Inleiding
Advocaten, notarissen en accountants oefenen hun beroep uit onder één en dezelfde civielrechtelijke maatstaf, maar de invulling ervan verschilt per praktijk. Voor alle drie geldt dat een cliënt, en soms een derde, schade kan lijden door een beroepsfout: een gemiste termijn, een onjuist advies, een gebrekkige akte of een ten onrechte afgegeven verklaring. De vraag wanneer een advocaat, notaris of accountant voor die fout aansprakelijk is, wordt niet beantwoord door de norm alleen, maar door het causaal verband en de schade. Naast de civiele aansprakelijkheid kent elk van deze beroepen bovendien een eigen tuchtrecht, en de verhouding tussen beide bepaalt vaak de strategie.
De maatstaf: redelijk bekwaam en redelijk handelend vakgenoot
De aansprakelijkheid van een beroepsbeoefenaar wordt beoordeeld naar de maatstaf of is gehandeld zoals van een redelijk bekwaam en redelijk handelend vakgenoot mag worden verwacht. Die norm vloeit voort uit de zorg van een goed opdrachtnemer (art. 7:401 BW) en werkt door bij een vordering uit wanprestatie (art. 6:74 BW) en, jegens derden, uit onrechtmatige daad (art. 6:162 BW). De maatstaf is voor alle beroepen gelijk, maar wordt ingekleurd door de aard van de opdracht, de geldende beroeps- en gedragsregels en de omstandigheden van het geval. Het zwaartepunt van een procedure ligt daarom zelden bij de norm zelf, maar bij de vraag of die in het concrete geval is geschonden en welke schade daaruit volgt.
De advocaat: beroepsfout, causaal verband en kansschade
Bij de advocaat draait aansprakelijkheid doorgaans om het missen van een termijn, het niet instellen van een rechtsmiddel, een onjuiste inschatting van de proceskansen of een gebrekkige advisering. Beslissend is niet of de zaak verloren is, maar of de advocaat heeft gehandeld zoals een redelijk bekwaam en redelijk handelend vakgenoot zou hebben gedaan. Het lastigste onderdeel is vaak het causaal verband: welke uitkomst zou zonder de fout zijn bereikt?
Voor die situatie heeft de Hoge Raad het leerstuk van de kansschade ontwikkeld. Waar een advocaat had verzuimd tijdig hoger beroep of een rechtsvordering in te stellen, staat de tekortkoming vast, maar blijft onzeker of het rechtsmiddel tot succes zou hebben geleid. De schade wordt dan begroot door de goede en kwade kansen te schatten die de cliënt in de gemiste procedure zou hebben gehad. Die lijn gaat terug op het arrest Baijings (HR 24 oktober 1997) en is samengevat en verfijnd in HR 21 december 2012, ECLI:NL:HR:2012:BX7491. Daarin is verduidelijkt dat kansschade pas aan de orde komt nadat het condicio-sine-qua-non-verband tussen de fout en het verlies van de kans is vastgesteld, en alleen bij een reële, dat wil zeggen niet zeer kleine, kans op succes. Kansschade moet worden onderscheiden van proportionele aansprakelijkheid, die de Hoge Raad in het Nefalit-arrest (HR 31 maart 2006) aanvaardde voor gevallen van onzeker causaal verband en die volgens het Fortis-arrest (HR 24 december 2010) met terughoudendheid moet worden toegepast. Beide arresten zijn weergegeven in het genoemde arrest van 2012.
De notaris: verhoogde zorgplicht, ook jegens derden
Op de notaris rust een zwaardere zorgplicht dan op veel andere beroepsbeoefenaren. Als openbaar ambtenaar is hij in beginsel gehouden zijn ambt te verlenen (de ministerieplicht van art. 21 Wet op het notarisambt), maar die plicht wordt begrensd door zijn zorgvuldigheidsplicht. In het Novitaris-arrest oordeelde de Hoge Raad dat op een notaris een zorgvuldigheidsplicht rust die zich niet alleen uitstrekt tot degene die zich tot hem wendt, maar onder omstandigheden ook betrekking heeft op derden wier belangen bij de voorgenomen ambtshandeling gemoeid zijn of kunnen zijn (HR 3 april 2015, ECLI:NL:HR:2015:831). Kent de notaris een gerechtvaardigd belang van een derde dat een beletsel kan vormen, dan moet hij dat onderzoeken en zo nodig waarschuwen of zijn dienst weigeren.
