Goodwill en doorstart na faillissement
Curator claimt goodwill na faillissement groothandel
Het gerechtshof Den Haag heeft in hoger beroep de vorderingen van een curator afgewezen die stelde dat een nieuw opgerichte vennootschap de onderneming van een failliete groothandel in hout- en tuinmaterialen onrechtmatig had overgenomen. De kern van het geschil: had de nieuwe vennootschap zich de goodwill van de failliete onderneming toegeëigend door dezelfde activiteiten op dezelfde locatie te starten, zonder daarvoor te betalen?
De failliete vennootschap was een groothandel in hout- en bouwmaterialen met vestigingen in Den Haag en Rotterdam. Haar voorraden waren verpand aan Rabobank, die op zeker moment aflossing afdwong. Toen de vennootschap daar niet meer toe in staat was, volgde op 28 oktober 2014 het faillissement.
Kort voor het faillissement — op 17 september 2014 — richtten twee zonen van de indirect bestuurder en aandeelhouder een nieuwe vennootschap op: Woody Brothers. Beiden werkten op dat moment voor de failliete onderneming. Woody Brothers huurde vervolgens hetzelfde bedrijfspand in Den Haag van de holding van vader en vestigde daar per 1 oktober 2014 een onderneming. Ook probeerde Woody Brothers de voorraad van de failliete vennootschap te kopen via een derde partij, maar Rabobank had als pandhouder inmiddels beslag gelegd.
De curator vorderde een verklaring voor recht dat Woody Brothers de onderneming onrechtmatig had overgenomen door niet te betalen voor de goodwill. De schade werd aanvankelijk begroot op €960.000 en in hoger beroep verminderd tot €142.245. Meer subsidiair beriep de curator zich op de faillissementspauliana (artikel 42 Fw).
Hof: overname klantenbestand onvoldoende onderbouwd
Het hof stelde voorop dat de curator voldoende concrete feiten moest stellen en zo nodig bewijzen waaruit kon worden afgeleid dat Woody Brothers het klantenbestand van de failliete vennootschap had overgenomen. Dat lukte niet.
Cruciaal was dat tussen partijen vaststond dat de onderneming vóór het faillissement al was gestaakt: voorraden en inventaris waren door Rabobank weggehaald, er werden al maanden geen leveringen meer gedaan, en er vonden nauwelijks nog activiteiten plaats. Klanten hadden hun heil elders gezocht bij bedrijven die wél konden leveren. Woody Brothers ontplooide in september 2014 zelf nog geen enkele activiteit en was per februari 2015 al verhuisd naar een ander adres, waar zij opnieuw voorraad inkocht. Bovendien betwistten geïntimeerden — onweersproken — dat Woody Brothers zich bezighield met andere activiteiten (kleinschalig specialistisch timmerwerk) dan de failliete groothandel.
De door de curator overgelegde gespreksbevestigingen met een aantal voormalige klanten waren onvoldoende: ze waren door de curator zelf opgesteld, niet ondertekend of bevestigd door de betreffende klanten, en te beperkt in aantal om de stelling te dragen dat het klantenbestand was overgenomen.
Het hof wees alle vorderingen af: de onrechtmatige daad (artikel 6:162 BW), de bestuurdersaansprakelijkheid (bij gebrek aan feitelijke grondslag), en de pauliana (eveneens gebaseerd op de niet-bewezen overname van goodwill). Het bewijsaanbod werd gepasseerd wegens onvoldoende feitelijke onderbouwing.
Wat betekent dit voor doorstarters na faillissement?
Het arrest illustreert hoe lastig het voor een curator kan zijn om een vordering wegens toe-eigening van goodwill te onderbouwen wanneer de onderneming al vóór faillissement feitelijk was gestaakt. Het enkele feit dat een nieuwe vennootschap — opgericht door familieleden van de bestuurder — op dezelfde locatie activiteiten begint, is onvoldoende. De curator moet concreet aantonen dat het klantenbestand daadwerkelijk is meegenomen, en dat vergt meer dan zelfopgestelde, niet-ondertekende gespreksbevestigingen.
Voor partijen die een nieuwe onderneming starten na het faillissement van een gerelateerde vennootschap biedt het arrest houvast: wie aantoonbaar met andere activiteiten, een andere klantenkring en eigen voorraad begint, staat sterker tegenover een vordering van de curator. Tegelijk laat de casus zien dat de feitelijke gang van zaken — hetzelfde pand, familiebanden, pogingen om de voorraad te kopen — al snel de aandacht van de curator trekt.
Veelgestelde vragen
Wanneer is sprake van onrechtmatige overname van een onderneming na faillissement?
Van onrechtmatige overname is sprake als een derde zich de goodwill — met name het klantenbestand — van de failliete onderneming toe-eigent zonder daarvoor te betalen. De curator moet concreet aantonen dat klanten daadwerkelijk zijn meegenomen. Alleen dezelfde locatie of familiebanden zijn onvoldoende.
Kan een curator een beroep doen op de faillissementspauliana bij doorstart?
Ja, op grond van artikel 42 Fw kan de curator rechtshandelingen vernietigen die de boedel benadelen. Bij een doorstart moet de curator dan bewijzen dat de goodwill-overdracht een rechtshandeling was die de schuldeisers benadeelde en dat beide partijen dat wisten.
Hoe kan een doorstarter zich beschermen tegen een vordering van de curator?
Door aantoonbaar eigen klanten te werven, andere activiteiten te ontplooien en zelfstandig voorraad in te kopen. Documenteer dat de onderneming voor faillissement al was gestaakt en dat klanten zelf waren vertrokken. Vermijd het overnemen van handelsnaam, klantenlijsten of telefoonnummers van de failliete vennootschap.
ECLI:NL:GHDHA:2019:2615, Gerechtshof Den Haag, 24 september 2019.
Aangehaalde rechtspraak
Gerechtshoven: ECLI:NL:GHDHA:2019:2615