Inleiding
Sinds 1 januari 2020 is de Wet afwikkeling massaschade in collectieve actie (WAMCA) van kracht. De wet introduceerde een stelsel waarin claimstichtingen namens grote groepen gedupeerden niet alleen verklaringen voor recht, maar ook schadevergoeding in geld kunnen vorderen. Inmiddels zijn ruim 168 WAMCA-uitspraken gewezen, verspreid over dertien rechtbanken en gerechtshoven. Dit artikel analyseert die rechtspraak en brengt de belangrijkste patronen in kaart.
Hoewel de Rechtbank Amsterdam op grond van art. 1018b lid 3 Rv de spil vormt van het WAMCA-stelsel, is de praktijk inmiddels nationaal. De Rechtbank Den Haag behandelt een eigen stroom van collectieve acties tegen de Staat en internationale ondernemingen. De Rechtbank Midden-Nederland oordeelt over medische massaschade en AVG-kwesties. De Rechtbank Oost-Brabant en Rotterdam vullen het procesrecht aan met arbeidsrechtelijke collectieve vorderingen en de prejudiciele vragen over de AVG-samenloop. De gerechtshoven Den Haag, Amsterdam en ‘s-Hertogenbosch hebben de eerste contouren van het WAMCA-appelprocesrecht vormgegeven. Dwars door alle instanties heen zijn de patronen herkenbaar: de ontvankelijkheidstoets is intensiever geworden, procesfinanciering wordt indringend gecontroleerd, en het overgangsrecht zorgt voor aanhoudende complicaties.
De eerste eindvonnissen laten een gemengd beeld zien. Greenwashingclaims, wraakpornoclaims, dierenwelzijnsvorderingen en de klimaatzaak Bonaire zijn (deels) toegewezen. Productaansprakelijkheidsclaims, energieclaims en platformwerkclaims zijn afgewezen. Het WAMCA-stelsel werkt, maar het is geen automatische route naar schadevergoeding.
De poort naar de WAMCA: wie komt erdoor?
De ontvankelijkheidsvereisten vormen de eerste en vaak meest betwiste horde in WAMCA-procedures. De toetsing is in de loop der jaren aanzienlijk verscherpt, en de accenten verschuiven per rechtbank.
Representativiteit is het meest omstreden vereiste. In TPC/Oracle oordeelde de Rechtbank Amsterdam dat “likes” op een website niet volstaan als steunbetuigingen — een strenge maatstaf die in hoger beroep werd gecorrigeerd. Het Gerechtshof Amsterdam overwoog in TPC/Oracle hoger beroep dat de wet geen getalsmatig criterium stelt en dat de toetsing ex nunc plaatsvindt. Gebreken in de governance van een stichting kunnen dus worden hersteld. In de Nuon-Claim/Vattenfall-procedure volstond 9% feitelijke aanmeldingen bij een grote groep. Het Gerechtshof Den Haag verfijnde het vereiste voor ideële acties namens kwetsbare groepen: in NJCM&Defence for Children/Staat oordeelde het hof dat kwantitatieve representativiteit niet doorslaggevend is bij kinderen als achterban — een zekere achterban en daadwerkelijke activiteit volstaan. In de meest recente Google-zaak (SBP&SMC/Google) werd representativiteit voor het eerst getoetst aan de hand van een accountantsverklaring, de meest uitgebreide ontvankelijkheidsbeslissing tot nu toe.
Een belangrijke ontwikkeling is de toepassing van het lichte regime van art. 3:305a lid 6 BW. Organisaties met een ideëel doel die geen schadevergoeding in geld vorderen, hoeven niet te voldoen aan de zwaardere waarborgvereisten van lid 2 en 5. Dat regime is toegepast in onder meer Fossielvrij/KLM, Dier&Recht/Raad van Beheer en FTV/AbbVie. De reikwijdte is echter niet onbegrensd: de Rechtbank Gelderland oordeelde in Dierenrecht&Varkens In Nood/Gosschalk dat dierenwelzijn een “aan personen toe te rekenen belang” is, zodat het volledige WAMCA-regime van toepassing is — niet het lichte regime.
