Inzage vorderen onder het nieuwe bewijsrecht
In een bodemprocedure bij de rechtbank Oost-Brabant vorderden kopers van aandelen bij incidentele conclusie de gehele administratie van de verkoper, als voorlopige voorziening voor de duur van het geding. De rechtbank kwam niet toe aan de inhoud. De gekozen grondslag kan een inzagevordering niet dragen, ook niet onder het bewijsrecht dat sinds 1 januari 2025 geldt.
Afgifte van de administratie sneuvelt op de grondslag
De zaak draaide om een aandelenoverdracht van 7 september 2023. Bij conclusie van antwoord vorderden de kopers, na vermeerdering van eis, een voorlopige voorziening. De verkoper moest binnen veertien dagen de gehele administratie over de periode vanaf 2018 tot de aandelenoverdracht ter hand stellen, op straffe van een dwangsom. Daaronder vielen zowel de financiële administratie als de administratie ter voldoening van de HACCP.
Het eerste verweer van de verkoper deed het hele incident af: een bevel tot afgifte kan naar zijn aard niet gelden voor alleen de duur van het geding. Dat verweer slaagde. In ECLI:NL:RBOBR:2025:5466 van 3 september 2025 stelde de rechtbank voorop dat artikel 223 Rv alleen ruimte biedt voor een voorziening die voor de duur van de bodemprocedure kan gelden. Het verstrekken van bescheiden is naar zijn aard definitief en reikt verder dan die duur. De vordering werd afgewezen zonder toetsing aan de vereisten voor inzage, met een proceskostenveroordeling van € 792,00 voor de kopers.
Die uitkomst rust op HR 13 juli 2012. Daarin is beslist dat een incidentele exhibitievordering in een lopende procedure geen voorlopige voorziening is als bedoeld in artikel 337 lid 1 Rv. Drie eerdere vonnissen trokken daaruit de conclusie dat artikel 223 Rv de exhibitievordering niet kan dragen (ECLI:NL:RBMNE:2014:6832, ECLI:NL:RBROT:2017:441 en ECLI:NL:RBOBR:2020:4089). Het nieuwe bewijsrecht heeft daaraan volgens de rechtbank niets veranderd.
Dezelfde grens geldt voor andere bewijsverrichtingen. In ECLI:NL:RBAMS:2025:5480 van 23 juli 2025 vroeg een eiser in een lopende procedure bij wijze van voorlopige voorziening om een deskundigenonderzoek. Dat was de verkeerde rechtsingang. Een deskundigenonderzoek is geen voorziening voor de duur van de procedure, en de bevoegdheid van de voorzieningenrechter in artikel 197 lid 1 Rv is uitdrukkelijk beperkt tot verzoeken om inzage, afschrift of uittreksel. Ook langs artikel 223 Rv is een deskundigenonderzoek dus niet te halen.
Beslecht is de vraag nog niet. In ECLI:NL:RBLIM:2026:5166 van 3 juni 2026 lagen een provisionele vordering en een inzagevordering naast elkaar voor. De rechtbank Limburg toetste de eerste aan de maatstaf van artikel 223 Rv en de tweede aan de vereisten van artikel 194 Rv, wees beide af en liet de principiële vraag onbesproken.
Een verkeerde grondslag is bovendien niet altijd fataal. In ECLI:NL:RBNHO:2022:7871 merkte de rechtbank op dat wat als provisionele vordering was aangeduid in werkelijkheid een incidentele vordering tot afgifte van bescheiden was, behandelde haar als zodanig en wees haar gedeeltelijk toe.
