Naar inhoud

Tegenbewijs tegen een akte in hoger beroep: eerst horen, dan wegen

4 september 2026Juriaan de Vries

Tegenbewijs tegen een akte in hoger beroep

De door de ouders en hun dochter ondertekende leningsovereenkomst leverde in deze zaak tussen partijen dwingend bewijs op, waartegen tegenbewijs openstond. Op 11 juli 2025 vernietigde de Hoge Raad een arrest waarin het hof dat tegenbewijs afsneed na weging van de overgelegde schriftelijke verklaringen. Deze analyse behandelt wat ontzenuwen betekent, wanneer een onderhandse akte die dwingende kracht mist, wat een aanbod moet bevatten, en op welke gronden het alsnog kan blijven liggen.

Erfgenaam stelt dat de lening een schenking was

De erfgenaam moet in beginsel worden toegelaten tot het horen van de getuigen die hij had aangeboden.

Op 11 oktober 2009 ondertekenden twee ouders en hun dochter een overeenkomst waarin staat dat de ouders haar 40.000 euro lenen om de aankoop van een woning mogelijk te maken. De rente bedraagt 4 procent op jaarbasis, jaarlijks per 1 december verschuldigd, en bij verkoop van de woning wordt de lening onmiddellijk afgelost. De dochter ging in juni 2019 een geregistreerd partnerschap aan en overleed in september 2021. Haar partner was bij testament tot enig erfgenaam benoemd en aanvaardde de nalatenschap. De ouders zegden de overeenkomst op en maakten aanspraak op de hoofdsom met verschenen contractuele rente.

De erfgenaam voerde aan dat de overeenkomst een schenking betrof, die slechts om fiscale redenen was vormgegeven als een lening. De rechtbank wees de vordering grotendeels toe en veroordeelde hem tot betaling van 48.000 euro in hoofdsom, vermeerderd met wettelijke rente, op een primair gevorderd bedrag van 50.463,33 euro. Het hof bekrachtigde dat vonnis.

Over het bewijs overwoog het hof drie dingen. De stelplicht en de bewijslast dat sprake is van een geldlening rusten op de ouders (rov. 5.5). De ondertekende overeenkomst is een onderhandse akte die tussen partijen dwingend bewijs oplevert, waartegen tegenbewijs kan worden geleverd. En voor het slagen van dat tegenbewijs is in het algemeen voldoende dat het door de akte geleverde bewijs wordt ontzenuwd. Tot zover volgde het hof de wet. Vervolgens beoordeelde het de stukken die de erfgenaam had overgelegd: een mailwisseling van augustus 2009, brieven van de hypotheekverstrekkende bank uit oktober 2019, en schriftelijke verklaringen van de ex-echtgenoot van de dochter en van haar hypotheekadviseur. Die waren volgens het hof ook in samenhang bezien onvoldoende om het dwingend bewijs te ontzenuwen.

Waarom dat niet kon, zit in wat het hof over twee van die verklaringen schreef. De ex-echtgenoot verklaarde dat hij de dochter jarenlang had geholpen met haar belastingaangifte en dat zij daarin elk jaar 1.600 euro aan aftrekbare rente opvoerde, precies 4 procent van 40.000 euro. Daaruit leidde het hof af dat zij zich als schuldenaar gedroeg. Van de hypotheekadviseur oordeelde het hof dat niets erop wees dat hij bij de totstandkoming van de overeenkomst betrokken was geweest. Dat zijn oordelen over de waarde van verklaringen van mensen die nog niet als getuige waren gehoord.

Hoge Raad: eerst horen en dan waarderen

De klachten daartegen slagen. Het hof diende de erfgenaam in beginsel toe te laten tot het leveren van tegenbewijs door het horen van de in zijn aanbod genoemde personen, die in het geding nog niet als getuige waren gehoord. Dat hij niet had toegelicht wat zij meer of anders zouden kunnen verklaren dan in hun schriftelijke verklaringen, doet daaraan niet af: zo'n toelichting kan bij een aanbod tot tegenbewijs niet worden verlangd, omdat dat aanbod niet gespecificeerd hoeft te worden (rov. 3.2).

