230m e.v. BW, maar zag het geen aanleiding de kosten ambtshalve verder te verminderen: het kantoor had zijn declaraties al zelf teruggebracht van ruim € 104.000 naar € 55.000, en daarbovenop was schadevergoeding toegekend. Een dienstverlener die zelf substantieel matigt, ontneemt de ambtshalve korting daarmee dus haar grond.
Schadevergoeding als derde route
Diezelfde zaak laat de derde route zien. Naast het sanctiemodel en de oneerlijkheidstoets staat de zorgplicht van de opdrachtnemer, en die was in Kienhuishoving beslissend juist omdat het kostenbeding overeind bleef. Op grond van artikel 7:401 BW rust op de opdrachtnemer de zorg van een goed opdrachtnemer, en op grond van artikel 7:403 BW de verplichting de opdrachtgever tussentijds voldoende op de hoogte te houden. Van een redelijk bekwaam en redelijk handelend advocaat mag daarom worden verwacht dat hij zijn cliënt tussentijds informeert over de ontwikkeling van de kosten, zoals ook uit Regel 17 volgt. Wordt dat nagelaten, dan is dat een tekortkoming in de nakoming van de opdracht.
De horde daar is het causaal verband. Voor de periode vóór de betalingsregeling van oktober 2019 kwam de cliënt er niet: hij had onvoldoende onderbouwd dat hij de opdracht niet zou hebben gegeven of eerder zou hebben gestaakt, mede omdat zijn rechtsbijstandsverzekeraar hem al gewaarschuwd had dat het budget beperkt was. Voor de periode daarna oordeelde het hof anders: het kantoor had tijdens het hoger beroep onvoldoende over het kostenverloop geïnformeerd en ten onrechte vooraf geen kostenraming gegeven, en zonder die tekortkoming had een gerede kans bestaan dat de cliënt eerder van voortzetting had afgezien. De schade werd geschat op € 20.000, gebaseerd op een kans van 50 procent dat die kosten niet zouden zijn gemaakt.
Het Haagse hof kwam in mei 2026 langs een andere weg op dezelfde toets uit. Nadat het het kostenbeding transparant en niet oneerlijk had bevonden, overwoog het ten overvloede dat het niet nakomen van de afspraak om maandelijks te declareren een toerekenbare tekortkoming oplevert. Schade is er wanneer de cliënt aannemelijk maakt dat hij bij tussentijdse declaratie aanleiding had gezien de opdracht te beëindigen vanwege de oplopende kosten. In die zaak was daarop geen beroep gedaan.
Voor de praktijk betekent dit dat een cliënt bij wie het kostenbeding de oneerlijkheidstoets doorstaat niet met lege handen staat, en dat een dienstverlener die het beding wint alsnog op de zorgplicht kan verliezen. Twee hoven leggen dezelfde maatstaf aan: zou de cliënt bij tijdige informatie zijn gestopt? De begroting verloopt dan via de kansschatting, niet via een percentage uit het sanctiemodel.
Wanneer de declaratie wel volledig toewijsbaar is
Niet elke procedure eindigt in een korting of vernietiging. Twee gevallen laten zien wat wel werkt.
Een architect stuurde zijn cliënten voorafgaand aan de opdracht een offerte per e-mail, uitgesplitst per fase met bijbehorende kosten. De cliënten accepteerden diezelfde dag. Nadat de facturen onbetaald bleven, wees de kantonrechter de vordering af wegens onvoldoende onderbouwing van de precontractuele informatieplicht, maar het Gerechtshof Amsterdam corrigeerde dit (ECLI:NL:GHAMS:2023:1717): een gespecificeerde offerte per fase is een deugdelijke prijsindicatie. De volledige vordering van € 11.594 werd alsnog toegewezen.
