Enquêterecht en de concernleiding van een topholding
De Ondernemingskamer wees op 10 oktober 2026 drie verzoeken af om, na de terugroepactie van slaapapneu- en beademingsapparaten, een onderzoek te gelasten naar het beleid van Koninklijke Philips. Zij formuleerde wat van een topholding mag worden verwacht, maar de beleggers maakten niet concreet waar Philips daarin tekortschoot. Hieronder: de zaak, de maatstaf, de toetsing en wat het betekent.
Beleggers vragen enquête bij Philips na terugroepactie Respironics
De afgewezen verzoeken kwamen van de Vereniging van Effectenbezitters (VEB) met zeven medeverzoekers, van tien Vanguard-entiteiten en van 35 institutionele beleggers onder aanvoering van AP Pension. Zij werden hoofdelijk veroordeeld in de proceskosten van Philips, begroot op EUR 4.721. Hun verzoekschriften kwamen tussen 31 december 2025 en 14 januari 2026 binnen en vroegen een onderzoek over de periode vanaf 2008 of vanaf 2015. Daarnaast vroegen zij onmiddellijke voorzieningen, zoals een extra commissaris of een onafhankelijke bestuurder met een doorslaggevende stem over de afwikkeling van de geschillen (OK 10 oktober 2026, r.o. 2.1-2.3 en 5.91).
Philips kocht in 2008 het Amerikaanse Respironics, maker van slaapapneu- en beademingsapparaten, voor circa EUR 3,6 miljard. In die apparaten zat sinds 2008 polyester-polyurethaanschuim om het geluid te dempen. Eind 2014 kreeg de Japanse dochter drie klachten over schuimdeeltjes in beademingsapparaten, zonder gezondheidsschade, en op 14 juni 2021 riep Respironics wereldwijd vrijwel alle apparaten terug die zij sinds 2008 had verkocht: 16,1 miljoen stuks. De terugroepactie kostte ruim EUR 1 miljard, aan schikkingen betaalde Philips meer dan EUR 1,5 miljard, en de koers daalde van EUR 53,45 in april 2021 naar EUR 25,29 in januari 2026 (OK 10 oktober 2026, r.o. 3.6-3.12 en 3.78-3.106).
De verzoekers voerden vijf gronden aan. Het bestuur had geen deugdelijke interne systemen, het greep niet tijdig in bij Respironics, de raad van commissarissen verzaakte zijn toezicht, Philips gaf in haar publieke mededelingen een misleidend beeld, en zij maakte koersgevoelige informatie te laat openbaar. De Ondernemingskamer stelde voorop dat alleen het beleid van Philips als topholding ter beoordeling stond. Respironics is een Amerikaanse vennootschap, waarop het Nederlandse enquêterecht niet van toepassing is (OK 10 oktober 2026, r.o. 4.1 en 5.1).
Wat de Ondernemingskamer van een concernleider verwacht
In het enquêterecht wordt een onderzoek alleen gelast als blijkt van gegronde redenen om aan een juist beleid of een juiste gang van zaken te twijfelen (artikel 2:350 lid 1 BW). Voor een concern toetste de Ondernemingskamer aan een concernleidingsplicht. Vertrekpunt is Ogem, een holding die niet ingreep toen de directie van een kleindochter de concernleiding onvoldoende inlichtte. De Hoge Raad aanvaardde dat de bestuurstaak van de holding zich mede uitstrekte tot de ondernemingen in het concern (HR 10 januari 1990, r.o. 9.1-9.2). Uit de Corporate Governance Code en de rechtspraak leidde de Ondernemingskamer af dat de concernleiding een inrichting moet hebben die past bij de aard en de risico's van het concern, met onder meer governance-, management- en vergaderstructuren, informatiesystemen, interne audit en risico- en kwaliteitsbeheer. Daarmee moet zij toezicht kunnen houden op dochters, risico's voor de continuïteit van het concern als geheel kunnen zien, aan openbaarmakingsplichten kunnen voldoen en zo nodig tijdig kunnen ingrijpen (OK 10 oktober 2026, r.o. 5.2).