Onder het nieuwe bewijsrecht bepaalt het procesmoment de rechtsingang
Sinds 1 januari 2025 is artikel 843a Rv vervallen, de bepaling waarop de exhibitieplicht tot dan werd gebaseerd. Het inzagerecht staat nu in artikel 194 Rv: wie partij is bij een rechtsbetrekking heeft recht op inzage, afschrift of uittreksel van gegevens over die rechtsbetrekking, tegenover degene die daarover beschikt, mits hij voldoende belang heeft. De houder mag weigeren als hem een verschoningsrecht toekomt of als gewichtige redenen zich tegen verstrekking verzetten. Weigert hij op andere grond, dan bepaalt de stand van de procedure bij wie het verzoek thuishoort.
| Procesmoment | Rechtsingang | Toetsingskader |
|---|---|---|
| Nog geen zaak aanhangig, of aanhangig maar nog niet op de rol ingeschreven | verzoekschrift om een voorlopige bewijsverrichting, artikel 196 jo. artikel 197 Rv | afwijzingsgronden van artikel 196 lid 2 Rv, met artikel 204 Rv de vereisten van artikel 194 tot en met 195a Rv van overeenkomstige toepassing |
| Zaak loopt en staat op de rol | incidenteel verzoek aan de rechter die de zaak behandelt, artikel 195 Rv, of tegen een derde artikel 195a Rv met oproeping van die derde en van de wederpartij | vereisten van artikel 194 Rv |
| Spoedeisend geval | verzoek of vordering bij de voorzieningenrechter, artikel 197 lid 1, laatste volzin, Rv | afwijzingsgronden van artikel 196 lid 2 Rv, plus spoedeisend belang |
| Voorziening voor de duur van het geding | artikel 223 Rv biedt geen grondslag voor inzage | niet aan de orde |
Loopt er al een bodemprocedure, dan is de derde rij omstreden. Daarover gaan de volgende twee paragrafen.
Het onderscheid tussen de eerste twee rijen is scherp getrokken in ECLI:NL:RBDHA:2026:15763 van 13 mei 2026. Staat er nog geen zaak op de rol, dan loopt het verzoek via artikel 196 Rv. Is de zaak wel aanhangig, dan via artikel 195 Rv bij de rechter die haar behandelt. Het kantelpunt is dus het moment van inschrijving op de rol. In ECLI:NL:RBAMS:2025:9671 van 18 december 2025 leidde dat tot de volgende afbakening. Na afloop van de eerste aanleg kan een verzoek nog bij de rechtbank worden gedaan, tot het moment waarop de appeldagvaarding op de rol van het hof staat.
Datzelfde kantelpunt beslist over de ontvankelijkheid, terwijl voor de kwalificatie een eigen maatstaf geldt. Het hof Arnhem-Leeuwarden oordeelde in ECLI:NL:GHARL:2025:5194 van 25 augustus 2025 dat artikel 196 lid 1 Rv een ontvankelijkheidsvoorwaarde stelt. Wordt het verzoek gedaan terwijl de bodemzaak al op de rol staat, dan volgt niet-ontvankelijkheid. Het verzoek blijft daarnaast een voorlopige bewijsverrichting, ook met een aanhangige bodemzaak. Die kwalificatie bepaalt welk rechtsmiddelenregime geldt.
Rechtbanken lopen uiteen over het kort geding naast de bodemzaak
Dat de kortgedingroute blijft bestaan, staat vast. De memorie van toelichting bij de Wet vereenvoudiging en modernisering bewijsrecht (Kamerstukken II 2019/20, 35 498, nr. 3) merkt bij artikel 197 op dat de vraag uit de consultatie of het mogelijk blijft in een kortgedingprocedure om inzage te vragen bevestigend wordt beantwoord.
De rechtbank Rotterdam wees op die grond in ECLI:NL:RBROT:2026:5444 van 2 april 2026 een inzagevordering in kort geding toe. Het spoedeisend belang zat in twee al bepaalde getuigenverhoren waarvoor de stukken nodig waren. Diezelfde uitspraak bevat een tweede punt van belang: het onder het oude recht geldende vereiste dat de eiser aannemelijk maakt dat hij ook een vorderingsrecht heeft, is met het nieuwe inzagerecht vervallen. Het hof 's-Hertogenbosch noemde de kortgedingroute in ECLI:NL:GHSHE:2026:580 van 3 maart 2026 als uitgangspunt. De inzagevordering van Hankook werd toch afgewezen: de samenhangende vordering tegen Creventic sneuvelde, en daarmee viel het spoedeisend belang weg.
