Naar inhoud

Kort geding: spoedeisend belang en voorlopige voorziening

Inleiding

Het kort geding is de snelste route naar een rechterlijk oordeel. Wie een spoedeisend belang heeft, kan de voorzieningenrechter (art. 254 Rv) vragen om een voorlopige voorziening: een gebod, een verbod of een ordemaatregel die direct werkt. Het vonnis is doorgaans uitvoerbaar bij voorraad, zodat er meteen op kan worden gehandeld, ook als de wederpartij in hoger beroep gaat. Een kort geding levert echter geen definitief oordeel op. De voorzieningenrechter beoordeelt voorlopig, op basis van de stukken en een korte zitting, en een beslissing bij voorraad brengt geen nadeel toe aan de zaak ten principale (art. 257 Rv). Het definitieve oordeel valt pas in een bodemprocedure.

Spoedeisend belang: de toegang tot het kort geding

Een kort geding staat of valt met het spoedeisend belang: er moet een concrete, actuele reden zijn waarom de uitkomst van een bodemprocedure niet kan worden afgewacht, en dat belang moet goed worden onderbouwd. De voorzieningenrechter weegt vervolgens de belangen van beide partijen tegen elkaar af, en de zaak moet zich lenen voor een snelle beoordeling. Voor getuigenverhoren of uitvoerige bewijslevering is in kort geding geen ruimte; feiten die alleen na een bewijsopdracht kunnen worden vastgesteld, blijven buiten beeld.

Bij een zuivere geldvordering geldt een strengere toets. Naast de spoedeisendheid moet het bestaan en de omvang van de vordering voldoende aannemelijk zijn, en in de belangenafweging telt het restitutierisico mee: kan het toegewezen bedrag later worden terugbetaald als de bodemrechter anders oordeelt? Aan het spoedeisend belang worden minder hoge eisen gesteld wanneer de vordering strekt tot herstel van een uit een eerdere beslissing voortvloeiende restitutieplicht, zo blijkt uit de feitenrechtspraak over de aan te leggen maatstaf (Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 18 december 2018, ECLI:NL:GHARL:2018:11020). Ontbreekt het spoedeisend belang, dan strandt de vordering, ongeacht de inhoudelijke merites.

Wat de voorzieningenrechter kan toewijzen

De voorzieningenrechter kan uiteenlopende voorlopige maatregelen opleggen. Een gebod of verbod laat een partij iets doen of juist nalaten, bijvoorbeeld om nakoming af te dwingen of een opzegging te blokkeren. Bij een voldoende aannemelijke vordering kan een voorschot op een geldvordering worden toegewezen. Een ordemaatregel regelt een situatie tijdelijk zolang de hoofdzaak loopt. En op het terrein van beslag en executie kan de rechter een conservatoir beslag opheffen (art. 705 Rv) of de tenuitvoerlegging van een vonnis schorsen (art. 438 Rv).

Opheffing van beslag en schorsing van executie

Voor de opheffing van een conservatoir beslag geldt de maatstaf van art. 705 lid 2 Rv: het beslag wordt opgeheven als summierlijk blijkt van de ondeugdelijkheid van het door de beslaglegger ingeroepen recht, of als het beslag onnodig is. Daarnaast maakt de voorzieningenrechter een afweging van de wederzijdse belangen, waarbij de kans van slagen van de vordering in de hoofdzaak een rol speelt (Hoge Raad 30 juni 2006, ECLI:NL:HR:2006:AV1559). Is de vordering in eerste aanleg door de bodemrechter afgewezen, dan weegt de voorzieningenrechter mee hoe kansrijk het tegen die uitspraak aangewende rechtsmiddel is (Hoge Raad 17 april 2015, ECLI:NL:HR:2015:1074).

Voor de schorsing van de tenuitvoerlegging van een vonnis is de ruimte beperkt. De klassieke maatstaf is dat de executie alleen wordt gestaakt als de executant, mede gelet op de belangen van de geëxecuteerde, geen in redelijkheid te respecteren belang bij de tenuitvoerlegging heeft (Hoge Raad 22 april 1983, ECLI:NL:HR:1983:AG4575, Ritzen/Hoekstra). De Hoge Raad heeft dit kader in 2019 nader uitgewerkt (Hoge Raad 20 december 2019, ECLI:NL:HR:2019:2026). Staat tegen het vonnis nog een rechtsmiddel open, dan vindt een belangenafweging plaats waarin als uitgangspunt geldt dat een uitvoerbaar bij voorraad verklaarde veroordeling mag worden ten uitvoer gelegd. Is het vonnis onherroepelijk, dan geldt de maatstaf uit 1983 onverkort en is alleen misbruik van bevoegdheid (art. 3:13 BW) grond voor schorsing: een klaarblijkelijke juridische of feitelijke misslag, of feiten die zich pas na de uitspraak hebben voorgedaan en een noodtoestand meebrengen.

Toepassingen in de praktijk

Kort geding raakt vrijwel elk rechtsgebied. Bij aandeelhoudersgeschillen kan de voorzieningenrechter een besluit of stemming tijdelijk blokkeren of een aandelenoverdracht voorlopig regelen, zolang het achterliggende geschil loopt. Loopt daarover al een bodemprocedure, dan stemt de voorzieningenrechter zijn oordeel in beginsel op die uitkomst af (Rechtbank Midden-Nederland 9 maart 2026, ECLI:NL:RBMNE:2026:892).

In commerciële geschillen gaat het vaak om het afdwingen van nakoming, het blokkeren van een onregelmatige opzegging of het voortzetten van een levering in afwachting van de bodemprocedure.

Bij vastgoed en huur kan een ontruiming worden gevorderd of juist tegengehouden, of een dreigende situatie rond bouw of gebruik tijdelijk worden geregeld.

Rond insolventie en executie kan een executie worden geschorst of een gelegd beslag worden opgeheven wanneer de executant misbruik maakt van zijn bevoegdheid of het beslag onterecht is.

En een aangekondigde opzegging van een krediet- of bankrelatie kan worden aangevochten wanneer de bank haar zorgplicht schendt of de opzegging onvoldoende is onderbouwd.

Kort geding of bodemprocedure?

Een kort geding geeft snel een voorlopige uitkomst, maar geen definitief oordeel: de rechtsverhouding wordt niet met gezag van gewijsde vastgesteld. Loopt naast het kort geding een bodemprocedure, dan dient de voorzieningenrechter zijn oordeel in beginsel af te stemmen op dat van de bodemrechter, ongeacht of dat oordeel in een tussen- of eindvonnis is gegeven en of dat vonnis al kracht van gewijsde heeft (Hoge Raad 7 januari 2011, ECLI:NL:HR:2011:BP0015). Wie een blijvende beslissing wil of bewijslevering nodig heeft, is aangewezen op de bodemprocedure. Vaak volstaat de voorlopige voorziening echter om de situatie te beheersen of om partijen tot een regeling te bewegen. Tegen het kort geding vonnis staat hoger beroep open, maar de veroordeling blijft door de uitvoerbaarheid bij voorraad in de tussentijd werken.

Wat de uitkomst bepaalt

De uitkomst van een kort geding wordt bepaald door het spoedeisend belang en door de vraag of de gevraagde voorziening zich leent voor een voorlopig oordeel zonder uitvoerige bewijslevering. Wie scherp maakt waarom niet op de bodemprocedure kan worden gewacht en een ordemaatregel vraagt die daarbij past, staat het sterkst.