Voor medische hulpmiddelen legde de Ondernemingskamer de lat hoog. Die hoge zorgvuldigheid geldt in de eerste plaats voor de producerende dochter, die normaal gesproken de primaire geadresseerde van de regelgeving is, en dat de primaire verantwoordelijkheid daar lag, kwam de Ondernemingskamer niet onjuist voor (OK 10 oktober 2026, r.o. 5.36). Maar gezondheidsrisico's kunnen het hele concern raken, financieel, juridisch en in zijn reputatie, temeer als de concernleider beursgenoteerd is. De interne systemen moeten daarom borgen dat de concernleiding "tijdig en volledig" hoort van mogelijke gezondheidsrisico's van een product van een dochter, zodat zij kan ingrijpen. Wanneer informatie naar boven moet, maakte de Ondernemingskamer concreet: bij mogelijke gezondheidsrisico's ten minste naar het clustermanagement, en bij voldoende duidelijke aanwijzingen naar de raad van bestuur. Die informatie moet voldoende concreet en betrouwbaar zijn. Verificatie door een andere deskundige kan in de rede liggen, zekerheid over het risico is niet vereist (OK 10 oktober 2026, r.o. 5.3 en 5.59).
Daartegenover verlangde de Ondernemingskamer concrete stellingen. Zij beoordeelde het beleid naar de situatie van vóór de terugroepactie en waarschuwde voor hindsight bias: wie de afloop kent, overschat hoe voorspelbaar die was. De verzoekers moesten daarom concreet aanvoeren op welke punten de interne systemen tekortschoten, welke informatie Philips op welk moment had moeten hebben, en waar zij naliet in te grijpen. Hun redenering dat de top alles wist als de systemen werkten, en dus te laat ingreep, noemde de Ondernemingskamer "bepaald onvoldoende" (OK 10 oktober 2026, r.o. 5.6). Beoordelen naar de kennis van toen is niet nieuw: ook bij Fortis gebeurde dat, met de kanttekening dat van wie een zwaardere verantwoordelijkheid draagt meer vooruitziende blik mag worden verwacht (HR 6 december 2013, r.o. 4.2.3).
Waarom de verzoeken op de stelplicht strandden
Philips beschreef uitvoerig hoe haar systemen werkten: een verdeling waarin het management, ondersteunende kwaliteitsfuncties en interne audit elk een eigen controlelaag vormen, een concernbreed risicobeheersysteem, een kwaliteitscommissie in de raad van commissarissen, en vaste aanleidingen om naar boven te rapporteren, zoals een gezondheidsrisico-evaluatie of een waarschuwingsbrief van de Amerikaanse toezichthouder FDA. Geen van de verzoekers bestreed die beschrijving inhoudelijk. Zij wezen op wat er mis was gegaan: FDA-constateringen bij Amerikaanse dochters vanaf 2011, het aantal terugroepacties en de verbeteringen na 2021, zoals ongeveer 1.000 extra kwaliteitsmedewerkers. Geen van de drie volstond. De FDA-bevindingen betroffen de dochters en niet de concernsystemen. Een terugroepactie kan evengoed wijzen op kwaliteitsbeheer dat werkt. En wie na een crisis zijn systemen verbetert, bewijst daarmee niet dat die eerder tekortschoten (OK 10 oktober 2026, r.o. 5.11 en 5.36-5.43).
Bij het ingrijpen gaf de chronologie de doorslag. De Ondernemingskamer beschikte over alle complete vergaderstukken van de kwaliteitsoverleggen van Respironics en van de kwaliteitscommissie van de raad van commissarissen, van 2015 tot het tweede kwartaal van 2021, en ging ervan uit dat de raad van bestuur sinds begin maart 2021 van de mogelijke gezondheidsrisico's wist. Afzonderlijke leden hoorden eerder van een mogelijk gezondheidsrisico: de chief legal officer op 8 februari 2021, de financieel directeur kort daarna. Dat het bestuur het beduidend eerder wist en verzweeg, was "eenvoudigweg niet gebleken" (OK 10 oktober 2026, r.o. 5.56-5.57). Later dan had gemoeten werd het bestuur volgens de Ondernemingskamer niet ingelicht (OK 10 oktober 2026, r.o. 5.60 en 5.62).
