Ongeoorloofde druk door de advocaat van de wederpartij
Een advocaat schreef twee keer aan een advocatenkantoor dat zijn cliënte de media zou inlichten als er geen overleg kwam. De Raad van Discipline Den Haag legde hem op 7 december 2020 een waarschuwing op. Dreigen met media-aandacht om tot een schikking te bewegen is een ongeoorloofd pressiemiddel, ook wanneer de advocaat de boodschap van zijn cliënt doorgeeft. Staat de aankondiging los van een verlangde prestatie, dan ligt het anders.
Advocaat kondigt media en perskamer van de rechtbank aan
De klacht kwam van een advocatenkantoor waarvan een advocaat als curator de inboedel in een faillissement uit 2014 had verkocht, met toestemming van de rechter-commissaris. Daarna meldde zich een vennootschap die stelde eigenaar van die zaken te zijn. Het faillissement werd in maart 2015 opgeheven bij gebrek aan baten, waarna de vennootschap het kantoor in de jaren daarna meermaals aansprakelijk stelde.
De advocaat van die vennootschap schreef op 13 mei 2019 dat zijn cliënte "voornemens" was de media over de kwestie in te lichten als er niet binnen de gestelde termijn overleg zou komen. Op 12 juli 2019 schreef hij dat zijn cliënte "de media en de perskamer van, onder meer, de rechtbank Amsterdam" zou inlichten. De raad verklaarde de klacht gegrond op grond van artikel 46 Advocatenwet en legde naast de waarschuwing een proceskostenveroordeling van € 1.250 op (ECLI:NL:TADRSGR:2020:193).
Publiciteit die geen doel dient is een pressiemiddel
De raad nam de vaste maatstaf tot uitgangspunt. Een advocaat heeft grote vrijheid om de belangen van zijn cliënt te behartigen en hoeft in het algemeen niet af te wegen of het voordeel voor zijn cliënt opweegt tegen het nadeel voor de wederpartij. Die vrijheid stuit op twee grenzen: middelen die op zichzelf ongeoorloofd zijn, en middelen die onevenredig nadeel toebrengen zonder tot enig noemenswaardig voordeel van de cliënt te strekken.
Op dat tweede been strandde de aankondiging. De raad woog mee dat het inschakelen van de media onder deze omstandigheden "geen enkel doel kon dienen". Het ging slechts om een geschil tussen het kantoor en de cliënte van de advocaat, terwijl publiciteit wel tot onnodig schadelijke gevolgen voor het kantoor kon leiden. Daar zit de kern: publiciteit die niets kan opleveren behalve reputatieschade is een pressiemiddel en geen processueel middel.
Even belangrijk is wat de raad over de herkomst van de boodschap zei. Ook wanneer het slechts het doorgeven van een mededeling van de eigen cliënt betreft, is het handelen laakbaar. Het behoort tot de taak van de advocaat erover te waken dat de rechtsstrijd met geoorloofde middelen wordt gestreden. Hij mag zich ook niet lenen tot assistentie bij het gebruik van ongeoorloofde middelen door zijn cliënt. Het Hof van Discipline had die regel in 2012 al bekrachtigd voor een advocaat die het dreigement van de eigen cliënt om aangifte bij de Belastingdienst te doen had overgebracht.
Rechtsmaatregelen aanzeggen mag, de openbaarmaking eromheen niet
De uitkomst betekent niet dat stevige sommatiebrieven zijn afgesneden. Gedragsregel 6 lid 2 verplicht de advocaat juist om de wederpartij van een voorgenomen rechtsmaatregel op de hoogte te stellen, tenzij een bijzonder belang van de cliënt zich daar kennelijk tegen verzet. Onder de Gedragsregels 1992 stond diezelfde plicht in regel 19. Bij conservatoir beslag ligt dat minder vast dan het lijkt. De Raad van Discipline Den Haag oordeelde in 2018 dat de aankondigingsplicht daarop niet van toepassing is. De Bossche voorzitter overwoog in 2021 dat beslag zonder voorafgaande aankondiging inherent is aan de maatregel, omdat de wederpartij anders kan wegsluizen. De Raad van Discipline Arnhem-Leeuwarden toetste in 2024 echter langs de tenzij-clausule en vroeg of er voldoende reden was om kennisgeving achterwege te laten. Wie op die laatste lijn uitkomt, legt het concrete verhaalsrisico beter vast.
De grens loopt dus tussen de rechtsmaatregel en wat eromheen wordt aangekondigd. Bij een herhaalde sommatie mag een advocaat in beginsel stellen dat vergaande maatregelen volgen, tot een faillissementsaanvraag aan toe. Dat daarmee druk wordt uitgeoefend maakt het middel niet ongeoorloofd, oordeelde de voorzitter van de Raad van Discipline 's-Hertogenbosch in 2017. Hij toetste daarbij wel of van het incassomiddel op ongeoorloofde wijze gebruik was gemaakt.