Verdeeld is de vraag wat er geldt als tussen dezelfde partijen al een bodemprocedure loopt. Onder het oude recht was die vraag beslecht. In HR 8 februari 2013 oordeelde de Hoge Raad dat een exhibitievordering ook in kort geding kan worden ingesteld tijdens een lopende bodemprocedure. Dat die procedure loopt, kan meewegen bij het spoedeisend belang en noopt de rechter tot terughoudendheid bij de inhoudelijke beoordeling. Onder het nieuwe recht staan twee opvattingen tegenover elkaar. Het verschil zit in de grondslag, en die bepaalt of de rechter aan een inhoudelijke beoordeling toekomt.
| De Amsterdamse opvatting | De Rotterdamse opvatting | |
|---|---|---|
| Grondslag | artikel 194 en 195 Rv, met artikel 254 Rv, vanwege het eigen karakter van de kortgedingvordering | artikel 196 lid 2 sub c Rv, de goede procesorde |
| Wat de rechter doet | de vordering is ontvankelijk, daarna een terughoudende toets op het spoedeisend belang | de vordering hoort alleen in de bodemzaak, dus geen inhoudelijke toets |
| Steun in de bronnen | nota naar aanleiding van het verslag, nota van wijziging, HR 8 februari 2013 | de concentratiegedachte van de wet, de verwachting in de memorie van toelichting van minder inzage-kort gedingen, en de praktijk die artikel 196 lid 2 Rv ook in kort geding toepast |
| Gevolg voor de eiser | een oordeel over de gevraagde stukken, ook naast een lopende bodemzaak | verwijzing naar de behandelend rechter, met de vertraging die daarbij hoort |
Voor zover bekend heeft een hof geen van beide lijnen bevestigd of verworpen.
De Amsterdamse opvatting: de kortgedingvordering staat op zichzelf
De voorzieningenrechter in Amsterdam heeft de lijn van 2013 onder het nieuwe recht voortgezet in ECLI:NL:RBAMS:2025:2936 van 2 mei 2025. Dat kort geding ging over bewaring van gegevens, hangende een WAMCA-procedure tegen Salesforce. Salesforce voerde aan dat een inzagevordering in kort geding niet meer mogelijk is zolang de bodemzaak loopt. Zij beriep zich op een in de literatuur verdedigde uitleg, in het vonnis toegeschreven aan Lock, raadsheer in de civiele kamer van de Hoge Raad. Die uitleg is systematisch: de kortgedingvariant staat in artikel 197 lid 1 Rv, dus in de paragraaf over voorlopige bewijsverrichtingen, en juist daarvoor eist artikel 196 lid 1 Rv dat de zaak nog niet loopt.
De voorzieningenrechter verwierp dat betoog op drie gronden. De wet geeft geen duidelijkheid. De systematische uitleg gaat voorbij aan het eigen karakter van de inzagevordering in kort geding. En uit de totstandkomingsgeschiedenis blijkt dat de bestaande praktijk juist behouden blijft, en dat op die vordering de regels van het kort geding en het algemene rechtsmiddelenregime van toepassing zijn. De aanhangige bodemprocedure stond dus niet aan ontvankelijkheid in de weg. Het gebod tot bewaring van gegevens en de vordering tot een overzicht van klanten werden toegewezen. Het in hetzelfde kort geding gevorderde deskundigenonderzoek sneuvelde wel, omdat dat de WAMCA-procedure zou doorkruisen en aan de regiefunctie van de bodemrechter zou afdoen.
Voor deze opvatting pleit in de eerste plaats de wetsgeschiedenis. De nota naar aanleiding van het verslag (Kamerstukken II 2021/22, 35 498, nr. 6) zegt dat de inzagevordering in kort geding losstaat van de bijzondere procedure waarin de voorlopige bewijsverrichtingen zijn samengevoegd. Daarop zijn de bepalingen over het kort geding (artikel 254 Rv) en het algemene rechtsmiddelenregime van toepassing. De nota van wijziging (35 498, nr. 7) noemt de kortgedingvordering een mogelijkheid die behouden blijft naast de verzoekprocedure. De memorie van toelichting merkt bovendien op dat de regels van het bewijsrecht zich niet lenen voor toepassing in kort geding. Daar komt een systematisch argument bij. Het rechtsmiddelenverbod van artikel 200 lid 2 Rv geldt niet voor de inzagevordering in kort geding. Dat is moeilijk te rijmen met de gedachte dat die vordering volledig binnen de regeling van de voorlopige bewijsverrichtingen valt.