Een onderzoeker van Respironics zag in december 2019 een toxicologisch risico, maar een externe deskundige schatte in augustus 2020 de kans op gezondheidseffecten door inademing, met een voorbehoud, laag in, en een derde vond beide rapporten vol onzekerheden. Pas in december 2020 kwamen er enigszins concrete aanwijzingen voor een significant risico. In februari 2021 oordeelde een panel van vijf externe medici nog unaniem dat voortgezet gebruik zwaarder woog, en pas op 22 april 2021 bleek dat het schuim een serieus gezondheidsrisico kon opleveren. Dat de informatie pas na bevestiging door ander onderzoek naar boven ging, noemde de Ondernemingskamer terecht. Hoe onzeker zo'n inschatting is, bleek later: uitgebreid onderzoek dat Philips na de terugroepactie liet uitvoeren, kwam tot een andere conclusie dan destijds werd aangenomen, namelijk dat de gezondheidsnadelen van het schuim verwaarloosbaar zijn (OK 10 oktober 2026, r.o. 3.39-3.40 en 5.59-5.61).
Open vragen zag de Ondernemingskamer wel: waarom de informatie over het schuimproject binnen het cluster niet specifieker was, en waarom het medisch panel de voorlopige gegevens over de uitstoot van vluchtige stoffen niet meewoog. Zij liet die rusten, omdat het antwoord niet wezenlijk was voor de vraag of Philips door gebrekkige escalatie te laat werd ingelicht (OK 10 oktober 2026, r.o. 5.62). Onderzoeksjournalistiek van ProPublica, NRC en de Pittsburgh Post-Gazette hielp de verzoekers evenmin: de bronnen waren niet na te gaan en het dossier bood voor de beschuldigingen "geen enkele grondslag". De klacht van een klokkenluider bij een Amerikaanse rechter maakte geen onderscheid tussen Respironics en de topholding en werd op onderdelen door de stukken weerlegd; de teneur over de gang van zaken bij Respironics noemde de Ondernemingskamer zorgelijk, maar de klacht was onvoldoende concreet en toetsbaar (OK 10 oktober 2026, r.o. 5.55 en 5.65). De verzoekers lichtten hun verwijten aan de raad van commissarissen niet toe (OK 10 oktober 2026, r.o. 5.69).
In Ahold en SNS Reaal, waar de Ondernemingskamer wel een onderzoek naar een concernleider gelastte, kende de concernleiding een concreet probleem en bleek niet wat zij ermee had gedaan. Ahold wist vóór de overname van U.S. Foodservice dat die geen goed systeem had om leverancierskortingen te volgen, met een risico op fraude. Van haar als moeder mocht worden verwacht dat zij op snel herstel toezag, en de Ondernemingskamer twijfelde of zij dat had gedaan, en of zij intussen op de controles van de accountant mocht vertrouwen: later moest over 2000 tot en met 2002 EUR 103, 215 en 269 miljoen aan kortingen worden gecorrigeerd. Haar beschrijving van de toezichtsystemen ging bovendien nauwelijks over wat de werkmaatschappijen aan de moeder rapporteerden (OK 6 januari 2005, r.o. 3.19-3.22 en 3.40).
Na de fraude voerde Ahold een handmatig volgsysteem in, en zij liet onbesproken waarom dat niet eerder was gebeurd (OK 6 januari 2005, r.o. 3.23). Wie een risico al kende en niet uitlegt waarom de verbetering pas na de schade kwam, kan dus reden tot twijfel geven. Bij Philips aanvaardde de Ondernemingskamer daarentegen zo'n uitleg: het centrale kwaliteitssysteem dat in 2015 werd aangekondigd, bleek een complex en langdurig traject (OK 10 oktober 2026, r.o. 5.43).
Bij SNS Reaal wezen interne auditrapporten vanaf juli 2007 op kredieten van de vastgoeddochter die buiten de eigen normen waren verstrekt, en volgens een risicomemo gold dat van november 2007 tot en met maart 2008 voor 58% van de nieuwe kredieten. Welke besluiten daarop volgden, maakte SNS Reaal niet inzichtelijk, en de Ondernemingskamer gelastte een onderzoek (OK 26 juli 2018, r.o. 3.38-3.40). Na het onderzoek oordeelde de Ondernemingskamer toch dat het beleid van de top ten aanzien van die dochter geen wanbeleid was: bestuur en commissarissen wisten van de tekortkomingen, en het bestuur reageerde met indringender toezicht, koerswijzigingen en verbetertrajecten (OK 30 november 2022, r.o. 8.45). Dezelfde gedachte keert terug in de Philips-beschikking: tekortkomingen bij een dochter zeggen op zichzelf weinig over de concernleiding die ervan weet en optreedt (OK 10 oktober 2026, r.o. 5.38).
