Inleiding
Een advocaat handelt toerekenbaar tekort wanneer hij bij de behandeling van een zaak niet de zorgvuldigheid betracht die van een redelijk bekwaam en redelijk handelend vakgenoot mag worden verwacht. Die norm vloeit voort uit de verplichting van een goed opdrachtnemer (art. 7:401 BW) en is in vaste rechtspraak van de Hoge Raad tot uitgangspunt verheven. De maatstaf is eenvoudig te formuleren en lastig toe te passen: de uitkomst hangt telkens af van de concrete omstandigheden van het geval.
Voor deze bijdrage zijn civiele uitspraken over beroepsaansprakelijkheid van de advocaat geanalyseerd, van rechtbankvonnissen tot arresten van de Hoge Raad. Uit die uitspraken komen twee lijnen naar voren. De beroepsfouten die tot aansprakelijkheid leiden zijn zelden het gevolg van een onjuist juridisch inzicht, maar van organisatorische en communicatieve verzuimen die al jaren terugkeren: het niet vastleggen van afspraken, het niet tijdig informeren van de cliënt, het laten verlopen van een termijn, of het nalaten door te vragen op een dossier dat meer aandacht vroeg. Daartegenover staat een even harde tweede lijn: niet elke tegenvaller in een procedure is een beroepsfout. Rechters trekken een scherpe grens tussen suboptimaal procederen en een toerekenbare tekortkoming, en die grens beslist veel zaken. Hieronder worden beide lijnen aan de hand van een gefocuste set leidende uitspraken uitgewerkt.
Advocaat deelt conceptmemorie een half uur voor indiening en cliënt verliest 49.475 euro
Een cliënt voert in hoger beroep een erfenisgeschil over een overbedelingsvordering van ruim 419.000 euro. Zijn advocaat bezorgt het concept van de memorie van grieven dertig minuten voor het verstrijken van de indieningstermijn, voert een kansloos bevoegdheidsincident, laat na verrekenposten in de grieven te betrekken, en bericht de cliënt onjuist dat pleidooi is gevraagd terwijl het hof al arrest heeft bepaald. Rechtbank Gelderland stelt drie beroepsfouten vast en veroordeelt het kantoor tot vergoeding van 49.475 euro (ECLI:NL:RBGEL:2025:2674).
De behandelend advocaat kon niet aantonen dat de keuze voor een beperkte grievenstrategie schriftelijk was vastgelegd. De cliënt had stukken over verrekenposten aangeleverd. Zonder vastgelegde tegeninstructie kon het verweer dat de cliënt uitsluitend grieven op de zekerheidsbepaling wilde, niet standhouden. De les die uit deze zaak spreekt keert in de hele geanalyseerde rechtspraak terug: het is de advocaat die de strategische keuze en de instructie van de cliënt moet documenteren, niet de cliënt die het tegendeel moet bewijzen.
De opdracht was formeel gesloten met het kantoor, niet met de behandelend advocaat. De algemene voorwaarden sloten zijn persoonlijke aansprakelijkheid op grond van de opdrachtsartikelen uit, maar niet op grond van onrechtmatige daad (art. 6:162 BW). Omdat de cliënt een consument was, gold bovendien de regel dat bij twijfel over de uitleg van een beding in algemene voorwaarden de voor de consument gunstigste uitleg prevaleert (art. 6:238 lid 2 BW). De persoonlijke aansprakelijkheid lag daarmee open. Dat een opdracht met het kantoor is gesloten, biedt de individuele advocaat dus geen automatische beschutting tegen een claim.
De grondnorm en de eigen verantwoordelijkheid van de cliënt
De rechtsverhouding tussen advocaat en cliënt is een overeenkomst van opdracht met een inspanningsverplichting, geen resultaatsverplichting. Rechtbank Rotterdam vat de maatstaf bondig samen: er kan pas worden gesproken van een toerekenbare tekortkoming indien een redelijk bekwaam en redelijk handelend vakgenoot in de gegeven omstandigheden anders zou hebben gehandeld dan wel een advies wel of niet zou hebben gegeven (ECLI:NL:RBROT:2024:2671 r.o. 4.4). Of aan de zorgplicht is voldaan is mede afhankelijk van de omstandigheden van het geval; daarbij kan betekenis toekomen aan de ernst en omvang van een risico, de waarschijnlijkheid dat het zich verwezenlijkt, en de mate waarin de cliënt zich al van dat risico bewust was (ECLI:NL:HR:2015:1406).