Daartegen pleit de plaats in de wet. De wetgever heeft de kortgedingroute ondergebracht in de slotzin van artikel 197 lid 1 Rv, midden in de paragraaf over voorlopige bewijsverrichtingen, en die zin spreekt over hetzelfde verzoek als artikel 196 Rv. De praktijk versterkt dat bezwaar: kortgedingrechters halen hun toetsingskader wel degelijk uit artikel 196 lid 2 Rv, zoals in ECLI:NL:RBGEL:2025:1971 van 12 maart 2025 en in de Rotterdamse uitspraak van 2 april 2026. Wie de kortgedingvordering voor de toewijzingscriteria aan die paragraaf ophangt, kan haar er voor de goede procesorde niet zonder meer buiten plaatsen. En het blijft wringen met de versterkte regiefunctie: een partij die bij de bodemrechter niets vraagt maar wel een kort geding begint, haalt de zaak weg bij de rechter die haar behandelt.
De Rotterdamse opvatting: inzage hoort bij de bodemrechter
Ruim een half jaar later kwam de rechtbank Rotterdam op een andere grond tot de tegenovergestelde uitkomst. In ECLI:NL:RBROT:2025:14965 van 17 december 2025 ging het om inzage in gegevens die onder conservatoir bewijsbeslag lagen. Volgens de voorzieningenrechter is het in strijd met de goede procesorde om een inzagevordering in een afzonderlijk kort geding in te stellen wanneer al een bodemprocedure over feitelijk hetzelfde onderwerp aanhangig is. Die vordering kan dan alleen nog in die procedure worden ingesteld, hetgeen volgens de rechtbank volgt uit artikel 196 lid 2 sub c Rv en uit de gedachte van de wetgever dat bewijsverrichtingen worden geconcentreerd. Voor Bacardi, die in hoger beroep procedeerde tegen Excellent Drinks, liep de inzagevordering daarop stuk, met een proceskostenveroordeling van € 15.000,00 op grond van artikel 1019h Rv. Voor mede-eiseres Polmos, die geen bodemprocedure tegen dezelfde partij had, werd de vordering wel inhoudelijk beoordeeld en afgewezen wegens onvoldoende belang.
Voor deze opvatting pleit dat zij het doel van de wet dient. De regeling is bedoeld om bewijsverrichtingen te concentreren bij de rechter die het geschil behandelt, en de memorie van toelichting rekent in de regeldrukparagraaf zelfs op een vermindering van het aantal kort gedingen waarin inzage wordt gevorderd. Twee rechters die zich gelijktijdig over hetzelfde geschilpunt buigen is precies wat de wetgever wilde voorkomen, met dubbel debat, dubbele kosten en het risico op tegenstrijdige beslissingen. Die zorg klinkt ook buiten Rotterdam door, zoals in de hierna te bespreken Amsterdamse uitspraak van 4 maart 2026. Systematisch is de keuze consequent: kortgedingrechters halen hun toetsingskader al uit artikel 196 lid 2 Rv, en wie die maatstaf toepast, kan onderdeel c daarvan niet overslaan. Ten slotte is de goede procesorde ook zonder die bepaling een reële grens, en had de vordering evengoed op misbruik van bevoegdheid kunnen afstuiten.