Naast deze algemene zorgvuldigheidsplicht geldt een bijzondere informatie- en waarschuwingsplicht (art. 43 Wet op het notarisambt): bij nadelige of riskante gevolgen van een akte moet de notaris de betrokkene waarschuwen en zich ervan vergewissen dat deze de gevolgen begrijpt. In de feitenrechtspraak leidt schending hiervan tot aansprakelijkheid van het notariskantoor, zoals bij een ten nadele van een partner gewijzigde partnerschapsvoorwaarde waarbij de notaris niet had gewaarschuwd (Rb. Gelderland 18 december 2024, ECLI:NL:RBGEL:2024:9232). De reikwijdte van de plicht hangt af van wat de notaris wist of behoorde te weten over de betrokken belangen.
De accountant: wettelijke en niet-wettelijke taken
Bij de accountant is het onderscheid tussen wettelijke en niet-wettelijke taken bepalend. Bij de wettelijke controle van een jaarrekening en het afgeven van een goedkeurende verklaring geldt een zorgvuldigheidsnorm die ook derden beschermt die op die verklaring mogen afgaan. In het Vie d’Or-arrest oordeelde de Hoge Raad dat een externe controlerend accountant onzorgvuldig kan handelen jegens derden die op een goedkeurende verklaring mogen afgaan, en formuleerde daarvoor gezichtspunten (HR 13 oktober 2006, ECLI:NL:HR:2006:AW2080). In datzelfde arrest oordeelde de Hoge Raad overigens dat de omkeringsregel voor het causaal verband hier niet opgaat, omdat de geschonden norm niet strekt tot het voorkomen van een specifiek gevaar. Bij niet-wettelijke taken, zoals advisering, geldt de gewone maatstaf van de redelijk handelend vakgenoot.
Aansprakelijkheid jegens derden
Bij alle drie de beroepen speelt de vraag of ook iemand buiten de contractuele relatie de beroepsbeoefenaar kan aanspreken. De contractuele wederpartij vordert langs de weg van de wanprestatie; een derde is aangewezen op de onrechtmatige daad (art. 6:162 BW). Uit Novitaris en Vie d’Or volgt dat de zorgvuldigheid die een notaris of accountant in acht moet nemen, zich onder omstandigheden mede tot derden uitstrekt. Of een derde met succes kan verhalen, hangt af van de vraag of de geschonden norm ook zijn belang beoogde te beschermen en of het beroep op de verklaring of de akte gerechtvaardigd was.
Verjaring van de vordering
Een vordering wegens een beroepsfout verjaart. De korte termijn van vijf jaar begint te lopen zodra de benadeelde bekend is met de schade en met de aansprakelijke persoon; daarnaast geldt een lange termijn van twintig jaar na de gebeurtenis (art. 3:310 BW). Bij beroepsfouten valt het moment van bekendheid vaak later dan de fout zelf, bijvoorbeeld wanneer een onjuist advies pas jaren later tot schade blijkt te leiden. Tijdige stuiting is daarom een terugkerend aandachtspunt, zowel voor wie een vordering wil behouden als voor wie zich tegen een late claim verweert.
Tuchtrecht én civiele aansprakelijkheid: hoe verhouden die zich?
Voor advocaten, notarissen en accountants bestaat naast de civiele aansprakelijkheid een eigen tuchtrecht. De tuchtrechter toetst aan de gedrags- en beroepsregels en kan een maatregel opleggen, maar kent geen schadevergoeding toe. Een tuchtrechtelijk oordeel is bovendien niet beslissend voor de civiele aansprakelijkheid. De burgerlijke rechter kan aan het oordeel van de tuchtrechter betekenis toekennen, maar aan de vaststelling dat in strijd met de beroepsnormen is gehandeld kan niet zonder meer de gevolgtrekking worden verbonden dat de betrokkene civielrechtelijk aansprakelijk is (Novitaris, ECLI:NL:HR:2015:831; Vie d’Or, ECLI:NL:HR:2006:AW2080). Wie schade wil verhalen voert dus de civiele procedure; wie het handelen getoetst wil zien aan de beroepsnormen dient een tuchtklacht in. De routes kunnen naast elkaar lopen, maar de uitkomst van de een bindt de ander niet. Wat de tuchtrechter van het optreden tegen de wederpartij verlangt, blijkt bijvoorbeeld uit de rechtspraak over dreigen met publiciteit als pressiemiddel.
Wat de uitkomst bepaalt
De uitkomst wordt zelden bepaald door de maatstaf zelf, maar door de vraag of die in het concrete geval is geschonden, door het causaal verband en door de begroting van de schade. Wie een beroepsbeoefenaar aanspreekt, doet er goed aan de geschonden norm, de fout en het hypothetische verloop zonder die fout scherp te onderbouwen, de kring van beschermde belangen af te bakenen en de verjaringstermijn te bewaken.