In een andere zaak huurde een consument fiscalisten in voor een ingewikkeld belastinggeschil. Naast de uurtarieven was een voorschot van € 50.000 exclusief btw overeengekomen. Dat voorschot was volgens het Gerechtshof Amsterdam (ECLI:NL:GHAMS:2025:24) voldoende als indicatie van de te verwachten kosten: de consument wist dat zij zich in een traject met substantiële kosten begaf. De informatieplicht was nagekomen; het hof beoordeelde vervolgens alleen of de gedeclareerde uren deugdelijk waren onderbouwd.
Gemeenschappelijke noemer: in beide gevallen had de dienstverlener de cliënt vooraf een concreet beeld gegeven van wat het ging kosten. Dat hoeft geen nauwkeurige begroting te zijn. Een gespecificeerde offerte per fase, een substantieel voorschot als indicatie, een richtprijs in de zin van artikel 7:752 BW of een ruwe ordegrootte-opgave volstaan. Wat niet volstaat is een uurtarief zonder enig kader.
Wat resteert na vernietiging van het kostenbeding
Wordt het kostenbeding vernietigd als oneerlijk, dan kan de opdrachtovereenkomst niet voortbestaan, omdat overeenstemming over een essentieel onderdeel ontbreekt. Artikel 7:405 BW bepaalt dat bij gebreke van een loonafspraak een redelijk loon verschuldigd is, maar die bepaling kan na vernietiging van een oneerlijk kostenbeding niet worden ingeroepen. Dat zou de afschrikkende werking van de sanctie tenietdoen, zo oordeelde de Hoge Raad in het Kinderopvang-arrest. Het vernietigde beding mag ook niet worden vervangen door een rechterlijke raming van de vergoeding.
Daarmee is de dienstverlener niet per definitie uitgeprocedeerd. In HR 4 oktober 2024 (ECLI:NL:HR:2024:1366) oordeelde de Hoge Raad dat een handelaar na vernietiging in beginsel een vordering uit onverschuldigde betaling of ongerechtvaardigde verrijking kan hebben. De vergoedingsplicht geldt dan slechts voor zover dat redelijk is, en de vereiste afschrikkendheid van de sanctie staat aan volledige vergoeding in de weg. Dat is de tweede prejudiciële beslissing van die dag, naast ECLI:NL:HR:2024:1355 over de bestelknop.
Hoe smal die uitweg is, laten twee vonnissen van dezelfde rechtbank binnen twee maanden zien. In de zaak van 14 januari 2026 verklaarde Rechtbank Noord-Holland de opdrachtovereenkomst nietig. Het beroep op ongerechtvaardigde verrijking wees zij af: het kantoor had over de vermogensvergelijking niet meer gesteld dan dat het was verarmd, en vroeg om een in goede justitie te bepalen vergoeding. Dat verdraagt zich niet met het verbod op een rechterlijke raming. Met aanvulling van rechtsgronden las de kantonrechter in het betoog wél een beroep op onverschuldigde betaling, en dat slaagde gedeeltelijk. Omdat de vernietiging de sanctie op het oneerlijke beding vormt, bepaalt zij mede de omvang van de vergoeding "voor zover dit redelijk is". Toegewezen werd 50 procent. In de zaak van 11 maart 2026 kwam een dergelijke vordering niet aan de orde en bleef het bij afwijzing plus terugbetaling van het reeds voldane bedrag.
De les daaruit is procedureel: de restitutievordering moet worden ingesteld en onderbouwd met een concrete waardevergelijking. Wat het Unierecht verbiedt is dat de rechter zelf een vergoeding raamt, niet dat een onderbouwde waardevordering wordt toegewezen.
Is het kostenbeding niet oneerlijk maar alleen niet-transparant, dan blijft de overeenkomst in stand. Sommige rechters passen in dat geval nog een prijsvermindering toe, maar dat is geen automatisme: beide hoven oordeelden dat bij een marktconform tarief zonder misleiding de volledige declaratie toewijsbaar is, ondanks het ontbreken van een kostenraming. Doorslaggevend is niet het informatiegebrek op zichzelf, maar of het beding de consument werkelijk in een slechtere positie bracht dan het aanvullende wettelijke recht.