Uit die maatstaf volgt een eigen verantwoordelijkheid die verder reikt dan de letterlijke opdracht. De advocaat kan zich niet beperken tot wat de cliënt van hem vraagt, maar dient zelfstandig te beoordelen wat voor de zaak van belang is en daarnaar te handelen. De advocaat is dominus litis: hij bepaalt uiteindelijk, na overleg met zijn cliënt, zelfstandig wat wel en niet wordt aangevoerd. Aan die leidende rol zit een keerzijde vast. Waar de advocaat de regie voert, kan hij de gevolgen van een verkeerde regiekeuze ook toegerekend krijgen.
Die verantwoordelijkheid wordt echter begrensd door de verantwoordelijkheid van de cliënt om de voor zijn zaak relevante feiten aan te dragen. Gerechtshof Amsterdam maakte dat scherp in een zaak waarin een cliënt zijn advocaat verweet dat deze de grondslag voor het volle loon in de zin van art. 7:411 lid 2 BW te laat naar voren had gebracht. Het hof oordeelde dat het niet melden van feiten en inzichten in de onderliggende zaak geen normschending oplevert, wanneer het op de weg van de cliënt lag die aspecten tijdig aan te dragen en het niet onder de zorgplicht van de advocaat viel om daarop door te vragen. De cliënt had de advocaat pas in een laat stadium ingelicht over de werkelijke samenstelling van de gevorderde vergoeding, zodat de advocaat over die cruciale informatie eenvoudigweg niet beschikte. Van een beroepsfout was geen sprake (ECLI:NL:GHAMS:2016:4105 r.o. 3.4 en 3.5). De zorgplicht verplicht de advocaat dus tot zelfstandig meedenken, maar niet tot het raden naar feiten die de cliënt voor zich houdt.
Verplichtingen die rechters consequent handhaven
Binnen die grondnorm keert een reeks concrete verplichtingen telkens terug. Vóór de start van elke afzonderlijke procedure moet de advocaat schriftelijk adviseren over de kansen en risico's, het benodigde bewijs en de te verwachten kosten. Rechtbank Amsterdam oordeelt dat het onvoldoende schetsen van de goede en kwade kansen van een hoger beroep, en het nalaten te waarschuwen dat meer bewijs nodig is, een beroepsfout oplevert (ECLI:NL:RBAMS:2023:306). De achterliggende gedachte is dat een cliënt alleen een geïnformeerde keuze kan maken wanneer hij vooraf weet waar hij aan begint. In het verlengde daarvan is de bewijsstrategie, welke getuigen worden ingezet en in welke procedure, integraal onderdeel van de professionele taakvervulling; een fout daarin is niet slechts een tactische keuze maar een toerekenbare tekortkoming.
De advocaat bewaakt daarnaast actief de verjarings- en procedurele termijnen zolang de opdracht niet uitdrukkelijk is beëindigd (ECLI:NL:GHAMS:2025:616). Het laten verlopen van een verjaringstermijn of een appeltermijn behoort tot de meest voorkomende aansprakelijkheidsgronden. Zo liet de Hoge Raad, zonder inhoudelijke motivering (art. 81 lid 1 RO), het oordeel in stand dat het laten verjaren van een vordering op een aansprakelijke partij een beroepsfout kan opleveren (ECLI:NL:HR:2024:214). Verder mag de advocaat zijn eigen financiële belangen niet laten interfereren met die van zijn cliënt: advisering bij tegenstrijdig belang levert wanprestatie op jegens de cliënt en onrechtmatig handelen jegens betrokken partijen (ECLI:NL:GHDHA:2021:1385), en de tuchtrechter kwam in een geval van financiële afhankelijkheid via een gelieerde vennootschap tot schrapping (ECLI:NL:TAHVD:2021:94). De cliënt mag niet onnodig worden blootgesteld aan voorzienbare en vermijdbare procesrisico's waarvan hij zich niet bewust is, en of strategiebeslissingen zonder cliëntoverleg een beroepsfout opleveren, liet het hof in één zaak in het midden; de vordering strandde op het ontbreken van causaal verband (ECLI:NL:GHAMS:2023:516). Dreigt de declaratie de opgegeven schatting aanmerkelijk te overschrijden, dan moet de advocaat informeren en overleggen over de voortzetting van de opdracht (ECLI:NL:RBAMS:2026:2670 r.o. 4.9 en 4.12.3). En op grond van art. 7:403 BW moet hij concrete vragen over het gevoerde beleid, over de processtrategie en de keuze voor of het achterwege laten van verweren, inhoudelijk beantwoorden; het structureel uitblijven van zo'n reactie is een zelfstandige tekortkoming die vaststaat zodra zij is gedocumenteerd.
