Royaltyvergoeding en digitale muziekexploitatie
Artiest eist 50% royalty voor streaming bij Armada Music
De rechtbank Amsterdam heeft de vorderingen van een elektronische-muziekproducer grotendeels afgewezen in een geschil over royaltyvergoedingen voor digitale exploitatie. De artiest sloot tussen 2001 en 2009 zeven exploitatieovereenkomsten met rechtsvoorgangers van Armada Music. Die overeenkomsten waren volledig toegesneden op de verkoop van fysieke geluidsdragers — cd’s, vinyl — met een royalty van 14% over de groothandelsprijs (P.P.D.).
Digitale exploitatie stond destijds nog in de kinderschoenen. Toen Armada in 2018 de exploitatierechten overnam, ging zij de muziek ook via Spotify, Apple Music en YouTube exploiteren. De artiest ontving daarvoor aanvankelijk 14%, later verhoogd naar 22% over de netto-inkomsten. De artiest vond dat te weinig: streaming is volgens hem licentieverlening aan derden, waarvoor de overeenkomsten een royalty van 50% voorschrijven.
Subsidiair betoogde de artiest dat het gehanteerde percentage onredelijk bezwarend is in de zin van artikel 25f lid 2 Auteurswet, dan wel naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar op grond van artikel 6:248 lid 2 BW. Tot slot beriep hij zich op het per 1 januari 2026 ook op oude overeenkomsten toepasselijke artikel 25c lid 1 Auteurswet (billijke vergoeding).
Streaming is geen derdenlicentie onder oude platencontracten
De rechtbank paste de Haviltex-maatstaf toe en oordeelde dat de bepalingen over derdenlicenties niet zien op digitale distributie via online platforms. Armada had onweersproken toegelicht dat die bepalingen bedoeld waren voor situaties waarin de platenmaatschappij de exploitatie volledig uit handen geeft — bijvoorbeeld aan een buitenlands label voor een bepaald territorium. Bij streaming blijft de platenmaatschappij zelf verantwoordelijk voor productie, marketing en creatieve exploitatie.
Doorslaggevend was het gedrag van partijen na contractsluiting. De artiest had sinds 2008 royalty statements ontvangen waarop digitale inkomsten uitgesplitst stonden naar platform — iTunes, Beatport, Napster — tegen het lagere percentage. Vijftien jaar lang maakte hij geen bezwaar. De rechtbank oordeelde dat Armada daarom mocht vertrouwen dat de artiest akkoord was met de gehanteerde royaltypercentages.
Ook de subsidiaire vorderingen strandden. De omstandigheid dat digitale exploitatie bij contractsluiting nog in de kinderschoenen stond, maakt de bedingen niet onredelijk bezwarend — die toets is ex tunc. Het beroep op artikel 6:248 lid 2 BW faalde eveneens: 22% over de netto-inkomsten zonder verdere deducties is niet naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar. Het pas sinds 1 januari 2026 toepasselijke billijkheidscriterium van artikel 25c lid 1 Aw leidde niet tot een andere uitkomst.
Wat betekent dit voor artiesten met oude exploitatieovereenkomsten?
De artiest verloor het royaltygeschil maar won op een ander punt: opzegging. De rechtbank oordeelde — onder verwijzing naar het Nanada/Golden Earring-arrest — dat de duurovereenkomsten na 17 tot 25 jaar opzegbaar zijn zonder zwaarwegende grond. De investeringen waren beperkt, de opnamen waren al gereed bij contractsluiting en de voorschotten minimaal. De opzegtermijn van zeven maanden was redelijk.
Voor artiesten met vergelijkbare oude contracten biedt het vonnis twee lessen. Ten eerste: wie jarenlang royalty statements accepteert zonder bezwaar, verliest de facto het recht om achteraf een hogere vergoeding te eisen. Ten tweede: opzegging is bij langlopende exploitatieovereenkomsten een reëel alternatief. Hoe langer het contract duurt en hoe beperkter de investeringen van het label, hoe minder reden om een zwaarwegende grond te verlangen.contractuele geschillen en exploitatieovereenkomsten en procedeert over commercial litigation.
Veelgestelde vragen
Kwalificeert streaming als licentieverlening aan derden?
Niet zonder meer. De rechtbank Amsterdam oordeelt dat distributie via Spotify of Apple Music geen derdenlicentie is in de zin van klassieke exploitatieovereenkomsten. Die bepalingen zijn bedoeld voor situaties waarin het label de exploitatie volledig uitbesteedt aan een derde, niet voor digitale distributie waarbij het label zelf verantwoordelijk blijft voor marketing en productie.
Kan een artiest na jaren alsnog een hogere royalty vorderen?
Dat wordt lastig als je jarenlang royalty statements hebt geaccepteerd zonder bezwaar. De rechtbank woog mee dat de artiest vijftien jaar lang de afrekeningen ontving zonder te protesteren. Dat schept vertrouwen bij het label. Wie een hoger percentage wil, moet tijdig aan de bel trekken — niet na anderhalf decennium.
Wanneer mag een artiest een exploitatieovereenkomst opzeggen?
Een duurovereenkomst voor onbepaalde tijd is in beginsel opzegbaar, ook zonder wettelijke of contractuele opzegregeling. Hoe langer het contract duurt en hoe beperkter de investeringen van het label, hoe minder zwaarwegend de grond hoeft te zijn. Bij contracten van 17 tot 25 jaar met minimale voorschotten is geen bijzondere grond nodig — een redelijke opzegtermijn volstaat.
ECLI:NL:RBAMS:2026:2196, Rechtbank Amsterdam, 4 maart 2026.
Aangehaalde rechtspraak
Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2017:1270
Rechtbanken: ECLI:NL:RBAMS:2026:2196