De getuigplicht en haar uitzonderingen
Iedereen die wordt opgeroepen, moet getuigen — maar echtgenoten en bloedverwanten tot in de tweede graad mogen zich verschonen op grond van artikel 165 lid 2 Rv. Dat familieverschoningsrecht vervalt in twee gevallen: als de getuige zelf partij is, en wanneer de verwante partij uitsluitend als vertegenwoordiger van een ander of van een rechtspersoon procedeert. Wie een familielid als getuige wil horen, moet die twee uitzonderingen vooraf toetsen.
Dochter weigert te getuigen over haar vader-bestuurder
Een dochter wordt in een voorlopig getuigenverhoor opgeroepen om te verklaren over haar vader, die aansprakelijk wordt gehouden. Zij beroept zich op het familieverschoningsrecht en zwijgt. Het Gerechtshof 's-Hertogenbosch honoreert dat beroep in september 2023 — ook al draait de beoogde vordering deels om bestuurdersaansprakelijkheid (ECLI:NL:GHSHE:2023:2846).
De vader was in de procedure op twee manieren betrokken: in privé, wegens beweerdelijk onrechtmatig handelen op grond van artikel 6:162 BW, én in zijn hoedanigheid van statutair bestuurder van de vennootschap die eveneens partij was. De verzoekster betoogde dat het familieverschoningsrecht daarom niet gold: de vordering zag immers op zijn handelen als bestuurder, en dan "treedt de partij in hoedanigheid op". Het hof verwierp dat.
Het verschoningsrecht vervalt als de getuige zelf partij is
Het familieverschoningsrecht geldt niet wanneer de verwante partij "in hoedanigheid optreedt". Dat begrip ziet op de partij die niet pro se procedeert — dus niet opkomt voor haar eigen rechten en belangen — maar als vertegenwoordiger van een ander of van een rechtspersoon, zoals een statutair bestuurder (het hof verwijst naar Asser Procesrecht/Asser 3 2023/133). In de Bossche zaak strandde dat argument omdat de vader ook pro se was aangesproken: het ging om één feitencomplex, en dan kan de dochter niet in het ene verband wél en in het andere niet verklaren. Het verschoningsrecht bleef in stand, ook voor vragen over zijn optreden als bestuurder.
De scherpste grens ligt echter elders: een partijgetuige komt geen familieverschoningsrecht toe. Die regel gaat terug op de Hoge Raad van 19 februari 1993 (ECLI:NL:HR:1993:ZC0877) en werd toegepast door de rechtbank Midden-Nederland, die het beroep van een moeder op het familieverschoningsrecht afwees juist omdat zij zelf verweerster — en dus partijgetuige — was (ECLI:NL:RBMNE:2021:5569). Wie zelf procespartij is, kan zich dus niet achter de familieband verschuilen wanneer de wederpartij hem als getuige oproept. Dat sluit aan bij de mogelijkheid om partijen zelf als getuige te horen op grond van artikel 164 Rv.
Wat overeind blijft, ook voor een partijgetuige, is het beperkte verschoningsrecht van artikel 165 lid 3 Rv: een getuige mag een afzonderlijke vraag onbeantwoord laten wanneer hij daarmee zichzelf, zijn bloed- of aanverwanten in de rechte lijn of in de zijlijn in de tweede of derde graad, of zijn (voormalige) echtgenoot, geregistreerde partner of levensgezel zou blootstellen aan het gevaar van een strafrechtelijke veroordeling ter zake van een misdrijf. Dat is geen algemeen zwijgrecht — het wordt per vraag getoetst, zoals het Gerechtshof 's-Hertogenbosch in 2025 bevestigde toen het een beroep op dit recht voor drie specifieke vragen honoreerde (ECLI:NL:GHSHE:2025:1432).
Wat betekent dit voor wie een familielid als getuige wil horen?
Wie in de commercial litigation een familielid als getuige wil oproepen, toetst vooraf twee dingen. Is het familielid zelf partij in de procedure? Dan is het een partijgetuige en kan het zich niet op het familieverschoningsrecht beroepen; de verklaring kan volledig worden afgedwongen. Is het familielid geen partij, maar staat de verwante partij uitsluitend als vertegenwoordiger van een ander of van een rechtspersoon in de procedure — bijvoorbeeld als bestuurder, zonder pro se partij te zijn — dan valt de bescherming eveneens weg. Het verschoningsrecht houdt alleen volledig stand als geen van beide uitzonderingen speelt: het familielid is zelf geen partij, en de verwante partij procedeert voor eigen rekening in plaats van als vertegenwoordiger van bijvoorbeeld een rechtspersoon op te treden.
Reken daarnaast op de praktische hobbels. Ook wie een verschoningsrecht claimt, moet in beginsel op de zitting verschijnen om de weigeringsgrond toetsbaar te maken; de rechter beslist daar. De Hoge Raad bevestigde op 3 oktober 2025 dat de beslissing waarbij een beroep op het verschoningsrecht wordt gehonoreerd, geldt als einduitspraak waartegen zonder verlof een rechtsmiddel openstaat, terwijl een beslissing dat de getuige eerst moet verschijnen een tussenuitspraak is (ECLI:NL:HR:2025:1462). En houd rekening met losse weigeringen op grond van lid 3 bij vragen die strafrechtelijk gevoelig liggen.
Veelgestelde vragen
Mag een familielid weigeren tegen je te getuigen?
In beginsel wel. Echtgenoten, geregistreerde partners (ook voormalige) en bloed- of aanverwanten tot in de tweede graad kunnen zich op grond van artikel 165 lid 2 sub a Rv van de getuigplicht verschonen. Dat recht geldt echter niet als het familielid zelf partij is, en evenmin wanneer de verwante partij uitsluitend als vertegenwoordiger van een ander of van een rechtspersoon optreedt.
Kan iemand die zelf partij is zich op het familieverschoningsrecht beroepen?
Nee. Een partijgetuige komt geen familieverschoningsrecht toe (Hoge Raad 19 februari 1993). Wie als verweerder of eiser in de procedure staat en door de wederpartij als getuige wordt opgeroepen, moet verklaren — ook over een familielid dat aan de andere kant staat. Wel blijft het verschoningsrecht wegens zelfincriminatie van lid 3 per vraag bestaan.
Wat betekent "in hoedanigheid optreedt" in artikel 165 Rv?
Een partij treedt in hoedanigheid op als zij niet voor haar eigen rechten en belangen procedeert, maar als vertegenwoordiger van een ander of van een rechtspersoon — bijvoorbeeld een statutair bestuurder namens zijn vennootschap. Dan vervalt het familieverschoningsrecht van haar verwanten. Procedeert dezelfde persoon óók pro se, dan blijft de bescherming voor het samenhangende feitencomplex in stand.
Aangehaalde rechtspraak
Hoge Raad: ECLI:NL:HR:1993:ZC0877 · ECLI:NL:HR:2025:1462
Gerechtshoven: ECLI:NL:GHSHE:2023:2846 · ECLI:NL:GHSHE:2025:1432
Rechtbanken: ECLI:NL:RBMNE:2021:5569 · ECLI:NL:RBAMS:2015:4173