De grenzen van de norm: niet elke tegenvaller is een beroepsfout
Tegenover deze verplichtingen staat een categorie zaken waarin de advocaat wordt vrijgesproken. Die zaken zijn voor de praktijk minstens zo leerzaam, omdat ze laten zien waar de aansprakelijkheid ophoudt. In de geanalyseerde uitspraken keert steeds hetzelfde onderscheid terug: er is minder snel sprake van een tot civielrechtelijke aansprakelijkheid leidende beroepsfout bij suboptimaal optreden in een procedure dan bij harde fouten als het laten verstrijken van termijnen. Bij suboptimaal procederen moet het optreden duidelijk ondermaats zijn (ECLI:NL:GHAMS:2016:4105 r.o. 3.4).
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden past dit onderscheid toe in een echtscheidingszaak. De cliënt verweet zijn advocaat dat financiële stukken in de voorlopige-voorzieningenprocedure te laat waren ingediend en dat een opmerking van hem ter zitting niet was gecorrigeerd. Beide verwijten strandden. Uit de enkele omstandigheid dat het oordeel van de rechter in de visie van de cliënt onjuist was, kan niet worden afgeleid dat dit kwam door de wijze van procederen. Een correctie van een feitelijke, voor de hand liggende uitlating van de cliënt zelf lag evenmin op de weg van de advocaat (ECLI:NL:GHARL:2022:2382 r.o. 2.12 tot en met 2.16). Ook een uitdrukkelijk en in sterke bewoordingen gegeven afrader om een kansarme procedure over huishoudelijke kosten te starten, bleef overeind: het staat een advocaat vrij een opdracht al dan niet aan te nemen, en het gegeven advies dat dergelijke procedures zeer lastig zijn was niet onjuist (r.o. 2.19 tot en met 2.21).
Ook de termijnbewaking, hoezeer die tot de kern van het advocatenvak behoort, kent grenzen. Rechtbank Rotterdam oordeelde over een advocaat die een verzoekschrift tot verlof voor de verkoop van in beslag genomen aandelen had ingediend binnen een maand nadat het arrest in kracht van gewijsde was gegaan. De rechtbank Den Haag legde de betrokken vervaltermijn van art. 715 lid 3 Rv echter anders uit, verklaarde de cliënt niet-ontvankelijk en de beslagen vervielen van rechtswege. Toch was er geen beroepsfout. Van een redelijk bekwaam en redelijk handelend advocaat mag worden verwacht dat hij rekening houdt met verschillende mogelijke beslissingen van de rechter, maar die zorgplicht gaat niet zover dat hij rekening moet houden met elke mogelijke uitkomst; hij behoeft in het algemeen niet te anticiperen op een beslissing waarmee hij redelijkerwijs geen rekening hoefde te houden (ECLI:NL:RBROT:2024:2671 r.o. 4.5). De advocaat mocht afgaan op de tekst van de wet, die zijn lezing steunde, en hoefde niet het zekere voor het onzekere te nemen waar wettekst, wetsgeschiedenis, literatuur en rechtspraak geen aanleiding tot twijfel gaven (r.o. 4.11 en 4.12). Dat de advocaat de cliënt na de tegenvallende beschikking bovendien had geadviseerd hoger beroep in te stellen, wat de cliënt naliet, kwam voor rekening van de cliënt (r.o. 4.13). Het gerechtshof Den Haag heeft dat vonnis bekrachtigd (ECLI:NL:GHDHA:2025:2580). De grens die hier wordt getrokken is scherp: een advocaat staat niet in voor een juiste afloop, maar voor een verdedigbare, op wet en rechtspraak gebaseerde keuze op het moment dat hij haar maakt.