Daarna volgt de kern in één volzin. Voor zover het hof aan het bewijsaanbod voorbijging op grond van zijn waardering van de inhoud van de schriftelijke verklaringen, loopt dat oordeel ten onrechte vooruit op het resultaat van de bewijslevering die nog moet plaatsvinden. Nieuw is dat niet. Die volzin staat al in het standaardarrest van 9 juli 2004 (rov. 3.6) en is in 2015 woordelijk herhaald (rov. 3.5); advocaat-generaal Keus duidde haar met de vaste formule aan: eerst horen en dan waarderen (nr. 2.8). Wat 2025 daaraan toevoegt, staat in de volgende overweging.

Daar verduidelijkt de Hoge Raad de regel op één punt. Dat de aangeboden getuigen niet bij het maken van de afspraken betrokken waren, is evenmin een toereikende grond om het aanbod te passeren, want verklaringen van horen zeggen kunnen aan het bewijs bijdragen, en zo ook verklaringen over indrukken die bij een getuige zijn ontstaan naar aanleiding van de gebeurtenissen waarover hij verklaart. Dat een verklaring niet op eigen waarneming van het te bewijzen feit berust, weegt de rechter mee bij de waardering, dus na het verhoor (rov. 3.2). De regel reikt daarmee tot de getuige die het verhaal alleen van een ander heeft.

Ontzenuwen is genoeg, en dat werkt twee kanten op

Dwingend bewijs betekent volgens artikel 151 lid 1 Rv dat de rechter verplicht is de inhoud van het bewijsmiddel als waar aan te nemen. Dat is het object van de ontzenuwing. Artikel 157 lid 2 Rv verbindt die kracht in beginsel aan de verklaring van een partij, tussen partijen, over hetgeen de akte ten behoeve van de wederpartij moet bewijzen. Onder partij valt ook de rechtverkrijgende onder algemene of bijzondere titel, en daarom bond de akte de erfgenaam uit de openingszaak zonder dat hij haar had ondertekend. Op grond van artikel 151 lid 2 Rv staat daartegen tegenbewijs open, dat volgens artikel 152 lid 1 Rv door alle middelen mag worden geleverd. Die drieslag heeft de Hoge Raad in 2007 (rov. 3.4) en in 2016 (rov. 3.4.1) in vrijwel dezelfde woorden vooropgesteld.

Daar hoort artikel 168 Rv bij, dat het verhoor van getuigen tot het leveren van tegenbewijs van rechtswege vrij verklaart. Daarin zit de reden dat aan zo'n aanbod geen specificatie mag worden gesteld: het recht bestaat al.

De maat is de ontzenuwing. Het tegenbewijs mag geslaagd worden geacht als het door de akte geleverde bewijs erdoor is ontzenuwd, en wie volledige weerlegging verlangt stelt te hoge eisen. Ontzenuwen is geen mechanische toets. De rechter waardeert vrij of de aangevoerde gegevens het door de akte geleverde bewijs voldoende hebben verzwakt, en volledige weerlegging is daarvoor niet vereist (HR 16 maart 2007, rov. 3.5). Bij die waardering mag hij aan ieder gebleken feitelijk gegeven de bewijskracht hechten die hem goeddunkt. Twee broers die streden over een voorkeursrecht in een transportakte laten zien waar de bovengrens ligt: het hof had zelf al vastgesteld dat er duidelijke aanwijzingen waren dat de akte de overeenkomst onjuist weergaf, en verlangde daarna toch dat de broer die de akte bestreed ook nog bewees dat er in een latere periode geen nadere overeenkomst was gesloten. Dat waren te hoge eisen.