Een kostenbeding dat het resultaat is van daadwerkelijke individuele onderhandeling valt buiten de werkingssfeer van Richtlijn 93/13. In de politieagente-zaak bevestigde de Hoge Raad (HR 5 december 2025, ECLI:NL:HR:2025:1856) dat een op maat gemaakt tarief met een specifieke kortingsregeling buiten het toepassingsbereik van de Richtlijn valt. Buiten de Richtlijn vallen is echter niet hetzelfde als buiten afdeling 6.5.3 BW vallen.
Uit de parlementaire geschiedenis van de aanpassingswet bij Richtlijn 93/13 volgt dat de Nederlandse regeling op dit punt verder gaat dan de Richtlijn: zij geldt ook voor bedingen waarover is onderhandeld. Het dwingende regime kan dus niet worden ontweken door onderhandeling te pretenderen. Het is immers niet moeilijk in de voorwaarden variaties aan te brengen en de consument daartussen mondeling te laten kiezen (Kamerstukken II 1998/99, 26 470, nr. 5). De informatieplichten van artikel 6:230l en 6:230m BW gelden eveneens onverkort.
In dezelfde zaak oordeelde de Hoge Raad overigens dat aan die informatieplicht was voldaan, omdat de cliënt vooraf duidelijk was geïnformeerd over de wijze waarop de prijs zou worden berekend en over de af te nemen diensten. Een kostenbeding kan dus de toets van artikel 6:230l onder c BW doorstaan en tegelijk niet transparant zijn in de zin van artikel 4 lid 2 van de Richtlijn. Het zijn twee maatstaven die elkaar overlappen maar niet samenvallen.
Wat betekent dit voor de opdrachtbevestiging?
De analyse laat zich terugbrengen tot een handvol keuzes bij het aangaan van de opdracht.
Geef een orde van grootte, geen exact bedrag. Een gespecificeerde offerte per fase, een substantieel voorschot, een richtprijs of een minimum aantal uren volstaat; een uurtarief zonder enig kader nooit. Wie de omvang van de zaak werkelijk niet kan overzien, legt vast welk deel van het werk wél is te ramen en spreekt af wanneer opnieuw wordt gekeken.
Een genoemd bedrag bindt. In twee zaken sneuvelde het beding doordat de declaratie een veelvoud bleek van wat vooraf was genoemd: € 750 tegenover ruim € 5.500, en vijf à tien uur tegenover € 24.396,78. Wie een indicatie geeft en daaroverheen gaat, waarschuwt tijdig en schriftelijk.
Wek nooit de indruk dat een ander betaalt. De mededeling dat de kosten bij een schikking doorgaans door de werkgever worden gedragen, en de toezegging dat een overschot op het voorschot wordt terugbetaald, waren in twee zaken de doorslag naar oneerlijkheid.
Blijf informeren tijdens de opdracht. Die verplichting volgt uit artikel 7:403 BW en uit Regel 17, en zij overleeft een kostenbeding dat de oneerlijkheidstoets doorstaat. Het kantoor dat op dat punt tekortschoot betaalde € 20.000 schadevergoeding terwijl zijn beding overeind bleef. Wat de advocaat achteraf over zijn declaratie moet verantwoorden, ook bij een vaste prijs, staat in de bespreking van de declaratie van de advocaat.
Matig zelf voordat de rechter dat doet. In de Kienhuishoving-zaak stelde het hof de schending van de informatieplichten vast en zag het toch af van een ambtshalve korting, omdat het kantoor zijn declaraties al van ruim € 104.000 tot € 55.000 had teruggebracht.