Dat die toets bijt, laat een zaak uit 2018 zien. Een advocaat sommeerde daar de individuele werknemers van een organisatie in privé om binnen veertien dagen € 4,7 miljoen te betalen, met incassomaatregelen in het vooruitzicht. Het Hof van Discipline noemde die aanpak onfatsoenlijk en een advocaat onwaardig, en zag er een schending van de kernwaarde integriteit in. Het aanzeggen is dus geoorloofd voor zover de vordering waarop het steunt dat ook is. Het Hof van Discipline formuleerde het in 2016 zo dat bewoordingen die bij de wederpartij onaangenaam en bezwarend overkomen in de gegeven situatie gerechtvaardigd kunnen zijn.
De Raad van Discipline Amsterdam splitste beide elementen in 2020 scherp. De aankondiging van loonbeslag was tuchtrechtelijk niet verwijtbaar. De mededeling dat de advocaat er bij dat beslag "waarschijnlijk niet aan ontkomt" de werkgever van de wederpartij nader over de gang van zaken te informeren, was wel een dreigement. Hetzelfde patroon keert terug in een raadsbeslissing van 7 april 2026. In een familierechtelijke zaak leverde het in de eerste brief dreigen met openbaarmaking van het "dubbelleven" van de wederpartij een waarschuwing op, terwijl het doen van een alimentatievoorstel als zodanig toelaatbaar bleef. Dat het de eerste brief was woog mee: er was nog geen procedure waarin over en weer standpunten waren uitgewisseld, dus was er nog geen aanleiding voor zo verstrekkende uitlatingen.
Wanneer publiciteit wel binnen de vrijheid van de advocaat blijft
Publiciteit is niet categorisch verboden. De Raad van Discipline Amsterdam liet in maart 2013 een passage passeren. De advocaat had geschreven dat zijn cliënt "tevens voornemens [is] zijn ervaringen en ongenoegen te uiten in Tv-programma's als Radar en/of Tros Opgelicht". Die mededeling overschreed de grenzen van de vrijheid van de advocaat niet, ook al ervoer de wederpartij haar als een aankondiging van onheil. Op een ander onderdeel van dezelfde brief, voorbarige beschuldigingen van fiscale delicten, volgde wel een berisping.
De raad gaf daarbij als grond dat duidelijk was dat de opmerking van de cliënt afkomstig was. Diezelfde beslissing overweegt twee alinea's eerder, over de fiscale beschuldigingen, dat de omstandigheid dat de informatie van de cliënt afkomstig is de advocaat niet disculpeert. Ook het doorgeven van dreigementen van de eigen cliënt is laakbaar. De herkomst van de mededeling kan dus niet het onderscheidende gezichtspunt zijn, en het Hof van Discipline en de Haagse beslissing uit 2020 wijzen dezelfde kant op. Naast elkaar gelegd verschillen de zaken wel in de brief zelf. In de Amsterdamse brief stond de mediavermelding los: de cliënt zou zijn verhaal doen, zonder dat aan het uitblijven van een prestatie een gevolg werd verbonden. In de Haagse brieven hing de publiciteit aan het uitblijven van overleg binnen een termijn. Dat wijst erop dat de koppeling het onderscheid maakt: publiciteit die als gevolg aan een verlangde prestatie wordt verbonden, is een drukmiddel.
Omgekeerd geldt dat niet. Dat een aankondiging aan geen enkele voorwaarde is gekoppeld, maakt haar nog niet toelaatbaar. De Raad van Discipline Den Haag hield een advocaat in 2022 voor dat het ontbreken van zo'n koppeling het oordeel niet anders maakte. Het middel zelf was te zwaar voor het doel: zij had de advocaat van de wederpartij en diens cliënten van afdreiging beticht en aangifte aangekondigd zonder die stap af te wegen tegen minder verstrekkende acties. Naast de koppeling geldt dus een proportionaliteitstoets op het middel.
Waar publiciteit daadwerkelijk wordt gezocht, loopt de grens langs het procesdossier. Een strafrechtadvocaat die videobeelden uit het dossier vóór de zitting op televisie liet vertonen, kreeg in september 2013 een waarschuwing van de Raad van Discipline Arnhem. Een advocaat behoort geen processtukken aan de media te verstrekken, want trial by media dient te worden voorkomen en het proces hoort in de rechtszaal en niet daarbuiten te worden gevoerd. Die regel kent één uitzondering, namelijk een ernstige schending van de belangen van de cliënt als kennelijk gevolg van door anderen aan de zaak gegeven ruchtbaarheid. Publiciteit kan dus geoorloofd zijn, maar dan als antwoord op wat over de zaak al openbaar is geworden, en niet als middel om de wederpartij tot een prestatie te bewegen.