De grens van de ontvankelijkheidspoort wordt steeds scherper gemarkeerd. De Rechtbank Den Haag oordeelde in Fair Huur/Staat dat individuele eisers voortaan steeds niet-ontvankelijk worden verklaard in WAMCA-procedures. In FCIRS/Stellantis oordeelde de Rechtbank Noord-Holland dat onjuiste informatieverstrekking in de dagvaarding een zelfstandige grond voor niet-ontvankelijkheid is, zonder herstelmogelijkheid. In de EU-Turkijedeal stelde de Rechtbank Den Haag de grens tussen politieke handelingen en juridisch toetsbaar overheidsoptreden: onduidelijkheid over de klasse en onvoldoende nauwe band met de Nederlandse rechtssfeer zijn zelfstandige niet-ontvankelijkheidsgronden. En de FTV/AbbVie-einduitspraak illustreert dat zelfs wie alle WAMCA-ontvankelijkheidseisen passeert, kan stranden op het algemene belangvereiste van art. 3:303 BW: een “kale” verklaring voor recht zonder concrete remedie biedt onvoldoende rechtsbescherming.
Geld en macht: procesfinanciering onder de loep
De intensiteit van de rechterlijke toetsing van procesfinanciering is sterk toegenomen: van minimale aandacht in 2020-2021 naar indringende beoordeling van specifieke contractuele bepalingen in 2023-2025.
Het vertrekpunt is inmiddels gestandaardiseerd: de financieringsovereenkomst moet integraal aan de rechter worden overgelegd op grond van art. 22 Rv. Alleen het budget mag in de versie voor de wederpartij worden weggelakt. In de TikTok-financieringszaak verwierp de rechtbank het argument dat de overeenkomst onder het verschoningsrecht zou vallen. Transparantie richting de rechter is sindsdien de norm.
De kernvraag is zeggenschap. De claimstichting moet volledige beslismacht hebben over processtrategie en schikkingen. Problematische bepalingen zijn in de rechtspraak gesignaleerd en geschrapt: beperkingen van de vrije advocaatkeuze, verplichtingen om het advies van de financier op te volgen, en clausules die deelnemers beletten om naar een andere stichting over te stappen. In SDEJ&Car Claim/Mercedes werd voor het eerst gedetailleerd getoetst op specifieke contractuele bepalingen. De ASC/Google-uitspraak biedt de meest uitgebreide beoordeling, met expliciete verwijzing naar de Claimcode-normen.
Het scherpste oordeel kwam van het Gerechtshof Den Haag in SILC/Airbus. SILC werd niet-ontvankelijk verklaard omdat de zeggenschap feitelijk bij het commerciele advocatenkantoor DRRT en procesfinancier Rightshare lag. De combinatie van deferred fees met opslag, een ruim informatierecht voor de financier, en een waterfall-verdeling maakte van SILC een “vehikel” voor entrepreneurial lawyering. Het hof gebruikte de Claimcode 2019 Principe II — geen winstoogmerk voor verbonden partijen — als interpretatiemiddel.
Over de hoogte van vergoedingspercentages tekent zich een bandbreedte af. Het gangbare bereik ligt tussen 10% en 25%, waarbij 27,5% in de SDEJ-zaken als bovengrens wordt aangemerkt. In de Essure/Bayer-zaak formuleerde de Rechtbank Midden-Nederland een concreet handvat: bij een vergoedingspercentage boven 25% geldt een verzwaarde stelplicht voor de belangenbehartiger om de redelijkheid te onderbouwen. Mogelijk het meest normerende signaal is het obiter dictum in de TikTok-tussenuitspraak, waarin de rechtbank een maximum van vijf keer het geinvesteerde bedrag formuleerde. Dat plafond werd herhaald in de ASC/Google-zaak. Hoewel het (nog) geen bindende norm is, beinvloedt het de procesfinancieringsmarkt direct.