Voor de cliënt die een declaratie betwist ligt de vraag omgekeerd. Wat is vooraf schriftelijk over de kosten gezegd, en verhoudt het gedeclareerde bedrag zich daartoe? De rechter toetst het kostenbeding ambtshalve, ook zonder dat de consument zich op de Richtlijn beroept, en ook wanneer een geschillencommissie de zaak al heeft beoordeeld. Een uurtarief zonder enige indicatie levert vrijwel altijd een transparantiegebrek op. Of dat ook geld scheelt, hangt af van de vraag die de hoven centraal stellen: was het tarief gebruikelijk, en is er iets gezegd waardoor de kosten lager leken dan zij werden?
Veelgestelde vragen
Wanneer is een kostenbeding van een dienstverlener transparant?
Een kostenbeding is transparant als de consument vooraf de financiële consequenties kan inschatten. Een uurtarief alleen is onvoldoende. Voldoende zijn: een gespecificeerde offerte per fase, een schatting van de ordegrootte van de totale kosten, een substantieel voorschot als kostenindicatie, een richtprijs, of concrete afspraken over tussentijdse kostenraming per werkeenheid. Een bij het sluiten van de overeenkomst vastgelegde verbintenis om maandelijks tussentijds te declareren volstaat eveneens; maandelijks factureren zonder zo'n afspraak vooraf niet.
Wat is het verschil tussen een niet-transparant en een oneerlijk kostenbeding?
Niet-transparant en oneerlijk zijn twee stappen. Een kostenbeding is niet-transparant als de consument de financiële consequenties vooraf niet kon inschatten. Het is pas oneerlijk als het daarnaast een aanzienlijk onevenwicht tussen de rechten en plichten van partijen schept. De maatstaf daarvoor is een vergelijking met het recht dat zonder het beding zou gelden. Het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden wees erop dat ook onder artikel 7:405 BW de totale kosten niet vooraf te ramen zijn. Een marktconform uurtarief verslechtert de rechtspositie van de consument in dat opzicht dus niet. Alleen oneerlijkheid leidt tot vernietiging.
Geldt dit ook buiten de advocatuur?
Ja. De regels gelden voor iedere handelaar die diensten verleent aan een consument: advocaten, fiscalisten, juridisch adviseurs, aannemers, architecten en andere dienstverleners. De informatieverplichtingen van artikel 6:230l en 6:230m BW zijn niet sectorspecifiek. Rechtbank Noord-Holland vernietigde in maart 2026 het kostenbeding van een niet-advocaat die juridische bijstand verleende, en het Gerechtshof Amsterdam paste de toets toe op een aannemer.
Maakt het uit hoe de overeenkomst tot stand is gekomen?
Ja, maar het communicatiemiddel is niet beslissend. Voor overeenkomsten op afstand gelden strengere verplichtingen dan voor overeenkomsten die op kantoor worden gesloten: het recht van ontbinding moet worden gemeld en er moet een bevestiging op een duurzame gegevensdrager worden gestuurd. Van een overeenkomst op afstand is pas sprake als de dienstverlener een georganiseerd systeem voor dienstverlening op afstand hanteert, dus stelselmatig en niet min of meer toevallig op afstand contracteert. Een enkele opdracht die na een gesprek op kantoor per e-mail wordt bevestigd valt daar niet onder en wordt beoordeeld aan de hand van artikel 6:230l BW. Wordt het ontbindingsrecht bij een werkelijke overeenkomst op afstand niet gemeld, dan loopt de ontbindingstermijn tot maximaal twaalf maanden langer door en is de consument op grond van artikel 6:230s lid 5 BW geen vergoeding verschuldigd voor de diensten die in die periode zijn verleend.
Kan een advocaat na vernietiging van het kostenbeding nog iets vorderen?
