Naar inhoud

Opzegging bankrelatie ING: geen kort geding mogelijk als de onderneming elders bankiert

25 mei 2026Juriaan de Vries

Spoedeisend belang bij opzegging bankrelatie kort geding

Gerechtshof Amsterdam bevestigt: een vordering tot herstel van een opgezegde bankrelatie sneuvelt in kort geding als de eisende partij elders bankiert. Het IVR — het intern verwijzingsregister van ING — is niet raadpleegbaar voor andere banken, zodat ook daartegen geen spoedeisend belang bestaat. De uitspraak laat zien hoe bepalend de feitelijke situatie ten tijde van het kort geding is.

ING beëindigt bankrelaties na klantonderzoek — maar de weg naar de rechter loopt dood

Een uitzendonderneming en haar bestuurder verliezen hun bancaire relatie met ING Bank N.V. na een klantonderzoek dat ruim tien maanden loopt. Alle vorderingen tot herstel en verwijdering van de IVR-registratie worden zowel in eerste aanleg als in hoger beroep afgewezen — niet omdat de opzegging rechtmatig was, maar omdat het benodigde spoedeisend belang ontbreekt.

De uitzendonderneming was actief in de technische sector en leende personeel in via een derde onderneming, dat zij vervolgens uitleende aan opdrachtgevers. ING stelde vragen over de reden van inlening, het ontbreken van bewijs van girale betalingen aan de medewerkers, facturen die ten grondslag lagen aan de transacties, het gebruik van de G-rekening en de winstmarge die niet correspondeerde met de omvang van overboekingen naar crypto-exchanges. De antwoorden van de advocaat van appellanten stemden ING niet tevreden.

Op 5 augustus 2024 beëindigde ING op grond van art. 35 Algemene Bankvoorwaarden de bankrelaties met alle vijf appellanten — de uitzendonderneming, haar bestuurder en drie gelieerde vennootschappen — en registreerde hen in het intern verwijzingsregister (IVR) voor de duur van zeven jaar. In kort geding vorderden appellanten herstel van de bankrelaties en verwijdering uit het IVR. De voorzieningenrechter wees de vorderingen af; het Gerechtshof Amsterdam bevestigde dat oordeel op 19 mei 2026.

Geen spoedeisend belang: appellanten bankieren elders en het IVR is intern

Het hof oordeelt op twee afzonderlijke gronden dat spoedeisend belang ontbreekt, en beide gronden dragen de beslissing zelfstandig.

Ten aanzien van de vorderingen tot herstel van de bankrelatie stelt het hof vast dat de bestuurder en de uitzendonderneming elders bankieren, dat het betalingsverkeer op de rekeningen van twee van de gelieerde vennootschappen nagenoeg is opgedroogd, en dat één vennootschap haar rekening bij ING zelf al had opgezegd. Appellanten bestreden dit niet. Nu zij voor hun betalingsverkeer en overige bankzaken niet zijn aangewezen op ING, bestaat geen spoedeisend belang bij herstel van die relatie. Kort geding strekt tot een voorlopige maatregel ter voorkoming van een onherstelbare situatie; als die situatie zich niet (meer) voordoet, valt de grondslag weg.

Ten aanzien van de IVR-registratie overweegt het hof dat het IVR een intern register is dat uitsluitend door (bepaalde medewerkers van) ING en haar dochterondernemingen te raadplegen is. Appellanten hadden aangevoerd dat informatie op grond van de Wet gegevensverwerking door samenwerkingsverbanden (Wgs) alsnog bij andere banken of toezichthouders terecht zou kunnen komen. Het hof passeert dat argument: appellanten hebben geen concrete feiten gesteld waaruit volgt dat dit in hun geval dreigt te geschieden. Bovendien — zelfs áls informatie wordt gedeeld met toezichthouders of andere banken — betekent dat niet dat appellanten worden belemmerd in hun bankzaken. Vragen die Rabobank aan de bestuurder stelde naar aanleiding van publicatie van het vonnis van de voorzieningenrechter, waren door hem beantwoord. Dat het gepubliceerde vonnis handelsrelaties zou afschrikken, levert evenmin een spoedeisend belang op dat rechtvaardigt dat op de uitkomst van een bodemprocedure wordt vooruitgelopen.

De proceskosten in hoger beroep worden vastgesteld op € 3.407, bestaande uit € 827 griffierecht en € 2.580 salaris advocaat (tarief II, 2 punten).

Wat betekent dit voor ondernemingen die worden geconfronteerd met opzegging van een bankrelatie?

Deze uitspraak illustreert een fundamentele beperking van het kort geding als remedie bij opzegging van een bankrelatie: het instrument werkt alleen als de situatie daadwerkelijk spoedeisend is. Wie elders bankiert — ook al is dat noodgedwongen en niet wenselijk — verliest in kort geding de grondslag voor herstelvordering. De inhoudelijke vraag of de opzegging op grond van art. 35 Algemene Bankvoorwaarden rechtmatig was, of de registratie in het IVR voldoet aan de vereisten van de Algemene verordening gegevensbescherming (AVG) en het Besluit CDD (customer due diligence), en of de bank haar zorgplicht heeft geschonden, kan in een bodemprocedure aan de orde worden gesteld — maar daarvoor is tijd nodig.

Voor een onderneming die met opzegging wordt geconfronteerd, zijn de prioriteiten helder: zo snel mogelijk alternatieve bancaire faciliteiten openen én tegelijkertijd bezwaar maken tegen de registratie op grond van art. 17 AVG (recht op verwijdering) en art. 21 AVG (recht van bezwaar). Zie voor de bredere context ook het kader rond opzegging van krediet door de bank. Pas als de feitelijke situatie is gestabiliseerd, ligt een bodemprocedure in commercial litigation in de rede.

Veelgestelde vragen

Op welke grond mag een bank de bankrelatie opzeggen?

ING heeft de relatie opgezegd op grond van art. 35 Algemene Bankvoorwaarden, dat de bank een opzeggingsrecht geeft. De opzegging moet wel voldoen aan de eisen van proportionaliteit en zorgvuldigheid die voortvloeien uit de Wet op het financieel toezicht en de zorgplicht van de bank. Of de opzegging rechtmatig was, was in dit kort geding niet aan de orde.

Wat is het IVR en kunnen andere banken dat register inzien?

Het IVR (intern verwijzingsregister) is een intern register van ING, alleen raadpleegbaar door medewerkers van ING en haar dochterondernemingen. Andere banken kunnen het IVR niet rechtstreeks inzien. Uitwisseling met derde partijen is op grond van de Wet gegevensverwerking door samenwerkingsverbanden (Wgs) in beginsel mogelijk, maar vereist een wettelijke grondslag en was in dit geval niet aannemelijk gemaakt.

Wanneer heeft een ondernemer wél spoedeisend belang bij herstel van de bankrelatie?

Spoedeisend belang bestaat als de ondernemer voor zijn betalingsverkeer daadwerkelijk afhankelijk is van de opgezegde rekening en elders geen adequate bancaire faciliteiten heeft. Wie tijdig alternatieve bankrekeningen opent, verliest daarmee de grondslag voor een kort geding — ook als de opzegging inhoudelijk onjuist was.

Uitspraak: ECLI:NL:GHAMS:2026:1365, Gerechtshof Amsterdam, 19 mei 2026.

Aangehaalde rechtspraak

Gerechtshoven: ECLI:NL:GHAMS:2026:1365

Lees ook