Adviseren over rechten, plichten en contractuele vervaltermijnen
Waar de vrijheid van de advocaat ophoudt, is bij de plicht om de cliënt goed geïnformeerd te laten beslissen. Wanneer een advocaat een cliënt adviseert in het kader van een door die cliënt te nemen beslissing, brengt de zorgplicht mee dat de advocaat de cliënt in staat stelt goed geïnformeerd te beslissen. Van een redelijk bekwaam en redelijk handelend vakgenoot mag worden verwacht dat hij zijn cliënt deugdelijk voorlicht over diens rechten en plichten en wijst op contractuele vervaltermijnen.
Dat werd de advocaat in dezelfde echtscheidingszaak fataal op één punt. De cliënt beschikte op grond van zijn huwelijkse voorwaarden over een conversierecht met betrekking tot het pensioen van zijn ex-echtgenote, uit te oefenen door een enkele aangetekende brief binnen zes maanden na ontbinding van het huwelijk. De advocaat had de cliënt op die vervaltermijn moeten wijzen, temeer omdat het conversierecht afweek van de hoofdregel van wettelijke pensioenverevening en de cliënt zes jaar ouder was dan zijn ex-echtgenote. In plaats daarvan had de advocaat de cliënt herhaaldelijk voorgehouden dat voor conversie toestemming van de ex-echtgenote nodig was, wat onjuist was. Daarmee stond vast dat de advocaat niet had voorgelicht zoals van een redelijk bekwaam en redelijk handelend advocaat mocht worden verwacht (ECLI:NL:GHARL:2022:2382 r.o. 2.24 tot en met 2.28). Het verweer dat de cliënt toch geen conversie wilde hielp niet: iemand kan zijn wensen pas goed bepalen als hij juist is geïnformeerd over zijn rechten en plichten (r.o. 2.26). Deze zaak toont dat één gemiste vervaltermijn, in een dossier waarin de advocaat op andere punten correct handelde, voldoende is voor aansprakelijkheid.
Tijdig inventariseren en de verjaring stuiten
De verplichting om de rechten van een cliënt in kaart te brengen wordt scherper naarmate een verjaringstermijn nadert. Rechtbank Den Haag oordeelde in een zaak over de afwikkeling van een beëindigde samenleving dat een advocaat een beroepsfout had gemaakt door niet tijdig te inventariseren of zijn cliënt vergoedingsrechten had, waardoor die vorderingen verjaarden (ECLI:NL:RBDHA:2025:18157).
De uitspraak is genuanceerd over het moment waarop die plicht ontstaat. Naar aanleiding van de eerste, concrete vraag van de cliënt of zijn ex-partner recht had op de helft van zijn verdiensten, was de advocaat nog niet gehouden tot een uitvoerige inventarisatie: hij had die concrete vraag beantwoord en het was niet gesteld of gebleken dat de cliënt op dat moment verder advies verlangde (r.o. 4.3). Dat werd anders toen de kwestie een vervolg kreeg. Bij een bespreking in oktober 2022 kwam ter sprake dat er een gezamenlijke woning met aanzienlijke overwaarde was, en de advocaat beschikte al maanden over de samenlevingsovereenkomst, waarin niets over vergoedingsrechten was geregeld. Juist wanneer er niets is geregeld, is het zaak snel navraag te doen naar grote betalingen, gelet op de verjaringstermijn van vijf jaar (r.o. 4.5 en 4.7). Door dat na te laten deed de advocaat niet wat van een redelijk bekwaam en redelijk handelend advocaat mocht worden verwacht (r.o. 4.10). Het verweer dat de overwaarde toch bij helfte zou worden verdeeld ging niet op: juist om vergoedingsvorderingen te kunnen verrekenen met ieders helft van de overwaarde is het nodig die vorderingen in kaart te brengen (r.o. 4.6).