Optimistische mededelingen gaven geen reden voor twijfel
Of Philips in strijd met de wet misleidend communiceerde, is volgens de Ondernemingskamer niet aan haar om te beslissen. Wel kan er reden voor twijfel zijn als vaststaat, of als er ernstig rekening mee moet worden gehouden, dat namens de vennootschap misleidende of onjuiste, te rooskleurige mededelingen zijn gedaan (OK 10 oktober 2026, r.o. 5.73).
Die grens werd eerder overschreden waar wat de vennootschap intern wist, haar publieke woorden weersprak. Fortis noemde in een prospectus van september 2007 de verwachte gevolgen van de subprimecrisis voor het jaarresultaat "non-material", terwijl haar Executive Committee wist van een mogelijk verlies van EUR 350 tot 400 miljoen op een blootstelling van circa EUR 8,7 miljard. Dat was welbewust selectieve informatie en droeg het oordeel wanbeleid (HR 6 december 2013, r.o. 4.4.2-4.4.3). Bij KPNQwest bleef onverklaard waarom het management pas laat wist dat de omzet uit verkoop van netwerkcapaciteit was weggevallen, en waarom het publiek pas weken later werd ingelicht. De twijfel raakte zowel de informatie aan het publiek als de interne rapportagesystemen, en de Ondernemingskamer gelastte een onderzoek (OK 28 december 2006, r.o. 3.30 en 3.32).
De toenmalige CEO van Philips had in analistencalls "de optimistische kant van het spectrum soms wel" opgezocht, maar dat er ernstig rekening mee moest worden gehouden dat zijn uitlatingen misleidend of onjuist en te rooskleurig waren, bleek onvoldoende. Dat de kwestie op 26 april 2021 in een "very early stage" was, was in het licht van wat toen bekend was niet onjuist of misleidend. Zijn verwijzing naar reiniging met ozon als mogelijke oorzaak steunde op een laboratoriumrapport van januari 2021. En het verwijt dat hij bagatelliseerde, verdroeg zich niet met de leveringsstop en de voorziening van EUR 250 miljoen die in dezelfde call bekend werden gemaakt (OK 10 oktober 2026, r.o. 5.74-5.75). Ook eerder trok de Ondernemingskamer die lijn: te rooskleurige woorden ter algemene vergadering, deels een mening, waren bij SNS Reaal nog geen misleidende mededeling (OK 30 november 2022, r.o. 14.32).
Dat Philips de voorziening viermaal verhoogde, tot EUR 970 miljoen, wees evenmin op misleiding van beleggers. Een voorziening is een schatting, en Philips lichtte voldoende toe dat de kwestie vóór 26 april 2021 niet voldeed aan de eisen van de verslaggevingsstandaard IAS 37. Op donderdag 22 april hoorde het bestuur dat de gezondheidsevaluaties op een mogelijk serieus gezondheidsrisico zouden wijzen, op vrijdag 23 april werden de FDA en de auditcommissie en kwaliteitscommissie van de raad van commissarissen ingelicht, en op maandag 26 april maakte Philips het voorbeurs bekend. De AFM stelde geen overtreding vast van de plicht om koersgevoelige informatie zo snel mogelijk te publiceren, alleen een ondergeschikte over het tijdstip waarop het persbericht van 14 juni 2021 bij haar werd gedeponeerd. Zelfs als die plicht op een onderdeel was geschonden, zag de Ondernemingskamer daarin geen gegronde reden voor twijfel (OK 10 oktober 2026, r.o. 3.63-3.64 en 5.78-5.86).
