Procesmachtiging en accountantsaansprakelijkheid in faillissement
Curatoren krijgen toestemming om accountant te dagvaarden na mislukte schikkingspoging
De curatoren van een failliete naamloze vennootschap verzochten de rechter-commissaris om een procesmachtiging ex artikel 68 lid 3 Fw voor een procedure tegen Ernst & Young en de verantwoordelijke accountant. Het geschil betrof de kwaliteit van de controle van de jaarrekening over 2012. De Accountantskamer had in 2017 geoordeeld dat de accountant controlefouten had gemaakt en in strijd had gehandeld met de geldende beroepsregels. Het CBb legde in hoger beroep in 2019 zelfs zwaardere maatregelen op.
De curatoren hadden begin november 2022 een conceptdagvaarding gedeeld met het bestuur, de raad van commissarissen en EY. EY reageerde niet inhoudelijk, maar liet in juni 2023 in een gesprek weten bereid te zijn de zaak te schikken, op voorwaarde dat het bestuur en de RvC zouden bijdragen. De curatoren traden daarop eerst met die partijen in onderhandeling. Toen dat traject begin 2025 vergevorderd was, zochten zij opnieuw contact met EY. EY reageerde niet meer en liet in de zomer van 2025 weten geen schikking te willen treffen. Daarop dienden de curatoren het machtigingsverzoek in.
Het boedelsaldo bedroeg ruim EUR 5,5 miljoen, tegenover preferente vorderingen van circa EUR 622 miljoen. De totale vordering op EY bedroeg EUR 845.024,98 te vermeerderen met wettelijke rente. De geschatte proceskosten: EUR 20.000.
R-C: proceskansen voldoende, procedure ook noodzakelijk voor bredere afwikkeling
De rechter-commissaris beoordeelde het verzoek aan de hand van drie criteria: proceskansen, kosten en baten, en noodzakelijkheid. Hij benadrukte dat een inhoudelijke beslissing over het geschil thuishoort bij de civiele rechter. De rechter-commissaris beoordeelt uitsluitend de kansen van de curatoren bij die rechter.
Op het punt van verjaring en vervaltermijnen achtte de rechter-commissaris de proceskansen voldoende. De curatoren hadden aannemelijk gemaakt dat EY eerder toezeggingen had gedaan over de bereidheid om in onderhandeling te treden, en die toezeggingen later — toen de onderhandelingen met bestuur en RvC in een vergevorderd stadium verkeerden — weer had ingetrokken. Op basis van die omstandigheden mochten de curatoren ervan uitgaan dat zij eerst met bestuur en RvC zouden overleggen voordat zij verdere maatregelen jegens EY zouden nemen. EY was daardoor op geen enkele wijze in haar bewijspositie geschaad. De rechter-commissaris concludeerde dat er voldoende kans is dat de civiele rechter het beroep van EY op verjarings- of vervaltermijnen in strijd zal achten met de redelijkheid en billijkheid. Juridisch is dit een toepassing van de derogerende werking van de redelijkheid en billijkheid (artikel 6:248 lid 2 BW).
Ook inhoudelijk achtte de rechter-commissaris de proceskansen voldoende: de tuchtrechter had vrijwel alle klachtonderdelen gegrond verklaard en bevestigd dat EY ten onrechte de goedkeurende verklaring bij de jaarrekening had afgegeven.
Over de kosten en baten overwoog de rechter-commissaris dat de opbrengst geen substantieel verschil zal maken gezien de omvang van de preferente vorderingen, maar dat de schuldeisers ook niet negatief worden geraakt. De schuldeisers hebben voornamelijk belang bij duidelijkheid en afwikkeling.
Het meest opvallende element betreft de noodzakelijkheidstoets. Alle alternatieve mogelijkheden waren uitgeput en EY had ter zitting bevestigd niet bereid te zijn tot overleg. Maar de rechter-commissaris ging verder: de procedure rijkt verder dan het geschil met EY alleen, omdat ook het bestuur en de RvC wachten op een uitkomst voor eventuele verdere onderhandelingen. Om die onderhandelingen te kunnen afronden, is duidelijkheid over de positie van EY nodig. De rechter-commissaris voegde toe: "Zelfs als de proceskansen beperkt zouden zijn, is het dus — in het belang van de gezamenlijke schuldeisers — noodzakelijk het geschil met EY te beslechten."
Wat betekent dit voor curatoren die een accountant aansprakelijk willen stellen?
De beschikking bevestigt dat de rechter-commissaris bij procesmachtiging niet alleen de directe proceskansen weegt, maar ook het belang van duidelijkheid voor de bredere afwikkeling van het faillissement. De strategische waarde van een procedure voor de schikkingspositie jegens andere partijen kan de noodzakelijkheidstoets dragen — ook wanneer de directe opbrengst beperkt is ten opzichte van het boedeltekort.
Dat is geen open deur. In een eerdere beschikking van dezelfde rechter-commissaris (16 mei 2025) werd een procesmachtiging juist geweigerd. Daar speelde een wezenlijk ander ontvankelijkheidsrisico: de curatoren procedeerden namens een beperkte groep individuele schuldeisers op basis van lastgeving, niet namens de gezamenlijke schuldeisers. Het procesrisico was mede daardoor te hoog, en de opbrengst raakte uitsluitend de boedelschuldeisers.
Voor de insolventiepraktijk zijn drie punten relevant. Ten eerste: documenteer schikkingsbereidheid en het onderhandelingsverloop zorgvuldig — het speelt een rol bij de beoordeling van verjarings- en vervaltermijnverweren. Ten tweede: tuchtrechtelijke oordelen vormen geen bewijs van civiele aansprakelijkheid, maar ondersteunen de inschatting van proceskansen door de rechter-commissaris. Ten derde: de waarde van een procedure voor de schikkingspositie jegens andere betrokken partijen kan een zelfstandige grond zijn voor het verlenen van een procesmachtiging.
Veelgestelde vragen
Kan een accountant hoger beroep instellen tegen een procesmachtiging?
Nee. De rechtbank Midden-Nederland bevestigde in een samenhangende zaak dat alleen de curator als verzoeker en geadresseerde van de beschikking kwalificeert als partij onder artikel 67 Fw. De wederpartij behoudt al haar verweren in de bodemprocedure, maar kan de machtiging zelf niet aanvechten.
Hoe beoordeelt de rechter-commissaris een verzoek om procesmachtiging?
De rechter-commissaris hanteert een drieledig toetsingskader: de proceskansen van de curator, de verwachte kosten en baten van de procedure, en de vraag of procederen redelijkerwijs noodzakelijk is. Dit kader is niet wettelijk vastgelegd maar heeft zich in de praktijk en de literatuur ontwikkeld tot een de facto standaard.
Telt een tuchtrechtelijke veroordeling mee bij civiele accountantsaansprakelijkheid?
Een tuchtrechtelijk oordeel informeert de civiele beoordeling, maar bepaalt deze niet. Sinds het Vie d'Or-arrest (HR 13 oktober 2006) geldt als maatstaf wat verwacht mag worden van een redelijk handelend en redelijk bekwaam controlerend accountant. De rechter-commissaris kan het tuchtrechtelijk oordeel meewegen bij de inschatting van proceskansen, zoals in deze beschikking het geval was.
ECLI:NL:RBMNE:2026:726, Rechtbank Midden-Nederland (rechter-commissaris), 29 januari 2026.
Aangehaalde rechtspraak
Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2006:AW2080
Rechtbanken: ECLI:NL:RBMNE:2026:726 · ECLI:NL:RBMNE:2025:2322 · ECLI:NL:RBMNE:2025:6379