Hetzelfde arrest geeft de andere richting, en die wordt vaak overgeslagen. Heeft de rechter vastgesteld dat de gebleken omstandigheden aanwijzingen voor het standpunt van de ondertekenaar bevatten, dan moet hij ook vaststellen wat de wederpartij daartegen heeft gedaan: die aanwijzingen voldoende weerspreken, of ontkrachten met concrete feiten die op het tegendeel wijzen. Doet hij dat niet en merkt hij het tegenbewijs toch als niet geleverd aan, dan is dat oordeel onbegrijpelijk (rov. 3.6). En bij die vraag zijn alle omstandigheden van belang, ook die buiten het tijdvak vallen dat de rechter voor het te bewijzen feit heeft afgebakend.

Wat het tegenbewijs mag bestrijden

Waar het tegenbewijs zich op mag richten, is ruimer dan de akte-partij doorgaans aanvoert. Het is niet beperkt tot de stelling dat bij de notaris anders is verklaard dan er staat, maar strekt zich uit tot de stelling dat de opgenomen verklaring niet met de werkelijkheid overeenstemt (HR 13 mei 2016, rov. 3.4.1). Een partij mag dus erkennen dát zij heeft verklaard wat de akte vermeldt en tegelijk betwisten dat wát daar staat waar is. Een koper van aandelen in een apotheekholding moest daarom worden toegelaten tot het bewijs dat de in de notariële akte gekwiteerde koopprijs nooit verschuldigd was. Zijn klacht was gegrond (rov. 3.4.3); het beroep werd toch verworpen, omdat het arrest zelfstandig werd gedragen door een geslaagd beroep op verjaring (rov. 3.5). Dat laatste is een les op zichzelf: een gegronde bewijsklacht helpt niet als een andere, niet aangetaste grond de beslissing draagt.

Wat een geslaagde ontzenuwing wel en niet oplevert, wordt aan beide kanten verkeerd ingeschat. Advocaat-generaal Valk zette het in de openingszaak scherp: het zijn de ouders die zich op de rechtsgevolgen van de door hen gestelde geldlening beroepen, en dat daarvan een akte is opgemaakt die met hun stellingen overeenkomt, doet de bewijslast en het bewijsrisico niet op de erfgenaam overgaan. Artikel 157 lid 2 Rv heeft dus geen bewijslastomkering tot gevolg (nr. 4.5). Slaagt de ontzenuwing, dan staat de eiser terug bij de hoofdregel van artikel 150 Rv en moet hij de lening op andere wijze bewijzen. In deze procedure hoefde de erfgenaam dus niet tevens te bewijzen dat sprake was van een schenking; voldoende is dat hij het door de akte geleverde bewijs van de lening ontzenuwt.

Zonder goedschrift heeft de schuldbekentenis vrije bewijskracht

Eén zijpad is de moeite waard, want het kan de vraag naar tegenbewijs helemaal wegnemen. Legt een onderhandse akte alleen verbintenissen van één partij vast die tot betaling van een geldsom strekken, dan brengt artikel 158 lid 1 Rv mee dat artikel 157 lid 2 Rv daarop niet van toepassing is, tenzij de schuldenaar haar geheel met de hand heeft geschreven of heeft voorzien van een goedkeuring die de geldsom voluit in letters vermeldt. De bescherming kan ook in een zakelijk getinte verhouding gelden wanneer natuurlijke personen zich in privé verbinden. Zij geldt niet wanneer de schuldenaar de verbintenis aangaat in de uitoefening van zijn beroep of bedrijf. Ontbreekt het goedschrift, dan heeft de akte vrije bewijskracht, en wel voor zover de verbintenissen tot voldoening van een geldsom strekken: in het bitcoin-arrest van 25 november 2022 besliste de Hoge Raad dat de uitzondering in een geval als dat alleen het gedeelte van de verklaring treft waarin de geldschuld is aangegaan, zodat de rest van de akte haar dwingende kracht houdt (rov. 3.1.3).

