Beleggersclaims tegen Philips in twee rechtsstelsels
Na de terugroepactie van slaapapneu-apparaten procederen Philips-beleggers in New York en Amsterdam, en overal draait het om één vraag: hoe bewijs je wat Philips wist als de stukken bij Philips liggen? In New York kregen beleggers na de eerste toets verhoren en interne documenten, in Amsterdam niet. De ING-uitspraak toont hoe hoog die lat ligt.
Twee groepen Philips-beleggers, twee procedures
In augustus 2021, kort na de terugroepactie, begon in New York een class action. Dat is een groepsvordering: laat de rechter de groep toe, dan geldt de uitkomst voor iedereen in die groep die niet zelf afhaakt. De groep bestaat uit beleggers die Philips-aandelen in de Verenigde Staten kochten; aankopen op Euronext Amsterdam vallen er volgens partijen zelf buiten (federale rechter New York 2024, voetnoot 1). Dat past bij de Amerikaanse regel dat de effectenwet alleen ziet op transacties op Amerikaanse beurzen en andere binnenlandse transacties (Morrison v. National Australia Bank, 2010).
Voor de beleggers die op Euronext kochten, lopen in Nederland afzonderlijke procedures, zonder collectieve actie onder de WAMCA. Namens groepen beleggers zijn via Deminor en DRRT zaken tegen Philips aangespannen. Op 10 oktober 2026 wees de Ondernemingskamer drie verzoeken om een onderzoek naar het beleid af, besproken in de analyse van de concernleidingsplicht bij Philips. Zij besliste niet over schadevergoeding, maar onderzocht wel de communicatie van Philips en zag ook daarin onvoldoende grond voor twijfel aan een juist beleid (OK 10 oktober 2026, r.o. 5.73-5.75). Voor de schadeclaims betekent dat: het onderzoek dat de feiten boven tafel had kunnen brengen, komt er voorlopig niet.
New York: de claim van Philips-beleggers neemt de eerste horde
In de Amerikaanse procedure moet de eiser eerst gedetailleerd stellen wat er mis was en dat het bestuur dat wist of roekeloos negeerde. De rechter neemt die stellingen in deze fase voor waar aan. Ook die eerste toets is streng: de feiten moeten opzet of roekeloosheid minstens zo overtuigend ondersteunen als een onschuldige verklaring (federale rechter New York 2024, p. 9). Op 23 september 2024 oordeelde hij dat de uitspraken in de jaarverslagen van Philips over haar inzet voor compliance, kwaliteit en veiligheid misleidend kunnen zijn. Een algemene risicowaarschuwing hielp Philips niet: die volstaat niet als de feiten ter plaatse al anders liggen. Voor de toenmalige bestuursvoorzitter was voldoende gesteld dat hij vanaf begin tot medio 2018 opzettelijk of roekeloos handelde. Hij woonde de vergaderingen bij van het kwaliteitscomité waar de bewaking van apparaten na marktintroductie werd besproken. De vorderingen tegen twee andere gedaagden en over de voorziening van EUR 250 miljoen wees de rechter af (federale rechter New York 2024, p. 16-17 en 29).
Wie die horde neemt, krijgt toegang tot de stukken van de tegenpartij (discovery). Die fase sloot in december 2025, en wat zij opleverde, staat inmiddels in het openbare procesdossier. Bij hun verweer tegen een nieuw verzoek van Philips legden de beleggers een verhoor van de toenmalige bestuursvoorzitter van oktober 2025 en interne Philips-documenten over (processtukken New York, maart 2026). Dat nieuwe verzoek volgde nadat de eisers de huidige bestuursvoorzitter als gedaagde hadden toegevoegd: Philips vroeg de rechter de vordering gedeeltelijk af te wijzen. Zolang dat verzoek loopt, liggen de verdere bewijsgaring en de behandeling van de groepstoelating stil; de rechter bevestigde die opschorting op 15 juli 2026 (federale rechter New York juli 2026).