Daartegen pleiten drie dingen. De kamerstukken maken de inzagevordering in kort geding juist los van de bepaling waaraan Rotterdam haar toetst. Het rechtsmiddelenverbod is op die vordering niet van toepassing. En de Hoge Raad liet het aanhangig zijn van de bodemprocedure in 2013 meewegen bij het spoedeisend belang en de terughoudendheid van de rechter. Daarnaast is er een praktisch bezwaar: een categorische grens sluit ook de gevallen af waarin bewijs dreigt te verdwijnen. Juist zo'n geval lag in Amsterdam voor, waar hangende de WAMCA-procedure een bewaargebod werd gegeven omdat een aanzienlijk risico bestond dat gegevens zouden worden verwijderd. Onder de Rotterdamse regel had die eiser zich tot de bodemrechter moeten wenden, met het risico dat het bewijs inmiddels was verwijderd.
Rotterdam heeft het bovendien niet bij die ene grond gelaten. Subsidiair oordeelde de rechtbank dat de inzagevordering niet zo spoedeisend was dat de uitkomst van een incidentele vordering in het lopende hoger beroep niet kon worden afgewacht. Dat spoor leidt tot dezelfde uitkomst en sluit wel aan bij de kamerstukken en bij het arrest van 2013. Daarmee raakt de kritiek de constructie, terwijl de uitkomst overeind blijft.
Waar het verschil beslissend wordt
Loopt het uit op een afwijzing, dan maakt de keuze tussen beide opvattingen vaak niets uit, omdat de vordering ook op het spoedeisend belang strandt. Een middenlijn doet dan het werk: de vordering is ontvankelijk, maar de lat voor toewijzing ligt hoog. In ECLI:NL:RBDHA:2025:22355 van 26 november 2025 lag de hoofdzaak bij het hof. Een verzoek ex artikel 195 Rv hoort in beginsel bij die rechter, aldus de voorzieningenrechter. Alleen bij een zodanige spoedeisendheid dat diens beslissing niet kan worden afgewacht is er ruimte voor een kort geding. De vrees voor vernietiging van de gegevens verviel als grond nadat de Staat ter zitting had gegarandeerd dat dat niet zou gebeuren zolang de procedures liepen. De wens om de stukken vóór de memorie van grieven te hebben volstond evenmin, want bij het hof kan uitstel worden gevraagd.
De rechtbank Amsterdam sloot zich daarbij aan in ECLI:NL:RBAMS:2026:3482 van 4 maart 2026, in een geschil over garanties bij een aandelenkoop. Een inhoudelijke beslissing zou vergen dat de voorzieningenrechter een deel van het geschil beoordeelt dat al bij de bodemrechter ligt, en dat doorkruist die procedure. Tot dezelfde uitkomst kwam de rechtbank Rotterdam in ECLI:NL:RBROT:2026:8782 van 17 juli 2026. De inzagevordering van Ziggo na bewijsbeslag strandde omdat van klemmende omstandigheden niets was gebleken, en de gestelde beperkte houdbaarheid van digitaal bewijsmateriaal was niet concreet gemaakt.
Waar de spoed concreet is, wordt toegewezen. In ECLI:NL:RBMNE:2025:6896 van 29 december 2025 beriep de eisende partij zich op een aflopende appeltermijn in de ene procedure en een bepaald pleidooi in de andere. De voorzieningenrechter achtte het spoedeisend belang onderbouwd, wees inzage toe, verklaarde het vonnis uitvoerbaar bij voorraad en verbond daaraan een verbod op verdere verspreiding om de vertrouwelijkheidsbezwaren te ondervangen. In ECLI:NL:RBMNE:2026:1322 van 23 maart 2026 werd een kort geding toegelaten nadat in de bodemzaak al bij incident over inzage was beslist. Drie omstandigheden droegen dat oordeel. Het in het incident toegekende recht betrof niet de bescheiden waarom was verzocht. Het kort geding hing onlosmakelijk samen met de bodemzaak. En het vermoeden van schending van een geheimhoudingsplicht rond technische knowhow leverde een belang op dat naar zijn aard spoedeisend was. Op de bepaalbaarheid liep het alsnog vast, waarna de eisende partij de gelegenheid kreeg haar vordering te specificeren.