Wat betekent dit voor sommatiebrieven?
Beschrijf de rechtsmaatregel en verbind aan het uitblijven van betaling geen gevolg buiten het recht. Een brief die daarnaast reputationele gevolgen in het vooruitzicht stelt, verplaatst de druk van de rechtszaal naar de openbaarheid, en dat is wat de tuchtrechter afkeurt.
Let vooral op de voorwaardelijke constructie. In de Haagse zaak hing de publiciteit aan het uitblijven van overleg binnen een termijn, en die als-dan-koppeling maakte de aankondiging tot een middel om iets af te dwingen. Wie het motief expliciteert, versterkt het verwijt. In een zaak uit 2018 rekende het Hof van Discipline de advocaat aan dat hij ter zitting verklaarde waartoe de aangifte had gediend: om partijen aan tafel te krijgen. Daarmee was de aangifte een pressiemiddel en de kernwaarde integriteit geschonden.
Wat de aankondiging verder verzwaart, is de vraag waartoe zij dient. De Raad van Discipline Den Haag legde in december 2013 een berisping op aan een advocaat die naar een mogelijke publicatie in een vakblad verwees. Hij probeerde de wederpartij te bewegen tot een regeling die ongunstiger was dan waartoe de rechtbank haar in eerste aanleg al had veroordeeld. De raad rekende hem daarbij ook aan dat hij aangaf welke partijen belangstelling voor de uitspraak zouden hebben en hoe bekendmaking gunstig kon zijn voor zijn eigen praktijk. Daarmee hield hij onvoldoende distantie tot zijn cliënte. Druk om meer te bereiken dan de rechter had toegewezen, laat zich moeilijker rechtvaardigen dan druk om na te komen wat hij wel had toegewezen.
Voor wie zo'n brief ontvangt, is terughoudendheid met het verwijt van chantage op zijn plaats. Afdreiging in de zin van artikel 318 Sr vraagt het oogmerk zich of een ander wederrechtelijk te bevoordelen, en bedreiging met smaad, smaadschrift of openbaring van een geheim. Daarbij moet iemand zijn gedwongen tot afgifte van een goed, tot het aangaan van een schuld, tot het teniet doen van een inschuld of tot het ter beschikking stellen van gegevens. Waar een reële, zij het betwiste, vordering wordt geïnd, ligt dat oogmerk niet voor de hand. Bovendien is afdreiging een klachtdelict. Wie het verwijt toch maakt, loopt zelf risico: de advocaat die in 2022 de advocaat van de wederpartij van afdreiging betichtte en aangifte aankondigde, kreeg een gegronde klacht en een waarschuwing tegen zich.
Veelgestelde vragen
Mag een advocaat aankondigen dat zijn cliënt naar de pers stapt?
Aankondigen mag, koppelen niet. De Raad van Discipline Den Haag oordeelde in 2020 dat dreigen met media-aandacht om de wederpartij tot overleg of een schikking te bewegen ongeoorloofd is. De maatstaf heeft twee benen: een middel dat op zichzelf ongeoorloofd is, en een middel dat onevenredig nadeel toebrengt zonder noemenswaardig voordeel voor de cliënt. De raad woog mee dat publiciteit in dit louter bilaterale geschil geen doel kon dienen, terwijl de wederpartij wel reputatieschade riskeerde. Staat de mededeling los van een verlangde prestatie, dan kan zij binnen de vrijheid van de advocaat blijven.
Helpt het verweer dat de cliënt zelf naar de pers wilde?
Nauwelijks. Het Hof van Discipline en de Raad van Discipline Den Haag houden de advocaat verantwoordelijk: hij moet erover waken dat de rechtsstrijd met geoorloofde middelen wordt gestreden en mag zich niet lenen tot assistentie bij ongeoorloofde middelen van zijn cliënt. De Raad van Discipline Amsterdam wees de klacht op dit punt in 2013 wel af omdat de mededeling kennelijk van de cliënt kwam, maar overwoog in diezelfde beslissing dat herkomst bij de cliënt niet disculpeert. Het verschil zat in de brief zelf: daar was de publiciteit niet aan een verlangde prestatie gekoppeld.
Mag beslag wel worden aangekondigd in een sommatiebrief?