Soms. Een redelijk loon op grond van artikel 7:405 BW is uitgesloten en de rechter mag de vergoeding niet zelf ramen. Wel kan een vordering uit onverschuldigde betaling of ongerechtvaardigde verrijking slagen, voor zover dat redelijk is. Die vordering moet dan wel worden ingesteld en onderbouwd met een concrete waardevergelijking: in januari 2026 wees Rechtbank Noord-Holland op die grondslag 50 procent toe, terwijl in maart 2026 dezelfde rechtbank de vordering geheel afwees en het betaalde bedrag liet terugbetalen. Afzonderlijke opdrachten waarvoor wél een kostenraming is gegeven worden apart beoordeeld en kunnen standhouden.
Aangehaalde rechtspraak
Hof van Justitie EU
- ECLI:EU:C:2023:14, 12 januari 2023 (C-395/21): een kostenbeding dat enkel een uurtarief noemt, stelt de consument niet in staat de financiële consequenties in te schatten en is daarom niet transparant.
Hoge Raad
- ECLI:NL:HR:2021:1677, 12 november 2021: bij schending van informatieplichten kan gedeeltelijke vernietiging als sanctie dienen; de feitenrechters kunnen daarvoor niet-bindende richtlijnen opstellen.
- ECLI:NL:HR:2022:861, 10 juni 2022: van zo'n richtlijn mag gemotiveerd worden afgeweken wanneer de aangewezen sanctie niet doeltreffend, evenredig of afschrikkend is.
- ECLI:NL:HR:2017:773, 21 april 2017 (Dexia): de oneerlijkheid van een beding wordt beoordeeld door de contractuele positie van de consument te vergelijken met de wettelijke regeling die zonder het beding zou gelden, en naar het tijdstip van het sluiten van de overeenkomst.
- ECLI:NL:HR:2023:198, 10 februari 2023 (Kinderopvang): na vernietiging van een oneerlijk beding mag geen redelijk loon in de plaats worden gesteld, omdat dat de afschrikkende werking tenietdoet.
- ECLI:NL:HR:2024:1355, 4 oktober 2024: prejudiciële beslissing over de bestelknop van artikel 6:230v lid 3 BW, ambtshalve toetsing bij verstek en de keuze tussen volledige en gedeeltelijke vernietiging.
- ECLI:NL:HR:2024:1366, 4 oktober 2024: na vernietiging kan de handelaar een vordering uit onverschuldigde betaling of ongerechtvaardigde verrijking hebben, maar slechts voor zover vergoeding redelijk is.
- ECLI:NL:HR:2025:1856, 5 december 2025: een op maat onderhandeld tarief met kortingsregeling valt buiten Richtlijn 93/13, maar niet buiten de informatieplichten van afdeling 6.5.2B BW.
Gerechtshoven
- ECLI:NL:GHDHA:2026:2248, 14 juli 2026: een niet-transparant kostenbeding met een marktconform uurtarief en zonder misleidende suggesties is niet oneerlijk; de volledige declaratie is toewijsbaar.
- ECLI:NL:GHDHA:2026:942, 12 mei 2026: een prijsbeding met de verbintenis om maandelijks tussentijds te declareren is voldoende transparant; de toets geldt het tijdstip van sluiten, niet de vraag of de afspraak is nagekomen. Het niet nakomen ervan is wel een toerekenbare tekortkoming.
- ECLI:NL:GHARL:2025:4995, 12 augustus 2025: het transparantiegebrek is bij de oneerlijkheidstoets slechts een gezichtspunt; nu ook artikel 7:405 BW de consument geen zicht op de totale kosten geeft, verslechtert een marktconform uurtarief zijn rechtspositie niet. Wel volgt schadevergoeding wegens het nalaten van tussentijdse kosteninformatie.
- ECLI:NL:GHAMS:2024:3269, 26 november 2024: maandelijks declareren vervangt de voorafgaande kostenraming niet; 25 procent prijsvermindering onder de toen geldende richtlijn.
- ECLI:NL:GHAMS:2025:1765, 8 juli 2025: vier of meer schendingen van essentiële informatieplichten leiden tot 40 procent prijsvermindering.