Amsterdam: de belegger moet bewijzen wat het bestuur toen wist
Hoe de Amsterdamse rechter zo'n claim beoordeelt, laat de zaak tegen ING zien. Ook die werd aangestuurd door DRRT, en ook daar ging het om misleidende jaarverslagen en te late openbaarmaking van koersgevoelige informatie. Beleggers die tussen 2010 en 2020 ING-aandelen op Euronext kochten, stelden dat ING structurele tekortkomingen in haar antiwitwasbeleid had verzwegen. Die tekortkomingen leidden in 2018 tot een transactie van EUR 775 miljoen met het Openbaar Ministerie. Op 5 november 2025 wees de rechtbank alle vorderingen af (rechtbank Amsterdam november 2025, r.o. 3.21 en 6.2).
Een vennootschap die koersgevoelige informatie te laat of onjuist naar buiten brengt, kan onrechtmatig handelen tegenover beleggers (artikel 6:162 lid 2 BW en artikel 17 van de Verordening marktmisbruik). De beleggers moeten wel stellen en bewijzen wat de vennootschap op het moment zelf wist, en de rechter toetst terughoudend om niet met kennis van achteraf te oordelen (hindsight bias). Dat het OM later structurele tekortkomingen vaststelde, bewees dus nog niet dat ING dat destijds wist of had moeten weten. Ook een lopend strafrechtelijk onderzoek is op zichzelf geen koersgevoelige informatie die meteen naar buiten moet: een vennootschap mag eerst de omvang en de gevolgen in kaart brengen (rechtbank Amsterdam november 2025, r.o. 6.15-6.19 en 6.47).
Ook op het punt waar de Philips-beleggers in New York door de eerste toets kwamen, de risicoparagraaf, liepen de ING-beleggers vast. ING had in haar jaarverslagen vermeld dat een strafrechtelijk onderzoek liep waarvan de gevolgen "significant" konden zijn. Dat volstond, omdat niet was gebleken dat ING een concreter risico verzweeg dat zich al had voorgedaan (rechtbank Amsterdam november 2025, r.o. 6.85). Het verschil met New York zit deels in het stadium van de procedure, en de feiten verschillen ook. Toch is het contrast duidelijk: in New York bood een algemene waarschuwing geen dekking toen de feiten al anders lagen, in Amsterdam was zij voldoende zolang geen concreter risico was verzwegen.
In beide Amsterdamse zaken moesten de beleggers bovendien eerst concreet worden voordat de rechter stukken liet overleggen. De ING-beleggers wisten niet wat het interne onderzoek van ING had opgeleverd en vroegen om dat onderzoek en de bestuursnotulen; tegenover een zo zwakke onderbouwing hoefde ING die niet te geven (rechtbank Amsterdam november 2025, r.o. 6.59). Voor Philips liep een vergelijkbaar verzoek al eerder vast. Het claimvehikel dat Woodsford oprichtte, wilde vrijwel de volledige controledossiers van accountant EY over negen boekjaren inzien. De rechtbank zag een ontoelaatbare fishing expedition. Het vehikel maakte niet aannemelijk dat beleggers hun vorderingen aan het vehikel hadden overgedragen, en noemde geen concrete fout van EY (rechtbank Amsterdam juni 2025, r.o. 4.10-4.13). Hoe ver het inzagerecht sinds 2025 reikt, staat in de bijdrage over de Nederlandse exhibitieplicht.