Geen lagere drempel bij een informatieachterstand
De verzoekers vroegen een lagere drempel, omdat Philips informatie zou hebben achtergehouden. De Ondernemingskamer wees dat af: de maatstaf hangt niet af van wat de vennootschap aan aandeelhouders verstrekt. Aandeelhouders van een beursvennootschap hebben buiten de algemene vergadering geen recht op informatie die zij afzonderlijk verlangen, oordeelde de Hoge Raad in ASMI (HR 9 juli 2010, r.o. 4.6). Binnen de grenzen van de plicht om aandeelhouders gelijk te behandelen (artikel 2:92 lid 2 BW) is het bestuur volgens de Ondernemingskamer "geheel vrij" zulke verzoeken al dan niet te honoreren. Een verzoek om Philips te bevelen nadere gegevens over te leggen, had zij in de procedure al afgewezen. Philips wees er bovendien op dat de VEB haar aanbod om vragen te beantwoorden pas op 11 december 2025 aanvaardde, met 200 vragen en een termijn van twaalf dagen. Op 31 december volgde het verzoekschrift (OK 10 oktober 2026, r.o. 2.14 en 5.89-5.90).
In de geanalyseerde uitspraken komt een formeel lagere drempel niet voor, maar een vennootschap die geen opening van zaken geeft, loopt wel risico. Bij SNS Reaal twijfelde de Ondernemingskamer of de vennootschap had onderkend dat de aflossing van participatiecertificaten een te rooskleurig beeld kon scheppen, mede omdat zij geen notulen of andere interne stukken overlegde waaruit bleek welke afweging zij had gemaakt (OK 26 juli 2018, r.o. 3.84). Ahold legde verslagen van bestuur, commissarissen en auditcommissie over met alles behalve een enkele passage afgedekt, en dat gaf een "(ruim) onvoldoende beeld" (OK 6 januari 2005, r.o. 3.21). In ASMI verwierp de Hoge Raad de klacht tegen het oordeel dat tegenover externe aandeelhouders onvoldoende openheid was betracht, al vernietigde hij de beschikking op andere gronden (HR 9 juli 2010, r.o. 4.6 en 4.8.1). Philips verklaarde wel, met vergaderstukken en accounting memo's van destijds (OK 10 oktober 2026, r.o. 5.57 en 5.79).
Wat betekent dit voor beleggers en bestuurders van een concern?
Een enquête is bedoeld om de feiten boven tafel te krijgen, maar wie haar vraagt, moet al weten waar hij moet zoeken. Een belegger die een concernleider aanspreekt op tekortschietende systemen, moet de beschrijving van die systemen inhoudelijk bestrijden: welke rapportagelijn faalde, welk signaal bleef op welk niveau steken, en wanneer had het de top moeten bereiken. Een tijdlijn van wat er bij een dochter misging, een reeks terugroepacties, verbeteringen achteraf en journalistieke reconstructies vullen dat niet in. Het materiaal daarvoor moet er zijn voordat het verzoekschrift wordt ingediend: uit vragen in de algemene vergadering, uit openbare stukken van toezichthouders en uit een informatieaanbod van de vennootschap, als dat er is en tijdig wordt benut. En wat de vennootschap in de procedure overlegt, moet op precies die vragen worden doorgelezen.
Voor bestuurders werkt dezelfde redenering andersom. Philips kon haar systemen tot in detail beschrijven, het dossier bevatte de complete vergaderstukken van ruim zes jaar kwaliteitsoverleg, en de Ondernemingskamer vond in de overgelegde stukken geen aanwijzing dat het bestuur eerder was ingelicht dan Philips stelde. Een concernleider die dat wil kunnen, legt vast welke signalen per definitie naar boven gaan, wie wanneer is ingelicht, en waarom informatie pas na verificatie werd doorgegeven. Ook de samenstelling van bestuur en raad van commissarissen telt: het ligt in de rede dat de kennis die nodig is om een onderneming in medische apparatuur te besturen en te controleren op dat niveau aanwezig is, al hoeft dat niet per definitie medische kennis te zijn (OK 10 oktober 2026, r.o. 5.48 en 5.57).
De beschikking legt de lat voor de concernleiding hoog en die voor de verzoeker hoger. Hoe zwaarder de eisen aan de interne systemen, hoe meer het loont om vast te leggen dat eraan is voldaan, en hoe beter een concern dat doet, hoe concreter een belegger moet worden om er doorheen te komen.
