Toerekening betaling en boetebeding na WSNP
Executiegeschil over huurschuld en boetebeding na WSNP
Het gerechtshof Amsterdam heeft in hoger beroep een executiegeschil over achterstallige huurpenningen en contractuele boetes bij een 290-bedrijfsruimte grotendeels in het voordeel van de huurder beslist. Kernvraag was waarop een betaling van €37.069,15 door de bewindvoerder in de schuldsanering in mindering kwam: op de huurschuld of op de boetes. Het hof oordeelde dat de betaling de huurschuld volledig had voldaan, waardoor ook de doorlopende boete sinds september 2020 niet meer verschuldigd was.
Huurder exploiteerde een horecaonderneming in een bedrijfsruimte in Amsterdam. Al na enkele maanden ontstond een huurachterstand. Na een kort geding in 2016 en het inleveren van de sleutels werd huurder in oktober 2016 toegelaten tot de WSNP. De bewindvoerder zegde de huurovereenkomst op tegen mei 2017.
Bij vonnis van 7 mei 2018 veroordeelde de kantonrechter de huurder tot betaling van €37.069,15 aan achterstallige huurpenningen over de periode oktober 2016 tot mei 2017, plus een boete van €4.666,55 en een doorlopende boete van 2% per maand over het openstaande saldo. Dit vonnis werd onherroepelijk.
Na afloop van de schuldsanering betaalde de bewindvoerder in september 2020 exact €37.069,15 aan de verhuurder. De omschrijving vermeldde slechts de naam van de onderneming en de huurder — niet waarop de betaling in mindering kwam. De verhuurder rekende de betaling toe aan de inmiddels opgelopen boetes en stelde dat de huurder nog ruim €54.000 verschuldigd was. Zij legde executoriaal derdenbeslag op de UWV-uitkering van de huurder.
Toerekening betaling: bedrag spreekt voor zich
Het hof vernietigde het vonnis van de voorzieningenrechter, die de executie van het gehele vonnis van 2018 had geschorst. In plaats daarvan maakte het hof een preciezere knip.
Over de toerekening van de betaling oordeelde het hof dat de verhuurder had moeten begrijpen dat het bedrag van €37.069,15 — tot op de cent gelijk aan de veroordeling voor achterstallige huurpenningen — bedoeld was als betaling van die huurschuld en niet van boetes. De bewindvoerder had weliswaar niet uitdrukkelijk aangegeven waarop de betaling in mindering kwam (zoals de algemene bepalingen vereisten), maar de context liet geen andere uitleg toe. Daarmee was aan onderdeel VI van het vonnis voldaan en was na 1 september 2020 geen verdere boete meer verschuldigd.
De overige verweren van de huurder werden afgewezen. Artikel 299 lid 1 sub c Fw was niet van toepassing: de huurpenningen betroffen lopende verplichtingen na toelating tot de schuldsanering, zodat ook de boete over die huurpenningen buiten de werking van de schuldsanering viel. Het beroep op ambtshalve toetsing van het boetebeding strandde eveneens — de huurder had de overeenkomst als ondernemer gesloten, niet als consument, en de rechter was niet gehouden op basis van analogieën tot ambtshalve toetsing over te gaan. Matiging op grond van artikel 6:94 BW en vernietiging op grond van artikel 6:233 BW konden in het executiegeschil niet alsnog aan de orde komen.
Wel oordeelde het hof dat de voorzieningenrechter te ver was gegaan door de gehele executie te schorsen. Het stond de executierechter niet vrij te beoordelen of de kantonrechter het boetebeding destijds anders zou hebben toegepast. De maatstaf is misbruik van bevoegdheid (artikel 3:13 BW), en daarvan was ten aanzien van de vóór september 2020 vervallen boetes geen sprake.
Wat betekent het toerekeningsrecht voor verhuurders?
De toerekeningsvraag is het meest relevante onderdeel. Het hof passeert de contractuele toerekeningsbepaling (artikel 18.1 van de ROZ-voorwaarden) en kijkt naar wat de verhuurder redelijkerwijs had moeten begrijpen. Wie een bedrag ontvangt dat exact correspondeert met één specifieke veroordeling, kan dat niet naar eigen inzicht toerekenen aan een andere post — ook niet als de betaler verzuimt dit expliciet aan te geven. Voor verhuurders betekent dit: een contractueel toerekeningsrecht is geen vrijbrief wanneer de context ondubbelzinnig is.
Verder illustreert het arrest de beperkingen van het executiegeschil als instrument. Verweren die in de oorspronkelijke procedure hadden kunnen worden gevoerd — matiging, vernietiging van het boetebeding, ambtshalve toetsing — kunnen niet alsnog via een executiegeschil aan de orde worden gesteld. wie geconfronteerd wordt met een boetebeding in algemene voorwaarden, moet daar in de hoofdprocedure verweer tegen voeren.
Veelgestelde vragen
Mag een verhuurder betalingen naar eigen inzicht toerekenen aan boetes?
De ROZ-voorwaarden geven de verhuurder een contractueel toerekeningsrecht, maar dit is geen vrijbrief. Als een betaling exact correspondeert met een specifieke veroordeling, moet de verhuurder begrijpen dat het bedrag daarop ziet. De context gaat boven de contractuele bepaling.
Kan een huurder matiging van een boetebeding alsnog vorderen in een executiegeschil?
Nee. Het hof oordeelt dat verweren die in de hoofdprocedure hadden kunnen worden gevoerd — zoals matiging op grond van artikel 6:94 BW of vernietiging van het beding — niet alsnog in een executiegeschil aan de orde kunnen komen. Voer verweer in de hoofdzaak.
Vallen huurschulden ontstaan na toelating tot de WSNP onder de schuldsanering?
Nee. Huurpenningen die betrekking hebben op de periode na toelating tot de schuldsanering zijn lopende verplichtingen en vallen buiten de werking van de WSNP. Ook contractuele boetes over die huurpenningen zijn daarmee niet gesaneerd, zo oordeelde het hof.
ECLI:NL:GHAMS:2024:1889, Gerechtshof Amsterdam, 9 juli 2024.
Aangehaalde rechtspraak
Gerechtshoven: ECLI:NL:GHAMS:2024:1889