Zo verschillen beleggersclaims in de VS en Nederland
De Philips-zaken staan niet op zichzelf. De verschillen volgen uit de opbouw van beide stelsels, en die laat zich in zes punten samenvatten.
| Onderwerp | Verenigde Staten | Nederland |
|---|---|---|
| Welke aankopen | Alleen aankopen op een Amerikaanse beurs of in een andere binnenlandse transactie (Morrison) | Een WAMCA-actie vraagt een voldoende nauwe band met de Nederlandse rechtssfeer (artikel 3:305a lid 3 BW) |
| Gebondenheid | Opt-out: wie in de toegelaten groep valt, is gebonden tenzij hij afhaakt (Rule 23) | Opt-out voor wie in Nederland woont, opt-in voor wie in het buitenland woont, tenzij de rechter anders bepaalt (artikel 1018f Rv) |
| Hoe de groep procedeert | Eén eiser voert de zaak voor de groep, als de rechter de groep toelaat (class certification) | Een stichting moet eerst ontvankelijk zijn; beleggers kiezen ook voor gebundelde individuele zaken |
| Financiering en kostenrisico | Advocaten werken voor een percentage van de opbrengst, dat de rechter vaststelt (30% in de Estee Lauder-zaak, oktober 2026); ieder draagt in beginsel de eigen kosten | Procesfinanciers dragen de kosten voor een deel van de opbrengst; wie verliest, betaalt een forfaitaire vergoeding aan de wederpartij, in de ING-zaak ruim EUR 22.000 per zaak (rechtbank Amsterdam november 2025, r.o. 6.94) |
| Bewijs | Geen inzage tot de eerste toets is gehaald; daarna ruime discovery, met verhoren en interne stukken | Inzage in bepaalde gegevens bij voldoende belang; de rechtspraak vraagt een voldoende aannemelijke vordering (artikel 194 Rv) |
| Causaal verband | Vermoeden dat beleggers op een eerlijke beurskoers vertrouwden, door de gedaagde te weerleggen (Basic v. Levinson, 1988) | Vermoeden van causaal verband bij een misleidend prospectus (HR 27 november 2009, r.o. 4.11.2); voor jaarverslagen niet beslist |
Ook in omvang verschillen de stelsels. In de Verenigde Staten begonnen in 2025 207 nieuwe zaken, en vrijwel geen zaak komt tot een trial, de inhoudelijke behandeling: 0,4% van de federale kernzaken sinds 1997 (Cornerstone Research, januari 2026). De mediane schikking was in 2025 USD 17,3 miljoen (Cornerstone Research 2026). In Nederland gaat het om een handvol beleggerszaken. De grote schikking blijft Fortis/Ageas, EUR 1,3 miljard in 2018 (hof Amsterdam 2018), en recente zaken strandden op de ontvankelijkheid (Airbus) of de inhoud (ING).
Wat betekent dit voor beleggers in Philips?
De plaats van aankoop bepaalt de route. Wie tussen februari 2018 en november 2022 op de NYSE kocht, valt onder de Amerikaanse zaak als de rechter de groep toelaat, zonder eigen kostenrisico. Wie op Euronext kocht, valt erbuiten; de Nederlandse procedures lopen tot nu toe via procesfinanciers. Waarom een beleggersstichting daar kan stranden, laat de Airbus-zaak over de invloed van procesfinanciers zien; de collectieve route staat op de pagina over collectieve actie en massaschade.
Voor de Amsterdamse zaken liggen er bovendien al oordelen van de Ondernemingskamer. Zij achtte de veronderstelling onjuist dat Philips al jaren vóór het eerste kwartaal van 2021 wist van een financieel materieel risico. Ook zag zij geen aanwijzingen dat Philips haar plicht uit artikel 17 MAR had geschonden, en verwees zij naar de AFM, die op 17 juli 2023 geen overtreding vaststelde (OK 10 oktober 2026, r.o. 5.72 en 5.85-5.86). Die oordelen vielen in een enquêteprocedure, maar zij liggen ver af van wat de New Yorkse rechter in de eerste fase voldoende gesteld vond: opzet of roekeloosheid vanaf 2018.
Wie een beleggersclaim voorbereidt, moet daarom vanaf het begin twee vragen beantwoorden: welke feiten maken de gestelde misleiding aannemelijk, en hoe komen de stukken boven tafel die daarvoor nog ontbreken? In New York volgen die stukken na de eerste toets. In de besproken Amsterdamse zaken moest de onderbouwing er al zijn, en kwamen de stukken niet.