Daar wordt het verschil een procesrisico: dezelfde vordering, op dezelfde feiten, wordt bij de ene rechtbank inhoudelijk beoordeeld en bij de andere naar de bodemrechter verwezen. Bij een aflopende termijn, een al bepaald getuigenverhoor of dreigend verlies van gegevens laat de ene opvatting de kortgedingrechter toetsen, terwijl de andere de eiser ook dan naar de bodemrechter verwijst. Voor dat scenario is het de moeite waard om beide lijnen in de dagvaarding te adresseren.
Het rechtsmiddel verschilt per rechtsingang
De rechtsingang bepaalt ook wat tegen de beslissing openstaat. Voor voorlopige bewijsverrichtingen geldt artikel 200 Rv. Tegen de beslissing op een inzageverzoek staat hoger beroep open binnen vier weken. Tegen de beslissing op een verzoek om andere voorlopige bewijsverrichtingen staat geen hogere voorziening open, tenzij de rechter anders bepaalt. Dat verbod wordt streng toegepast. Het hof Den Haag verklaarde in ECLI:NL:GHDHA:2025:2158 van 21 oktober 2025 appellanten niet-ontvankelijk in hun beroep tegen de afwijzing van een voorlopig getuigenverhoor. Het hof Amsterdam deed hetzelfde in ECLI:NL:GHAMS:2026:949 van 9 april 2026, bij een verzoek om deskundigen te horen. Een groot belang of een bijzondere context levert volgens dat hof geen doorbrekingsgrond op en verlaagt de drempel daarvoor ook niet.
Voor beslissingen die tijdens een lopende procedure of in kort geding op de voet van artikel 195 Rv zijn gegeven, geldt artikel 200 lid 1 Rv niet en gelden de gewone appel- en cassatietermijnen. Dat is uiteengezet in de conclusie van de advocaat-generaal in ECLI:NL:PHR:2025:996 van 12 september 2025. In combinatie met het arrest van 2012 betekent dat voor het incident in een lopende zaak: een tussenvonnis, waartegen tussentijds appel alleen met verlof van de rechter openstaat.
Over het overgangsrecht is inmiddels beslist. In ECLI:NL:HR:2026:201 van 6 februari 2026 stelde de Hoge Raad vast dat een specifieke overgangsbepaling ontbreekt, zodat moet worden teruggegrepen op de algemene uitgangspunten van civielrechtelijk overgangsrecht. Wordt na 1 januari 2025 beslist op een verzoek van vóór die datum, dan blijft voor de rechtsmiddelen en hun termijn gedurende de hele procedure het oude recht gelden. Het hof Arnhem-Leeuwarden paste dat toe in ECLI:NL:GHARL:2026:1203 van 24 februari 2026 en achtte de appellant ontvankelijk onder de oude termijn van drie maanden.
Een tweede poging langs een andere route stuit op het gesloten stelsel van rechtsmiddelen. In de Amsterdamse zaak van 18 december 2025 werd een inzageverzoek niet in behandeling genomen, omdat over een nagenoeg identieke incidentele vordering al was beslist. In de Haagse uitspraak van 13 mei 2026 volgde een opvolgend verzoek ex artikel 195 Rv op een eerder afgewezen verzoek ex artikel 196 Rv. Dat werd aangemerkt als verkapt rechtsmiddel en in strijd met de goede procesorde geacht.
Wat betekent dit voor de keuze van de rechtsingang?
Vooraf moet vaststaan bij wie het verzoek thuishoort. Staat de zaak op de rol, dan is het incident ex artikel 195 Rv de route, met artikel 195a Rv en de daarin voorgeschreven oproeping als de gegevens bij een derde liggen. Is de zaak nog niet ingeschreven, dan is het verzoekschrift om een voorlopige bewijsverrichting de route, met als bijkomend gevolg dat tegen die beslissing hoger beroep openstaat binnen vier weken.