Daarmee is de verweerder nog niet klaar, en wie daarvoor getuigen wil laten horen, moet dat wel blijven aanbieden. De rechter kan de vordering op zo'n stuk voorshands aannemelijk achten, en advocaat-generaal Wesseling-van Gent merkte in die zaak over de schuldbekentenis ten overvloede op dat het tegenbewijs tegen zo'n voorshands oordeel hetzelfde tegenbewijs is als dat tegen dwingend bewijs (nr. 2.20). De Hoge Raad oordeelde daar eerst dat de akte die dwingende kracht nooit had gehad (rov. 3.3), en daarna dat het hof de schuldenaren ten onrechte niet had toegelaten om getuigen voor te brengen (rov. 3.4 en 3.5). Hoe ver de bewijskracht van een akte reikt, tegen wie zij werkt en wanneer een schuldbekentenis haar mist, staat in de analyse over dwingende bewijskracht van een akte; het bredere kader van bewijslast en bewijsvoering in inzage in bescheiden.

Wat het aanbod moet bevatten

De maatstaf staat sinds 9 juli 2004 vast. Een partij moet in hoger beroep tot getuigenbewijs worden toegelaten als zij voldoende specifiek bewijs aanbiedt van feiten die tot beslissing van de zaak kunnen leiden, op grond van artikel 166 lid 1 Rv in verbinding met artikel 353 lid 1 Rv. Wat voldoende specifiek is, hangt af van de omstandigheden, waarbij de rechter let op de wijze waarop het processuele debat zich heeft ontwikkeld en op het stadium van de procedure (HR 9 juli 2004, rov. 3.6). Artikel 166 is per 1 januari 2025 herschreven, maar die norm staat nog in het eerste lid: een verhoor vindt plaats als bewijs door getuigen is toegelaten en een partij bewijs heeft aangeboden van betwiste feiten die tot de beslissing van de zaak kunnen leiden.

Concreet mag van wie getuigenbewijs aanbiedt in beginsel worden verwacht dat hij aangeeft op welke van zijn stellingen het aanbod betrekking heeft en, voor zover mogelijk, wie daarover kan verklaren. Wat die getuigen zullen zeggen, hoeft hij in het algemeen niet aan te geven. Zijn er al getuigen gehoord of verklaringen overgelegd, dan kan de eis meebrengen dat hij nader aangeeft in hoeverre die getuigen meer of anders kunnen verklaren dan zij al hebben gedaan.

Die laatste eis is in twee stappen teruggedrongen, en de voorbeelden maken duidelijk hoe ver. Iemand die betwistte dat hij een lening was aangegaan of een garantie had verstrekt, bood vier personen aan die dat konden bevestigen. Het hof verlangde een toelichting in welk opzicht hun verklaringen afbreuk konden doen aan verklaringen die eerder door andere getuigen waren afgelegd. Die eis kan niet worden gesteld wanneer bewijs wordt aangeboden door het horen van getuigen die nog niet eerder zijn gehoord en de te bewijzen feiten ter zake dienend zijn (HR 9 oktober 2015, rov. 3.6). In hetzelfde arrest van 2015 sneuvelde ook het argument dat die getuigen niet rechtstreeks bij de onderhandelingen betrokken waren geweest, en advocaat-generaal Keus gaf daarvoor een prozaïsche reden: zij hadden het gesprek zelf gehoord en verklaren dan over uit eigen waarneming bekende feiten in de zin van artikel 163 Rv (nr. 2.7).

Twee dingen bleven daarmee open, en de erfgenaam uit de openingszaak liep tegen beide aan. Van zijn getuigen lág een schriftelijke verklaring in het dossier, en bij het gesprek waren zij niet aanwezig. Op beide punten gaat het arrest van 2025 verder: bij tegenbewijs valt er niets nader toe te lichten omdat het aanbod in het geheel niet gespecificeerd hoeft te worden, ook niet wanneer van dezelfde personen al verklaringen zijn overgelegd, en eigen waarneming is geen toegangseis voor het verhoor.