De zaak illustreert daarnaast dat het kantoor zich niet zonder meer op zijn eigen algemene voorwaarden kan beroepen tegenover een consument. Het vervalbeding in de voorwaarden van het kantoor kon niet worden ingeroepen, omdat onvoldoende was onderbouwd dat die voorwaarden deel uitmaakten van deze overeenkomst. Er was geen opdrachtbevestiging verstuurd, terwijl dat na de bespreking van oktober 2022 wel op zijn plaats was, en het feit dat bij eerdere opdrachten voorwaarden van toepassing waren verklaard betekende niet dat die ook voor deze nieuwe opdracht golden (r.o. 4.14 tot en met 4.16). Voor advocaten volgt hieruit dat elke opdracht een eigen, vastgelegde grondslag nodig heeft. De uitspraak is een tussenvonnis: de beroepsfout staat vast, maar over de omvang van de schade moesten partijen zich nog uitlaten.
Particuliere cliënt: aanvullende verplichtingen over kosten
Wanneer de cliënt een consument is, gelden aanvullende verplichtingen over kosten en informatie. Vóór het sluiten van de opdracht moet de advocaat op grond van art. 6:230l BW en art. 6:230m BW de totale prijs of de berekeningswijze duidelijk en begrijpelijk mededelen. De rechter toetst zulke consumentenbepalingen ambtshalve, ook zonder dat de cliënt zich erop beroept. Gerechtshof Amsterdam bevestigt dat het enkel vermelden van een uurtarief, zonder indicatie van het te verwachten totaalbedrag, niet voldoet aan het transparantievereiste. Zo'n beding is echter niet automatisch oneerlijk: in die zaak oordeelde het hof dat het beding niet oneerlijk was, en volgde een prijsvermindering van 25% wegens schending van de informatieplicht, niet uit de oneerlijkheidstoets (ECLI:NL:GHAMS:2024:3269). Een advocaat die een particuliere cliënt onvoldoende informeert over de te verwachten kosten loopt daarmee een dubbel risico: vernietiging van het kostenbeding én een zelfstandige aansprakelijkheidsgrond naast een eventuele beroepsfoutvordering.
Tuchtrecht en civiele aansprakelijkheid: twee toetsingskaders
Cliënten wijzen ter onderbouwing van een schadeclaim vaak op een tuchtrechtelijk oordeel of op een uitspraak van de Geschillencommissie Advocatuur. Dat verband is minder rechtstreeks dan het lijkt. De tuchtrechter en de civiele rechter hanteren ieder een wezenlijk ander toetsingskader. Dat een geldende norm voor een beroepsgroep is overtreden, betekent niet zonder meer dat de beroepsbeoefenaar ook civielrechtelijk aansprakelijk is; het komt aan op de waardering door de civiele rechter van de beslissing van de tuchtrechter en van de overige feiten en omstandigheden die de civiele rechter relevant acht (ECLI:NL:RBLIM:2022:9187 r.o. 4.2).
In die Limburgse zaak had de Geschillencommissie Advocatuur geoordeeld dat maatstaven van redelijkheid en billijkheid zich verzetten tegen incasso van het restant van de declaraties, omdat onvoldoende gestructureerd en schriftelijk was geadviseerd. De cliënt leidde daaruit af dat de advocaat tekort was geschoten en vorderde ruim 54.000 euro terug. De civiele rechter volgde dat niet. De arbitrale uitspraak zag alleen op de incasso van de restantfacturen, niet op het grootste deel van de verrichte en betaalde werkzaamheden, en de commissie had een minder compleet dossier gehad. Beoordeeld naar de civiele maatstaf van de redelijk bekwaam en redelijk handelend vakgenoot waren de verwijten onvoldoende onderbouwd, en het enkele niet bereiken van het door de cliënt gewenste resultaat is onvoldoende om tekortschieten aan te nemen (r.o. 4.4 tot en met 4.12). De vorderingen werden afgewezen. Een tuchtrechtelijke of arbitrale tik op de vingers is dus een aanwijzing, geen bewijs, van civiele aansprakelijkheid. Wat de tuchtrechter zelf toetst en waar hij de advocaat vrij laat, staat in de analyse van de tuchtrechtelijke kwaliteitstoets.