Veelgestelde vragen
Kan een Nederlandse belegger meedoen aan de Amerikaanse class action tegen Philips?
Alleen voor aandelen die in de Verenigde Staten zijn gekocht. De voorgestelde groep omvat kopers op een Amerikaanse beurs of in een andere binnenlandse transactie tussen 21 februari 2018 en 1 november 2022. Waar de belegger woont, speelt geen rol. Aankopen op Euronext Amsterdam vallen erbuiten, en de rechter moet de groep nog certificeren.
Geldt het World Online-vermoeden ook voor jaarverslagen en koersgevoelige informatie?
De Hoge Raad formuleerde het vermoeden voor een misleidend prospectus: uitgangspunt is dat de belegger zonder misleiding niet, of niet op dezelfde voorwaarden, zou hebben gekocht (HR 27 november 2009, r.o. 4.11.2). Voor periodieke verslaggeving is dat in de geanalyseerde uitspraken niet beslist; in de ING-zaak kwam de rechtbank aan de schadevraag niet toe (rechtbank Amsterdam november 2025, r.o. 6.90).
Kunnen beleggers ook de bestuurders van een beursvennootschap aansprakelijk stellen?
Bij een misleidende jaarrekening of misleidend bestuursverslag zijn bestuurders rechtstreeks en hoofdelijk aansprakelijk, tenzij zij bewijzen dat het hun niet te wijten is (artikel 2:139 BW). In de ING-zaak vond de rechtbank het meedagvaarden nodeloos: ING kon betalen, vrijwaarde hen en de verwijten per persoon ontbraken (rechtbank Amsterdam november 2025, r.o. 6.92-6.93). Deminor dagvaardde ook acht (voormalige) bestuurders en commissarissen.
Aangehaalde rechtspraak
Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2009:BH2162 (World Online, 27 november 2009, r.o. 4.11.2; bij een misleidend prospectus geldt als uitgangspunt dat causaal verband met de beleggingsbeslissing bestaat).
Gerechtshof Amsterdam: ECLI:NL:GHAMS:2018:2422 (Fortis/Ageas, 13 juli 2018; schikking van EUR 1,3085 miljard verbindend verklaard voor de gedupeerde aandeelhouders).
Gerechtshof Amsterdam, Ondernemingskamer: ECLI:NL:GHAMS:2026:2900 (Philips, 10 oktober 2026, r.o. 5.72-5.75 en 5.85-5.86; enquêteverzoeken afgewezen, communicatie onderzocht en onvoldoende grond voor twijfel, geen aanwijzingen voor schending van artikel 17 MAR).
Rechtbank Amsterdam: ECLI:NL:RBAMS:2025:8223 (ING, 5 november 2025, r.o. 6.15, 6.19 en 6.68; schending van openbaarmakingsplichten ex tunc en met terughoudendheid getoetst, bewijslast bij de beleggers, alle vorderingen afgewezen). ECLI:NL:RBAMS:2025:4331 (Philips Investors Recovery tegen EY, 12 juni 2025, r.o. 4.11-4.13; exhibitieverzoek tegen de accountant afgewezen, cessie en zorgplichtschending onvoldoende aannemelijk).
Verenigde Staten: Patel v. Koninklijke Philips N.V., E.D.N.Y. 1:21-cv-04606 (23 september 2024; vorderingen tegen Philips en de toenmalige bestuursvoorzitter over uitspraken over compliance, kwaliteit en veiligheid gehandhaafd). Procesdossier van dezelfde zaak (15 mei en 15 juli 2026; bewijsgaring opgeschort tot de beslissing op de nieuwe motion to dismiss). Morrison v. National Australia Bank (Supreme Court, 24 juni 2010; de Amerikaanse effectenwet ziet op transacties op Amerikaanse beurzen en andere binnenlandse transacties). Basic v. Levinson (Supreme Court, 7 maart 1988; weerlegbaar vermoeden dat beleggers op de marktprijs vertrouwden).