Wordt inzage in kort geding gevorderd terwijl de bodemzaak loopt, dan vraagt dat om twee dingen in de dagvaarding, zolang geen hof over het verschil tussen beide opvattingen heeft beslist. Werk uit waarom concentratie bij de bodemrechter hier niet volstaat, want daarop rekent de Rotterdamse lijn af. En veranker de spoed in een verifieerbare datum, zoals een aflopende termijn of een al bepaald getuigenverhoor. Wie daarnaast de wetsgeschiedenis aanhaalt waarin de kortgedingvordering los wordt gezien van de verzoekprocedure, geeft de rechter het aanknopingspunt om de vordering hoe dan ook inhoudelijk te beoordelen.
Artikel 223 Rv hoort niet in die rij thuis, en in de gepubliceerde rechtspraak sinds 1 januari 2025 is geen uitspraak aangetroffen die de andere kant kiest. Wel is dit tot nu toe rechtbankrechtspraak, gebouwd op een arrest dat formeel over de appellabiliteit van het exhibitie-incident gaat. Wie de grondslag subsidiair op artikel 194 en 195 Rv baseert, houdt het inhoudelijke debat open, ook als het beroep op artikel 223 Rv sneuvelt.
Veelgestelde vragen
Kan inzage in stukken tijdens een lopende procedure als voorlopige voorziening worden gevorderd?
Nee. De feitenrechtspraak wijst een op artikel 223 Rv gebaseerde inzagevordering af, omdat het verstrekken van gegevens naar zijn aard definitief is en dus niet kan gelden voor alleen de duur van het geding. De weg tijdens een lopende procedure is het incidentele verzoek ex artikel 195 Rv aan de rechter die de zaak behandelt, of ex artikel 195a Rv als een derde over de gegevens beschikt.
Blijft een kort geding om inzage mogelijk onder het nieuwe bewijsrecht?
Ja, dat volgt uit de memorie van toelichting bij artikel 197 Rv en uit de rechtspraak van 2025 en 2026. Loopt er al een bodemprocedure over hetzelfde onderwerp, dan is het beeld verdeeld: sommige voorzieningenrechters achten de vordering ontvankelijk en beoordelen haar terughoudend, andere zien strijd met de goede procesorde omdat bewijsverrichtingen bij de bodemrechter horen te worden geconcentreerd.
Staat tegen een beslissing op een inzageverzoek hoger beroep open?
Dat hangt af van de rechtsingang. Is inzage verzocht als voorlopige bewijsverrichting, dan geldt artikel 200 lid 1 Rv en is de appeltermijn vier weken. Voor andere voorlopige bewijsverrichtingen geldt een rechtsmiddelenverbod, behoudens verlof of een doorbrekingsgrond. Is inzage in een lopende procedure bij incident toegewezen of afgewezen, dan betreft het een tussenvonnis en is tussentijds appel alleen met verlof mogelijk.
Aangehaalde rechtspraak
Hoge Raad
- ECLI:NL:HR:2012:BW3264, 13 juli 2012: een incidentele exhibitievordering is geen voorlopige voorziening als bedoeld in artikel 337 lid 1 Rv
- ECLI:NL:HR:2013:BY6111, 8 februari 2013: de exhibitievordering kan ook in kort geding worden ingesteld tijdens een lopende bodemprocedure
- ECLI:NL:HR:2026:201, 6 februari 2026: op de rechtsmiddelen blijft gedurende de hele procedure het recht van vóór 1 januari 2025 van toepassing
Parket bij de Hoge Raad
- ECLI:NL:PHR:2025:996, 12 september 2025: artikel 200 lid 1 Rv geldt niet voor inzage die in een lopende procedure of in kort geding is gevorderd
Gerechtshoven
- ECLI:NL:GHARL:2025:5194, 25 augustus 2025: artikel 196 lid 1 Rv stelt een ontvankelijkheidsvoorwaarde, maar de kwalificatie als voorlopige bewijsverrichting blijft