Waar een bewijsaanbod alsnog op kan stranden

Uit de besproken rechtspraak volgen in elk geval drie situaties waarin een aanbod alsnog kan stranden. Geen van de drie stelt eisen aan de formulering van het aanbod.

De eerste is de relevantie. Een aanbod mag worden gepasseerd als het niet ter zake dienend is, dus wanneer de aangeboden feiten, ook als zij vaststaan, niet van invloed zijn op de te nemen beslissing. Dat vergt een vaststelling over de betekenis van die feiten voor de uitkomst, en niet over de overtuigingskracht van het bewijs dat ervoor is aangeboden. Die scheidslijn is dun. Advocaat-generaal Verkade schreef in 2004 dat zij niet altijd eenvoudig te trekken is (nr. 4.2), en advocaat-generaal Keus haalde die passage in 2015 aan in een conclusie die de Hoge Raad in haar geheel volgde (nr. 2.8). Hoe dun precies, laat de openingszaak zien. Het hof oordeelde daar dat het aanbod niet dienend was, en volgens advocaat-generaal Valk lijkt de werkelijke reden te zijn dat het hof de schriftelijke verklaringen nog niet overtuigend vond en aannam dat de getuigenverklaringen dat ook niet zouden zijn (nr. 3.16). Een relevantieoordeel dat in feite op overtuigingskracht rust, is zelf een verboden prognose.

De tweede grond is de betwisting, en zij ligt buiten het aanbod, zodat specificatievrijheid daar niet helpt. Of aan de stelplicht is voldaan, is volgens Keus een geheel andere vraag dan of voldoende gespecificeerd en ter zake dienend bewijs is aangeboden (nr. 2.9). Artikel 149 lid 1 Rv verplicht de rechter feiten die niet of niet voldoende zijn betwist als vaststaand te beschouwen, en sinds de herschrijving van artikel 166 staat de betwisting ook uitdrukkelijk in de wettelijke voorwaarde voor een verhoor. Staat het feit vast, dan is er niets meer te ontzenuwen en heeft het beste aanbod geen voorwerp. Het aanbod is vrij van specificatie, de betwisting is dat niet.

Advocaat-generaal Valk noemt daarnaast als mogelijk grensgeval de enige situatie die naar de aangeboden getuigen zelf kijkt. Het zou volgens hem mogelijk anders zijn als uit de overgelegde verklaringen zou blijken dat de getuigen geen wetenschap kunnen hebben van voor de beslissing relevante feiten (nr. 3.14). Dat is iets anders dan een oordeel dat hun verklaringen niet overtuigen: het gaat om de vraag of zij over het te bewijzen feit überhaupt iets kunnen zeggen. In de openingszaak deed dat geval zich niet voor, en dat bleek uit wat het hof zelf over die verklaringen schreef.

Wat betekent dit voor wie bewijs aanbiedt in hoger beroep?

Benoem bij een gewoon bewijsaanbod in elk geval de betwiste feiten waarop het aanbod ziet en, voor zover mogelijk, de getuigen die daarover kunnen verklaren. Een exacte voorspelling van hun verklaring is in het algemeen niet vereist. Een aanbod tot tegenbewijs behoeft niet te worden gespecificeerd, maar ook daar is een duidelijke koppeling aan het geschil praktisch verstandig.

Verwijs bij een schriftelijke verklaring naar de persoon achter het papier. Een overgelegde verklaring is bewijsmateriaal dat de rechter mag waarderen, en aan een verklaring onder ede kan hij een andere bewijskracht toekennen. Zolang de opsteller nog niet is gehoord, blijft het aanbod om hem te horen zelfstandig staan, en juist die combinatie is waar het in de openingszaak misging: het hof woog de verklaringen en liet de opstellers ongehoord.