De invoering van art. 3:305a lid 2 sub f BW per 1 juli 2023 — ter implementatie van de Richtlijn Representatieve Vorderingen — voegt een nieuwe dimensie toe. De financier mag geen concurrent of afhankelijke zijn van de gedaagde. Dat een financier ook elders tegen dezelfde gedaagde procedeert, maakt de stichting niet afhankelijk — zo oordeelde de rechtbank in SBP/Google. De trend is helder: procesfinanciering wordt niet verboden, maar steeds strakker gereguleerd langs lijnen van zeggenschap, transparantie en proportionaliteit.
Het overgangsrecht: twee werelden naast elkaar
Het overgangsrecht is een van de meest technische maar ook meest consequentierijke thema’s in de WAMCA-rechtspraak. De peildatum van 15 november 2016 is cruciaal. Schadeveroorzakende gebeurtenissen van voor die datum vallen onder art. 3:305a (oud) BW, waarin geen schadevergoeding in geld kan worden gevorderd, geen exclusieve belangenbehartiger wordt aangewezen, en geen opt-out-regeling geldt.
De eerste systematische uiteenzetting kwam van het Gerechtshof Amsterdam in FNV/Helpling, waarin het onderscheid tussen materieel en procesrechtelijk overgangsrecht op twee niveaus werd uitgewerkt. Sindsdien zijn vier benaderingen zichtbaar geworden.
De eerste is de “initiele gebeurtenis”-benadering, die vooral in dieselemissiezaken wordt gehanteerd. In SDEJ/Volkswagen hoger beroep oordeelde het hof dat het “in Nederland in het verkeer brengen” van voertuigen de relevante gebeurtenis is — niet het ontwikkelen van de manipulatiesoftware. In SEC,SCC,SDEJ/Renault kwalificeerde de rechtbank het ontwikkelen van het manipulatie-instrument als de overkoepelende gebeurtenis.
De tweede is het gesplitste regime bij voortdurende onrechtmatige daden. In Nuon-Claim/Vattenfall oordeelde de rechtbank dat de groep die ook na 15 november 2016 geraakt werd onder de WAMCA valt, en de rest onder oud recht — het zogenaamde amendement Van Gent. Dezelfde systematiek geldt bij BCW/Allergan.
De derde is de “voortdurende inbreuk”-benadering, die met name in mededingingsrechtelijke context opkomt. In ASC/Google werd de single and continuous infringement als basis gebruikt om de WAMCA op de gehele periode van toepassing te verklaren. Dat is fundamenteel anders dan de dieselemissielijn, waar per motortype en emissienorm wordt gesplitst.
De vierde is de “reeks van gebeurtenissen”-benadering. In de Essure/Bayer-zaak oordeelde de Rechtbank Midden-Nederland dat een reeks van schadeveroorzakende gebeurtenissen — ontwerp, productie, distributie — de WAMCA temporeel van toepassing maakt zonder dat een strikte knip met het oude recht nodig is. De Rechtbank Oost-Brabant paste in SDW/drinkwaterbedrijven dezelfde logica toe bij voortdurende grondwateronttrekking.
Welke benadering van toepassing is, hangt af van het type onrechtmatigheid: bij mededingingsrecht prevaleert de continuiteitsgedachte, bij productaansprakelijkheid de initiele gebeurtenis, bij massaletsel en milieuschade de reeks of het voortduren. De consequenties zijn ingrijpend. Onder het oude recht kan geen schadevergoeding in geld worden gevorderd. Voor claimstichtingen kan het verschil tussen oud en nieuw recht het verschil zijn tussen een principiele verklaring voor recht en een procedure die daadwerkelijk tot uitkering aan individuele gedupeerden leidt. De Hoge Raad heeft in Clara Wichmann/Staat en CCC/Apple verduidelijkt dat art. 1018c Rv niet geldt in hoger beroep en cassatie.