Causaal verband en schadebegroting via kansschade
Staat de beroepsfout vast, dan resteert de vraag welke schade daaruit voortvloeit. Die vraag laat zich zelden met zekerheid beantwoorden, omdat de uitkomst van de onderliggende procedure hypothetisch is geworden. De Hoge Raad verduidelijkte op 16 januari 2026 dat de rechter eerst moet proberen vast te stellen hoe de rechter in die hypothetische procedure had behoren te beslissen; pas als die vaststelling niet mogelijk is, komt een kansschatting in beeld (ECLI:NL:HR:2026:53). Afhankelijk van de sterkte van het onderliggende dossier varieert die kans in de geanalyseerde uitspraken van ongeveer 20 procent bij een zwak verweer (ECLI:NL:RBAMS:2025:2255) tot 50 procent wanneer de feiten te onzeker zijn om nader vast te stellen (ECLI:NL:RBGEL:2025:2674 r.o. 3.84).
De begroting verloopt in twee richtingen. Soms kan de rechter direct vaststellen dat schade aannemelijk is en de zaak naar de schadestaatprocedure verwijzen, zoals gebeurde bij de gemiste conversie van pensioenrechten: de cliënt zou gedurende zes jaar na zijn pensioengerechtigde leeftijd minder pensioen ontvangen (ECLI:NL:GHARL:2022:2382 r.o. 2.27). In andere gevallen vergt de begroting een nadere vergelijking tussen de situatie met en zonder fout. In de Haagse samenlevingszaak moest worden onderzocht hoeveel de ex-partner in het hypothetische geval daadwerkelijk zou hebben betaald, mede omdat zij een beroep op de redelijkheid en billijkheid had kunnen doen, en welke kosten de cliënt daarvoor zou hebben gemaakt (ECLI:NL:RBDHA:2025:18157 r.o. 4.25 tot en met 4.27). De kansschadeleer maakt daarmee dat ook een cliënt met een op zichzelf onzekere onderliggende zaak een reële grondslag voor vergoeding houdt, mits de beroepsfout en het verband met een gemiste kans aannemelijk zijn.
Wat betekent dit voor de advocaat en zijn cliënt?
Voor de advocaat wijst de geanalyseerde rechtspraak in één richting: het merendeel van de aansprakelijkheid laat zich met eenvoudige dossierdiscipline voorkomen. Termijnen bewaken, strategische keuzes en cliëntinstructies schriftelijk vastleggen, tijdig waarschuwen wanneer bewijs ontbreekt of het budget dreigt te worden overschreden, en concrete verantwoordingsvragen inhoudelijk beantwoorden. Het zijn geen intellectuele hoogstandjes, maar administratieve en communicatieve routines. Waar een verdedigbare, op wet en rechtspraak gebaseerde keuze achteraf verkeerd uitpakt, blijft de advocaat in beginsel buiten schot; waar een afspraak of waarschuwing niet is vastgelegd, verschuift het bewijsrisico juist naar hem.
Voor de cliënt betekent het dat een tegenvallende uitkomst op zichzelf geen grond voor een claim is. Beslissend is of de advocaat is afgeweken van wat een redelijk bekwaam en redelijk handelend vakgenoot zou hebben gedaan, of het verband tussen die fout en een gemiste kans aannemelijk is, en of tijdig is geklaagd. Een cliënt die te laat klaagt kan zijn rechten verliezen (art. 6:89 BW), al heeft dat verweer in de praktijk een hoge drempel omdat rechters rekening houden met het kennisverschil tussen cliënt en advocaat (ECLI:NL:GHAMS:2025:1622). Waar aan de voorwaarden is voldaan, biedt de kansschadeleer ook bij een onzekere onderliggende zaak een reële grondslag voor vergoeding. Een tuchtrechtelijk oordeel kan die claim ondersteunen, maar vervangt de zelfstandige civiele beoordeling niet.