Geef een aanbod uit de eerste aanleg niet ondubbelzinnig prijs. In de zaak over de schuldbekentenis stond het aanbod in paragraaf 84 van een conclusie van antwoord, en de partij die het had gedaan was in hoger beroep geïntimeerde. Op grond van de positieve zijde van de devolutieve werking moest het hof dat aanbod behandelen zodra de beoordeling van de grieven daartoe aanleiding gaf (nr. 2.26). Een clausule waarin alle stellingen en weren uit de eerste aanleg werden gehandhaafd, onderstreepte dat het aanbod niet ondubbelzinnig was prijsgegeven. Herhalen blijft verstandig, en die clausule is de goedkope verzekering.

Bestrijd ook de bewijsrechtelijke premisse van de eerste rechter. In de zaak over de apotheekholding bevatte de notariële akte naast de verklaring over de koopprijs de gebruikelijke slotpassage dat de comparanten van de inhoud hebben kennisgenomen en daarmee instemmen. De rechtbank had daaraan zelfstandig bewijskracht toegekend, en tegen dat oordeel was in hoger beroep geen grief gericht, zodat het hof ervan moest uitgaan. Zijn klacht daarover werd gegrond bevonden, dus daarop strandde hij niet; dat deed de verjaring, zoals hiervoor bleek. Wel maakte het de weg naar het tegenbewijs onnodig lang. Wie de premisse laat staan, erft haar in appel.

Richt de grief tegen het passeren en tegen het oordeel eronder. Waar het aangeboden bewijs alleen zin heeft als onderbouwing van een betwisting die niet is prijsgegeven, bestrijdt de grief tegen het passeren ook het oordeel over die betwisting. Zo besliste de Hoge Raad in 2019 over een huurder die het horen van de makelaar had aangeboden om te bewijzen dat de verhuurder wilde verkopen (rov. 3.4.2), en dat was een gewoon bewijsaanbod. Toch is één expliciete terugverwijzing naar de eerdere betwisting goedkoper dan de cassatieprocedure die daar volgde.

De orde die de Hoge Raad hier oplegt, kost de rechter niets en is voor wie bewijs aanbiedt alles waard. Wie tijdig voldoende specifiek getuigenbewijs aanbiedt van relevante, betwiste feiten, moet in beginsel tot het verhoor worden toegelaten. Bij een aanbod tot tegenbewijs geldt daarbij geen specificatie-eis. De waardering volgt pas na het verhoor.

Veelgestelde vragen

Moet in het bewijsaanbod staan wat de getuige gaat verklaren?

Bij een gewoon bewijsaanbod moet duidelijk zijn op welke betwiste feiten het ziet en, voor zover mogelijk, welke personen daarover kunnen verklaren; wat zij precies zullen verklaren hoeft in het algemeen niet te worden vermeld. Een aanbod tot tegenbewijs hoeft daarentegen niet te worden gespecificeerd. Voor de processuele duidelijkheid is het niettemin verstandig ook daarbij de te bestrijden stelling en de beschikbare getuigen te noemen.

Wat als de getuige in eerste aanleg al is gehoord?

Dan staat de aanbieder zwakker. Het arrest van juli 2025 ziet op personen die in de procedure nog niet als getuige zijn gehoord. Bij een getuige die al onder ede is gehoord, kan de rechter verlangen dat wordt aangegeven in hoeverre die meer of anders kan verklaren dan hij toen deed. Die noodzaak mag niet snel worden aangenomen.

Wat als de schuldbekentenis geen goedschrift heeft?

Dan mist artikel 157 lid 2 Rv toepassing en heeft de akte vrije bewijskracht, wat de positie van de schuldenaar verbetert. Het bewijsaanbod blijft nodig: de rechter kan de vordering voorshands aannemelijk achten, en daartegen staat hetzelfde tegenbewijs open. Wie de schuld in de uitoefening van beroep of bedrijf aangaat, mist de goedschriftbescherming.