Ja. Gedragsregel 6 lid 2 verplicht in beginsel zelfs tot kennisgeving van een voorgenomen rechtsmaatregel, en het aanzeggen van een faillissementsaanvraag bij herhaalde sommatie geldt in beginsel als geoorloofd drukmiddel. Bij conservatoir beslag lopen de raden uiteen. Den Haag oordeelde in 2018 dat de aankondigingsplicht daar niet geldt en Den Bosch in 2021 dat beslag zonder aankondiging inherent is aan de maatregel, terwijl Arnhem-Leeuwarden in 2024 toetste of er voldoende reden was om kennisgeving achterwege te laten. Dat er geen plicht tot aankondigen bestaat, maakt aankondigen overigens niet verboden. Bij executiemaatregelen blijft aankondigen de regel en is afwijken alleen in uitzonderlijke gevallen toegestaan.
Aangehaalde rechtspraak
Hof van Discipline
- ECLI:NL:TAHVD:2012:YA4475 (10 december 2012) — het overbrengen van het dreigement van de eigen cliënt om aangifte te doen is niet geoorloofd; waarschuwing.
- ECLI:NL:TAHVD:2016:184 (17 oktober 2016) — wijzen op vorderingen en mogelijke rechtsmaatregelen levert geen ongeoorloofde druk op, ook als de bewoordingen onaangenaam overkomen.
- ECLI:NL:TAHVD:2018:20 (5 februari 2018) — de aankondigingsplicht moet in beginsel worden nageleefd, maar afwijking is mogelijk in uitzonderlijke gevallen, onder meer wanneer aankondiging verhaalsmogelijkheden zou doen verdwijnen en evident is dat de wederpartij niet vrijwillig zal voldoen.
- ECLI:NL:TAHVD:2018:151 (20 augustus 2018) — een aangifte gebruiken om partijen aan tafel te krijgen is gebruik als pressiemiddel en schendt de kernwaarde integriteit; schorsing van drie maanden, opgelegd voor een reeks verwijten samen.
Raden van Discipline
- ECLI:NL:TADRAMS:2013:YA4035 (12 maart 2013) — de mededeling dat de cliënt zijn verhaal in de media zou doen bleef binnen de vrijheid van de advocaat; voor voorbarige beschuldigingen van fiscale delicten volgde een berisping.
- ECLI:NL:TADRARN:2013:85 (30 september 2013) — een advocaat behoort geen processtukken aan de media te verstrekken; uitzondering alleen bij ernstige schending van de belangen van de cliënt door ruchtbaarheid die anderen aan de zaak gaven; waarschuwing.
- ECLI:NL:TADRSGR:2013:132 (16 december 2013) — de wederpartij onder druk van een mogelijke publicatie in een vakblad bewegen tot een voorstel dat ongunstiger is dan waartoe de rechtbank haar had veroordeeld, en daarbij onvoldoende distantie tot de eigen cliënte houden, is ontoelaatbaar; berisping.
- ECLI:NL:TADRSHE:2017:26 (6 februari 2017, voorzittersbeslissing) — bij herhaalde sommatie mag worden gesteld dat vergaande rechtsmaatregelen volgen, waaronder een faillissementsaanvraag.
- ECLI:NL:TADRSGR:2018:162 (16 juli 2018) — de aankondigingsplicht geldt niet bij het leggen van conservatoir beslag, omdat conservatoire maatregelen er juist toe strekken te voorkomen dat vermogensbestanddelen worden vervreemd of bezwaard.
- ECLI:NL:TADRAMS:2020:62 (23 maart 2020) — de aankondiging van loonbeslag is niet verwijtbaar, de aankondiging daarbij de werkgever te informeren is een dreigement.
- ECLI:NL:TADRSGR:2020:193 (7 december 2020) — dreigen met media-aandacht als pressiemiddel om tot overleg of schikking te bewegen is niet geoorloofd; waarschuwing.
- ECLI:NL:TADRSHE:2021:56 (15 maart 2021, voorzittersbeslissing) — het zonder voorafgaande aankondiging leggen van conservatoir beslag is inherent aan de maatregel, omdat de wederpartij de goederen anders kan wegsluizen; klacht kennelijk ongegrond.
- ECLI:NL:TADRSGR:2022:132 (1 augustus 2022) — de advocaat van de wederpartij van afdreiging betichten en aangifte aankondigen vraagt een proportionaliteitsafweging tegen minder verstrekkende acties; dat de aankondiging niet aan een voorwaarde was gekoppeld maakt het oordeel niet anders; waarschuwing.
- ECLI:NL:TADRARL:2024:111 (29 april 2024) — conservatoir beslag zonder voorafgaande kennisgeving getoetst langs de tenzij-clausule van gedragsregel 6 lid 2: er was voldoende reden, omdat het verhaalsobject op korte termijn geleverd zou worden en vrijwillige betaling niet aannemelijk was; klacht ongegrond.
- ECLI:NL:TADRSGR:2026:74 (7 april 2026) — in de eerste brief dreigen met openbaarmaking van het "dubbelleven" van de wederpartij is escalerend handelen, terwijl het alimentatievoorstel zelf toelaatbaar bleef; waarschuwing.