- ECLI:NL:GHDHA:2025:2158, 21 oktober 2025: het rechtsmiddelenverbod van artikel 200 lid 2 Rv leidt tot niet-ontvankelijkheid
- ECLI:NL:GHARL:2026:1203, 24 februari 2026: verzoek van vóór 1 januari 2025, dus de oude beroepstermijn van drie maanden
- ECLI:NL:GHSHE:2026:580, 3 maart 2026: inzage kan in spoedeisende gevallen als vordering in kort geding, hier viel het spoedeisend belang weg
- ECLI:NL:GHAMS:2026:949, 9 april 2026: een groot belang of bijzondere context levert geen doorbrekingsgrond op
Rechtbanken
- ECLI:NL:RBMNE:2014:6832, 17 december 2014: een bevel tot afgifte van stukken heeft naar zijn aard een definitief karakter
- ECLI:NL:RBROT:2017:441, 4 januari 2017: inzage kan niet op artikel 223 Rv worden gebaseerd, wel op de exhibitiegrondslag
- ECLI:NL:RBOBR:2020:4089, 26 augustus 2020: artikel 223 Rv is voor ordemaatregelen, overlegging van stukken mist bovendien de samenhang
- ECLI:NL:RBNHO:2022:7871, 10 augustus 2022: wat als provisionele vordering was aangeduid, is behandeld als exhibitie-incident
- ECLI:NL:RBGEL:2025:1971, 12 maart 2025: kort geding via artikel 197 lid 1 Rv, met de afwijzingsgronden van artikel 196 lid 2 Rv
- ECLI:NL:RBAMS:2025:2936, 2 mei 2025: de aanhangige bodemprocedure staat niet aan ontvankelijkheid van de inzagevordering in kort geding in de weg
- ECLI:NL:RBAMS:2025:5480, 23 juli 2025: een deskundigenonderzoek is in een lopende procedure niet via artikel 223 Rv te verkrijgen
- ECLI:NL:RBOBR:2025:5466, 3 september 2025: de inzagevordering kan ook onder het nieuwe bewijsrecht niet op artikel 223 Rv worden ingesteld
- ECLI:NL:RBDHA:2025:22355, 26 november 2025: het verzoek hoort bij de rechter van de hoofdzaak, behoudens bijzondere spoedeisendheid
- ECLI:NL:RBROT:2025:14965, 17 december 2025: een afzonderlijk kort geding is in strijd met de goede procesorde als de bodemzaak over hetzelfde onderwerp loopt
- ECLI:NL:RBAMS:2025:9671, 18 december 2025: een opvolgend inzageverzoek strandt op het gesloten stelsel van rechtsmiddelen
- ECLI:NL:RBMNE:2025:6896, 29 december 2025: concrete spoed onderbouwd, inzage toegewezen met een verbod op verdere verspreiding
- ECLI:NL:RBAMS:2026:3482, 4 maart 2026: toewijzing zou de bodemprocedure doorkruisen, dus alleen in uitzonderlijke gevallen
- ECLI:NL:RBMNE:2026:1322, 23 maart 2026: kort geding toegelaten wegens onlosmakelijke samenhang, maar de bescheiden waren onvoldoende bepaald
- ECLI:NL:RBROT:2026:5444, 2 april 2026: inzage in kort geding toegewezen, het vereiste van een vorderingsrecht is vervallen
- ECLI:NL:RBDHA:2026:15763, 13 mei 2026: artikel 196 Rv vóór en artikel 195 Rv na inschrijving op de rol, geen verkapt rechtsmiddel
- ECLI:NL:RBLIM:2026:5166, 3 juni 2026: artikel 223 Rv en artikel 194 Rv apart getoetst, beide afgewezen, geen fishing expedition
- ECLI:NL:RBROT:2026:8782, 17 juli 2026: geen klemmende omstandigheden, de houdbaarheid van digitaal bewijs was niet concreet gemaakt
Lees ook
- De Nexperia-zaak: ex parte ingrijpen, enquête en cassatie, waarin een voorlopig getuigenverhoor ex artikel 196 Rv wordt uitgesteld tot na het onderzoeksverslag van de Ondernemingskamer
- Inzage in bescheiden: van artikel 843a naar artikel 194 Rv
- Kort geding
- Bewijsbeslag begrenst inzagerecht niet: Hoge Raad verduidelijkt art. 843a Rv
- Wie eist, bewijst? Waarom die vuistregel te grof is