Privacy en de WAMCA: het wachten op Luxemburg
De samenloop tussen de AVG en de WAMCA is het centrale onopgeloste juridische vraagstuk in het huidige WAMCA-landschap. Het debat spitst zich toe op een kernvraag: moet een claimstichting een opdracht van individuele betrokkenen hebben om onder art. 82 AVG schadevergoeding te kunnen vorderen?
Art. 80 AVG stelt zelfstandige ontvankelijkheidseisen naast de WAMCA-eisen, wat leidt tot een dubbele toets. De TikTok-tussenuitspraak biedt de eerste uitgebreide behandeling van die verhouding: de rechtbank oordeelde dat de WAMCA-opt-out ook geldt bij AVG-vorderingen, en dat de Nederlandse wetgever via art. 37 UAVG bewust heeft gekozen voor de mogelijkheid van collectieve schadevergoedingsvorderingen bij AVG-schendingen. In TPC/Oracle hoger beroep plaatste het hof het opdrachtvereiste bij de toewijsbaarheid en niet bij de ontvankelijkheid — een wezenlijk verschil — en oordeelde het dat punitieve schadevergoeding niet mogelijk is onder de AVG. In DPS/Facebook werd art. 80 lid 2 AVG als zelfstandige grondslag erkend.
Het antwoord ligt inmiddels bij het Hof van Justitie van de EU. De Rechtbank Rotterdam heeft in de SDBN/Amazon-zaak prejudiciele vragen gesteld: kent de AVG een eigen autonome toelatingsdrempel die de WAMCA-eisen verdringt, en kan een belangenorganisatie op grond van art. 80 lid 2 AVG schadevergoeding vorderen zonder individuele opdracht? Die verwijzing heeft directe gevolgen: in de parallelle SDBN/Adobe-zaak bleek dezelfde organisatie tegelijkertijd wel aan de AVG-eisen maar niet aan de WAMCA-eisen te voldoen — een illustratie van de spanning die het HvJEU moet oplossen. Meerdere procedures zijn in afwachting aangehouden, waaronder de Google- en Apple-zaken bij de Rechtbank Amsterdam. Steeds vaker wordt een splitsing toegepast: niet-AVG-vorderingen gaan door terwijl AVG-vorderingen worden aangehouden.
Een waarschuwend signaal voor commerciele partijen kwam uit Gokverliesterug/Kindred, waarin een commanditaire vennootschap met winstoogmerk strandde op art. 80 lid 1 AVG. Dat bevestigt dat de AVG strengere eisen stelt aan de hoedanigheid van de eisende partij dan de WAMCA alleen.
De sjoemeldiesel als proeftuin
De dieselemissiezaken tegen Volkswagen, Mercedes, Renault en Stellantis vormen de meest volgroeide WAMCA-praktijk. Door hun schaalomvang en complexiteit fungeren ze als proeftuin voor het WAMCA-procesrecht.
Een terugkerend thema is de internationale bevoegdheid. De ankergedaagde-constructie van art. 8 lid 1 Brussel I-bis wordt ruim toegepast: in SDEJ/Volkswagen hoger beroep oordeelde het hof dat de Nederlandse importeur als ankergedaagde kan dienen voor vorderingen tegen de Duitse moedermaatschappij. Maar er zijn grenzen: in SDEJ/Stellantis hoger beroep werd de rechtsmacht afgewezen voor gedupeerden die hun voertuig elders in de EU kochten. Het consumentenforum van art. 17-18 Brussel I-bis is niet beschikbaar voor claimstichtingen, zo werd bevestigd in de Apple-zaak. In de SILC/Airbus-zaak nuanceerde het Gerechtshof Den Haag de ankergedaagde-constructie bij individuele bestuurders: board members kunnen via art. 8 worden bereikt, CFO’s die niet vanuit Nederland werkten niet.