Veelgestelde vragen
Kan de behandelend advocaat persoonlijk aansprakelijk zijn als de opdracht met het kantoor is gesloten?
Ja, als art. 6:162 BW (onrechtmatige daad) niet uitdrukkelijk in de algemene voorwaarden is uitgesloten. Een beding dat alleen art. 6:76, 7:404, 7:407 lid 2 en 7:409 BW uitsluit, beperkt de persoonlijke aansprakelijkheid op grond van onrechtmatige daad niet. Bij twijfel over de uitleg van voorwaarden prevaleert de voor de consument gunstige uitleg (art. 6:238 lid 2 BW).
Is een advocaat aansprakelijk zodra hij een procedure verliest of een verkeerde inschatting maakt?
Nee. Het enkele niet bereiken van het gewenste resultaat is onvoldoende. Bij suboptimaal procederen moet het optreden duidelijk ondermaats zijn, en een advocaat hoeft niet te anticiperen op een rechterlijke beslissing waarmee hij redelijkerwijs geen rekening hoefde te houden. Aansprakelijkheid ligt sneller voor de hand bij harde fouten, zoals het laten verstrijken van een termijn, dan bij een verdedigbare strategische of juridische keuze.
Wanneer ben je als cliënt te laat met klagen over een beroepsfout?
Art. 6:89 BW vereist protest binnen bekwame tijd na ontdekking van het gebrek. In de praktijk slagen beroepen op deze bepaling zelden: rechters houden rekening met het kennisverschil tussen cliënt en advocaat en vereisen dat de advocaat concreet aantoont hoe hij in zijn verdediging is geschaad door het tijdstip van klagen. Als herstel toch al niet meer mogelijk was, gaat het verweer vrijwel nooit op.
Aangehaalde rechtspraak
Hoge Raad
- HR 29 mei 2015, ECLI:NL:HR:2015:1406
- HR 24 februari 2024, ECLI:NL:HR:2024:214
- HR 16 januari 2026, ECLI:NL:HR:2026:53
Gerechtshoven en rechtbanken
- Hof Amsterdam 11 oktober 2016, ECLI:NL:GHAMS:2016:4105
- Hof Den Haag 6 juli 2021, ECLI:NL:GHDHA:2021:1385
- Hof Arnhem-Leeuwarden 29 maart 2022, ECLI:NL:GHARL:2022:2382
- Rb. Limburg 16 november 2022, ECLI:NL:RBLIM:2022:9187
- Rb. Amsterdam 26 januari 2023, ECLI:NL:RBAMS:2023:306
- Hof Amsterdam 28 februari 2023, ECLI:NL:GHAMS:2023:516
- Rb. Rotterdam 20 maart 2024, ECLI:NL:RBROT:2024:2671
- Hof Amsterdam 26 november 2024, ECLI:NL:GHAMS:2024:3269
- Hof Amsterdam 11 maart 2025, ECLI:NL:GHAMS:2025:616
- Rb. Amsterdam 9 april 2025, ECLI:NL:RBAMS:2025:2255
- Rb. Gelderland 9 april 2025, ECLI:NL:RBGEL:2025:2674
- Hof Amsterdam 24 juni 2025, ECLI:NL:GHAMS:2025:1622
- Rb. Den Haag 8 oktober 2025, ECLI:NL:RBDHA:2025:18157
- Hof Den Haag 16 december 2025, ECLI:NL:GHDHA:2025:2580
- Rb. Amsterdam 18 maart 2026, ECLI:NL:RBAMS:2026:2670
Tuchtrechter
- Hof van Discipline 17 mei 2021, ECLI:NL:TAHVD:2021:94
Lees ook
- Dreigen met publiciteit: mag een advocaat de pers als drukmiddel gebruiken?
- Beroepsaansprakelijkheid: de maatstaf en het verweer
- Advocatenkantoor aansprakelijk voor USD 17 miljoen belastingschade na fout over fiscaal inwonerschap VS
- Kostenbeding advocaat vernietigd: wanneer is een uurtarief onvoldoende?