Aangehaalde rechtspraak

Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2025:1141 (11 juli 2025, een aanbod tot tegenbewijs behoeft geen specificatie, ook niet als van dezelfde personen schriftelijke verklaringen zijn overgelegd, en het passeren daarvan op grond van de waardering van die verklaringen loopt vooruit op de bewijslevering; verklaringen van horen zeggen en over indrukken kunnen bijdragen); ECLI:NL:HR:2004:AO7817 (9 juli 2004, maatstaf voor het bewijsaanbod in hoger beroep: voldoende specifiek bewijs van feiten die tot beslissing van de zaak kunnen leiden, zonder dat hoeft te worden aangegeven wat de getuigen zullen verklaren); ECLI:NL:HR:2015:3009 (9 oktober 2015, bij nog niet gehoorde getuigen mag geen toelichting worden verlangd op het punt waarop hun verklaringen afbreuk doen aan eerdere verklaringen, en dat zij niet rechtstreeks bij de onderhandelingen betrokken waren kan het passeren niet zonder meer dragen); ECLI:NL:HR:2007:AZ0613 (16 maart 2007, tegenbewijs tegen een akte mag geslaagd worden geacht als het akte-bewijs is ontzenuwd, volledige weerlegging verlangen stelt te hoge eisen, en de rechter moet vaststellen dat de wederpartij de aanwijzingen heeft weersproken of ontkracht); ECLI:NL:HR:2016:848 (13 mei 2016, tegenbewijs kan ook betreffen dat de in de akte opgenomen verklaring niet met de werkelijkheid overeenstemt; het beroep werd verworpen op een zelfstandig dragende verjaringsgrond); ECLI:NL:HR:2017:566 (31 maart 2017, zonder goedschrift in de zin van art. 158 lid 1 Rv is art. 157 lid 2 Rv niet van toepassing en heeft de akte vrije bewijskracht, en een bewijsaanbod uit de eerste aanleg dat niet ondubbelzinnig is prijsgegeven mag niet worden genegeerd); ECLI:NL:HR:2022:1725 (25 november 2022, de uitzondering van art. 158 lid 1 Rv treft alleen het gedeelte van de verklaring waarin de geldschuld is aangegaan); ECLI:NL:HR:2019:505 (5 april 2019, over een gewoon bewijsaanbod: een grief tegen het passeren daarvan bestrijdt ook de verwerping van de stelling ter onderbouwing waarvan het bewijs is aangeboden; grieven hoeven niet als zodanig te zijn aangeduid maar moeten kenbaar zijn).

Conclusies: ECLI:NL:PHR:2015:942 (A-G Keus, gevolgd: het prognoseverbod, eerst horen en dan waarderen, is vaste rechtspraak, en een getuige hoeft niet bij de onderhandelingen betrokken te zijn geweest om over uit eigen waarneming bekende feiten te verklaren); ECLI:NL:PHR:2025:206 (A-G Valk, 14 februari 2025, een oordeel dat een aanbod niet ter zake dienend is kan in werkelijkheid een verboden bewijsprognose zijn wanneer het rust op de overtuigingskracht van de overgelegde verklaringen); ECLI:NL:PHR:2017:48 (A-G Wesseling-van Gent, 3 februari 2017, gevolgd: de goedschrifteis beschermt tegen het ondoordacht tekenen van schuldbekentenissen en blanco stukken; op grond van de positieve zijde van de devolutieve werking moet de appelrechter een bewijsaanbod van de geïntimeerde uit de eerste aanleg behandelen zodra de beoordeling van de grieven daartoe aanleiding geeft; ten overvloede: tegenbewijs tegen een voorshands oordeel is hetzelfde tegenbewijs als dat tegen dwingend bewijs); ECLI:NL:PHR:2019:63 (A-G Langemeijer, 18 januari 2019, gevolgd: het aangeboden bewijs zou zinloos zijn zonder verband met de niet prijsgegeven betwisting, en de uitleg van de grieven is voorbehouden aan de feitenrechter en in cassatie alleen op begrijpelijkheid toetsbaar, rov. 3.3.2).

Lees ook