Veelgestelde vragen
Kunnen de beleggers tegen deze beschikking in cassatie?
Ja. Wie in de procedure is verschenen, kan binnen drie maanden na de uitspraak cassatie instellen (artikel 426 lid 1 Rv). De Hoge Raad treedt niet in de vaststelling en waardering van de feiten, tenzij die onbegrijpelijk of ontoereikend gemotiveerd zijn, en houdt er rekening mee dat het onderzoek in deze eerste fase summier is (HR 9 juli 2010, r.o. 4.1.2).
Betekent de afwijzing dat Philips niet aansprakelijk is tegenover beleggers?
Nee. Een enquêteprocedure beslist alleen of er reden is voor een onderzoek, niet over schadevergoeding. In de Verenigde Staten loopt een securities class action tegen Philips en (voormalige) bestuurders. Het mededelingsverbod op een deel van de stukken van Philips liet uitdrukkelijk ruimte om ze te gebruiken in aansprakelijkheidsprocedures tegen Philips, haar bestuurders, commissarissen en accountants (OK 10 oktober 2026, r.o. 2.14 en 3.84).
Welke aandeelhouders kunnen bij een beursvennootschap een enquête vragen?
Aandeelhouders of certificaathouders die samen ten minste 1% van het geplaatste kapitaal hebben, of aandelen ter waarde van ten minste EUR 20 miljoen volgens de slotkoers op de laatste handelsdag vóór indiening, tenzij de statuten minder eisen (artikel 2:346 lid 1 sub d BW). Vooraf moeten zij hun bezwaren schriftelijk aan bestuur en raad van commissarissen melden, met tijd om die te onderzoeken en maatregelen te nemen; anders zijn zij niet-ontvankelijk (artikel 2:349 lid 1 BW).
Aangehaalde rechtspraak
Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2013:1586 (Fortis, 6 december 2013, r.o. 4.2.3 en 4.4.3; beoordeling naar maatstaven en kennis van toen, van wie zwaardere verantwoordelijkheid draagt mag meer vooruitziende blik worden verwacht; welbewust selectieve informatie in een prospectus leverde bij een systeembank wanbeleid op); ECLI:NL:HR:2010:BM0976 (ASMI, 9 juli 2010, r.o. 4.1.2 en 4.6; aandeelhouders hebben buiten de algemene vergadering geen recht op afzonderlijk verlangde informatie, het oordeel over onvoldoende openheid tegenover externe aandeelhouders toereikend gemotiveerd; de Hoge Raad treedt niet in de waardering van de feiten in de summiere eerste fase); ECLI:NL:HR:1990:AC1234 (Ogem, 10 januari 1990, r.o. 9.2; de bestuurstaak van de concernholding strekt zich mede uit tot de ondernemingen in het concern).
Gerechtshof Amsterdam, Ondernemingskamer: ECLI:NL:GHAMS:2026:2900 (Philips, 10 oktober 2026, r.o. 5.2-5.6 en 5.59; enquêteverzoeken afgewezen, concernleidingsplicht en escalatie van gezondheidsrisico's, verzoeker moet concreet stellen waar de interne systemen tekortschoten); ECLI:NL:GHAMS:2022:3392 (SNS Reaal, 30 november 2022, r.o. 8.45 en 14.32; geen wanbeleid waar de top van tekortkomingen bij de dochter wist en reageerde, te rooskleurige mondelinge uitlatingen niet steeds misleidend); ECLI:NL:GHAMS:2018:2651 (SNS Reaal, 26 juli 2018, r.o. 3.40 en 3.84; onderzoek gelast na auditsignalen over kredietverlening, geen interne stukken over de afweging achter een te rooskleurig beeld); ECLI:NL:GHAMS:2006:AZ5413 (KPNQwest, 28 december 2006, r.o. 3.6 en 3.32; ernstig rekening houden met misleiding van het beleggend publiek rechtvaardigt een onderzoek); ECLI:NL:GHAMS:2005:AR8831 (Ahold, 6 januari 2005, r.o. 3.20 en 3.40; moeder die fraudegevoelige interne controle bij een dochter kende, moest op snel herstel toezien).