Naar inhoud

Rabobank mag NOW-subsidie niet verrekenen vlak voor faillissement

12 april 2026Juriaan de Vries

Verrekeningsverbod faillissement: wanneer mag een bank niet meer verrekenen?

De Hoge Raad vernietigt het arrest van Hof Arnhem-Leeuwarden: een bank die niet meer te goeder trouw is in de zin van art. 54 Fw mag een inkomende betaling niet verrekenen, ook niet als de kredietruimte daarna is weggevloeid via uitgaande betalingen aan schuldeisers. Op dit verrekeningsverbod bestaat geen uitzondering voor uitgaande betalingen na het peilmoment. Het verschil van €2.076 dat Rabobank afdroeg was onvoldoende: het volle NOW-bedrag van €15.478 hoort in de boedel.

Curator vordert NOW-subsidie terug uit faillissementsboedel café-restaurant

De Hoge Raad besliste op 13 maart 2026 dat Rabobank ten onrechte de volledige NOW-subsidie van €15.478 heeft verrekend met haar vordering op een failliete vennootschap. Een uitzondering op het verrekeningsverbod van art. 54 Fw voor uitgaande betalingen die na het peilmoment zijn verricht, bestaat niet. Het arrest verwijst de zaak naar Hof Den Bosch.

De vennootschap exploiteerde een café-restaurant en werd gefinancierd door Rabobank op basis van een rekening-courant met een kredietlimiet van €25.000. Toen de coronacrisis in maart 2020 uitbrak, moest het restaurant noodgedwongen sluiten. De vennootschap vroeg NOW-steun aan en ontving op 14 april 2020 de eerste termijn van €15.478 op haar Rabobank-rekening. Het saldo bedroeg daarvoor -€25.569; na bijschrijving -€10.092 — de betaling verrekende zo automatisch in de rekening-courantverhouding van art. 6:140 BW.

Drie dagen later, op 17 april 2020, diende de vennootschap haar eigen faillissementsverzoek in. Het faillissement werd uitgesproken op 21 april. In de tussenliggende periode had de vennootschap in opdracht uitgaande betalingen aan schuldeisers gedaan: het debetsaldo liep op van -€10.092 naar -€23.494. Als procedurafspraak stond in hoger beroep vast dat Rabobank al vóór 14 april 2020 niet meer te goeder trouw was in de zin van art. 54 Fw. Rabobank droeg slechts €2.076 af aan de boedel — het verschil tussen het saldo vóór de NOW-bijschrijving en het saldo op de faillissementsdatum.

Hoge Raad: geen uitzondering op het verrekeningsverbod voor uitgaande betalingen

Hof Arnhem-Leeuwarden had geoordeeld dat art. 54 Fw de verrekening niet in de weg staat voor zover de binnengekomen betaling daarna is aangewend voor uitgaande betalingsopdrachten. Als de bank na het peilmoment nog betalingen uitvoert uit de door de inkomende betaling ontstane kredietruimte, is er volgens het hof geen sprake van een ongerechtvaardigd voordeel ten koste van andere schuldeisers. Bovendien zou onverkorte toepassing van art. 54 Fw banken ertoe bewegen om bij financiële moeilijkheden eerder betalingsopdrachten te blokkeren — met maatschappelijk ongewenste gevolgen voor ondernemingen in zwaar weer.

De Hoge Raad verwerpt die redenering. De vaste lijn uit het Amro Bank/THB-arrest (HR 7 oktober 1988) houdt in dat creditering van een bankrekening als gevolg van een storting door een derde wordt gelijkgesteld met een schuldoverneming door de bank. Was de bank op dat moment niet meer te goeder trouw, dan verhindert art. 54 Fw verrekening. Er is geen aanleiding om hierop een uitzondering te aanvaarden voor het geval dat de bank na het peilmoment nog uitgaande betalingen heeft verricht. Het girale betalingsverkeer geeft banken geen uitzonderingspositie — dat uitgangspunt staat al decennia vast en wordt hier herbevestigd.

Wat betekent dit voor banken die financieren in zicht van faillissement?

Het arrest verduidelijkt de reikwijdte van art. 54 Fw in insolventiepraktijk: zodra een bank niet meer te goeder trouw is, moet zij het volledige bedrag van een inkomende betaling afdragen aan de boedel — ongeacht wat er daarna met de rekening is gebeurd. De omvang van haar eigen vordering op de failliet op de faillissementsdatum is voor die berekening niet doorslaggevend. Het bedrag dat binnenkomt na het peilmoment, is potentieel boedelgoed.

Voor curatoren bevestigt dit arrest de aanspraken op banken die bij dreigend faillissement inkomende betalingen hebben laten verrekenen. Zijn er na het peilmoment ook nog uitgaande betalingen verricht, dan kan de bank zich daar niet op beroepen om haar afdrachtverplichting te reduceren..

Veelgestelde vragen

Wanneer is een bank 'niet meer te goeder trouw' in de zin van art. 54 Fw?

Een bank is niet meer te goeder trouw zodra zij weet of behoort te weten dat het faillissement of de surseance van betaling van de rekeninghouder is te verwachten. In dit arrest stond dat als procedurafspraak vast. In de praktijk kan die kennis eerder bestaan dan het moment waarop het faillissementsverzoek formeel wordt ingediend.

Wat is het peilmoment van art. 54 Fw bij een bankrekening?

Het peilmoment is het moment waarop de bank niet meer te goeder trouw is — dat wil zeggen: het moment waarop zij weet of behoort te weten dat faillissement of surseance te verwachten is. Betalingen die daarna op de rekening binnenkomen, mogen niet worden verrekend met de vordering van de bank op de rekeninghouder.

Kan Rabobank de NOW-subsidie terugvorderen van het UWV als de verrekening ongeldig is?

Dat is een vraag die in deze procedure niet aan de orde was. De Hoge Raad beslist alleen dat Rabobank het bedrag aan de boedel moet afdragen. Of Rabobank vervolgens verhaal heeft op andere zekerheden of partijen, hangt af van de concrete omstandigheden in de verwijzingsprocedure bij Hof Den Bosch.

Hoge Raad 13 maart 2026, ECLI:NL:HR:2026:390. In cassatie op ECLI:NL:GHARL:2024:1635.

Aangehaalde rechtspraak

Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2026:390

Gerechtshoven: ECLI:NL:GHARL:2024:1635

Lees ook