- ECLI:NL:GHAMS:2025:1257, 13 mei 2025: een kosteninschatting voor voldoende gespecificeerd werk is een richtprijs ex artikel 7:752 BW; het niet-transparante meerwerkbeding is niet oneerlijk, drie schendingen leveren 10 procent op.
- ECLI:NL:GHAMS:2023:440, 21 februari 2023: in hoger beroep alsnog aangetoonde naleving van de (pre)contractuele informatieplichten herstelt de in eerste aanleg afgewezen declaratie.
- ECLI:NL:GHAMS:2023:949, 25 april 2023: idem; deze lijn is met het arrest van 26 november 2024 verlaten waar het de kostenraming betreft.
- ECLI:NL:GHAMS:2023:1717, 18 juli 2023: een per fase gespecificeerde offerte is een deugdelijke prijsindicatie en voldoet aan de precontractuele informatieplicht.
- ECLI:NL:GHAMS:2025:24, 7 januari 2025: een voorschot van € 50.000 kan als indicatie van de te verwachten kosten volstaan.
- ECLI:NL:GHSHE:2025:822, 25 maart 2025: de suggestie dat de kosten met het voorschot zouden overeenkomen maakt het kostenbeding oneerlijk; het voorschot moet terug.
Rechtbanken
- ECLI:NL:RBAMS:2026:2670, 18 maart 2026: bij kenbare financiële kwetsbaarheid is een enkel uurtarief een blanco cheque; het kostenbeding wordt vernietigd, behalve voor de deelopdracht met kostenraming.
- ECLI:NL:RBNHO:2026:2374, 14 januari 2026: de overeenkomst is nietig en redelijk loon uitgesloten, maar op een onderbouwd beroep op onverschuldigde betaling is 50 procent toewijsbaar.
- ECLI:NL:RBNHO:2026:2941, 11 maart 2026: ook een niet-advocaat die juridische bijstand verleent valt onder de toets; het wekken van de indruk dat de werkgever de kosten draagt maakt het beding oneerlijk.
- ECLI:NL:RBDHA:2026:4488, 4 maart 2026: gebondenheid aan een bindend advies van de Geschillencommissie Advocatuur staat aan ambtshalve toetsing van het kostenbeding niet in de weg.
- ECLI:NL:RBMNE:2026:431, 21 januari 2026: de informatieplicht loopt door tijdens de opdracht; doorwerken zonder de cliënt over de financiële gevolgen te informeren kost 20 procent.
- ECLI:NL:RBNHO:2026:998, 21 januari 2026: bij een op kantoor gesloten opdracht leidt gedeeltelijke vernietiging in samenhang met de oneerlijke handelspraktijk tot 20 procent.
- ECLI:NL:RBMNE:2026:487, 4 februari 2026: voor een georganiseerd systeem is geen bestelknop nodig; een website die tot contact op afstand aanmoedigt volstaat.
- ECLI:NL:RBOVE:2024:2803, 28 mei 2024: is over de opdracht in persoon onderhandeld, dan is de daarna per e-mail gesloten overeenkomst geen overeenkomst op afstand.
- ECLI:NL:RBGEL:2025:3738, 7 mei 2025: een jonge cliënt die uitdrukkelijk om kosteninformatie vroeg en die niet kreeg, rechtvaardigt een afwijking naar boven tot 60 procent.
- ECLI:NL:RBNHO:2025:6572, 4 juni 2025: de bijzondere verhouding tussen partijen en de juridische kennis van de opdrachtgever rechtvaardigen een afwijking naar beneden tot 10 procent.
Lees ook
- Consumentenbescherming: oneerlijke bedingen en ambtshalve toetsing
- Precontractuele informatieplicht bij dienstverleners: wat moet een advocaat vertellen vóór de opdracht?
- Herroepingsrecht genegeerd: verkoper draait op voor werkelijke proceskosten
- Incassokostenbeding autoverhuurder vernietigd
- Hoge Raad: contractuele rente van 1,5% per maand kan onaanvaardbaar zijn