Het overgangsrecht leidt in dieselemissiezaken tot bijzondere complicaties, omdat de manipulatiesoftware doorgaans ruim voor 15 november 2016 is ontwikkeld maar de voertuigen soms pas daarna in het verkeer zijn gebracht. In de Stellantis-zaak (SEC,SCC,SDEJ/Stellantis) werd het overgangsrecht geconsolideerd met een gedetailleerde split per motortype en emissienorm.
In het meest recente stadium zijn de informatiebevelen opvallend. In SEC,Car Claim,SDEJ/Renault gaf de rechtbank het meest gedetailleerde art. 22 Rv-bevel tot nu toe: per motortype en typegoedkeuring moet informatie worden verstrekt over manipulatie-instrumenten. In de Mercedes-zaak (SDEJ&Car Claim/Mercedes) werd een geheimhoudingsregime op grond van art. 28 Rv opgelegd met een dwangsom van EUR 1.000.000. Bedrijfsgeheimen zijn geen grond voor weigering van informatieverschaffing, maar het bewijsmateriaal wordt beschermd via een geheimhoudingsregime.
De rechter als regisseur
In de afgelopen vijf jaar is een eigen procesrecht voor WAMCA-zaken ontstaan. De patronen zijn inmiddels herkenbaar, zowel in eerste aanleg als in hoger beroep.
Gefaseerde behandeling is de standaard. Eerst wordt de bevoegdheid beoordeeld, dan de ontvankelijkheid, vervolgens de aanwijzing van de exclusieve belangenbehartiger, daarna de opt-out-regeling, en ten slotte de inhoudelijke behandeling. In complexe zaken wordt een regierechter benoemd. Die structuur biedt voorspelbaarheid, maar leidt ook tot lange doorlooptijden.
Het stelsel van de exclusieve belangenbehartiger functioneert. Bij een enkele eiser is de aanwijzing doorgaans onproblematisch. De TikTok-zaak is de eerste waarin twee exclusieve belangenbehartigers zijn aangewezen: STBYP voor minderjarigen en SMC voor meerderjarigen. De Rechtbank Midden-Nederland ging in de NZa/GGZ-zaak verder: drie stichtingen werden gezamenlijk aangewezen voor een ideële vordering tegen een overheidsorgaan. In SDEJ/Volkswagen oordeelde de rechtbank dat het WAMCA-stelsel gesloten is aan de eiserskant: voeging ex art. 217 Rv is onverenigbaar met het systeem. De Hoge Raad bevestigde in Milieu en Mens/Shell die asymmetrie: voeging aan de gedaagdenzijde is wel mogelijk, aan de eiserskant niet.
De opt-out-regeling heeft een eigen dynamiek gekregen. De standaard is opt-out voor Nederlandse belanghebbenden en opt-in voor buitenlandse. In de FNV&CNV/Temper-zaak werd voor het eerst toepassing gegeven aan art. 1018f lid 1 laatste zin Rv: bij 25% opt-outs werd de procedure gedeeltelijk beëindigd. De innovatie zit in de differentiatie: de individuele schadevorderingen werden beëindigd, maar de ideële vorderingen gingen door. Bij BCW/Allergan werd de opt-out voor de buitenlandse groep afgewezen wegens onvoldoende kenbaarheid.
In hoger beroep is de procedurele architectuur inmiddels vormgegeven door het Gerechtshof Den Haag. In appellant/Staat (MTV) — de eerste hofbeslissing over WAMCA-voorvragen in appel — werd vastgelegd dat de ontvankelijkheidstoets niet opnieuw volledig hoeft te worden uitgevoerd, dat de exclusieve belangenbehartiger opnieuw wordt aangewezen (logischerwijs dezelfde), en dat de 3-maandstermijn van art. 1018c lid 3 Rv niet geldt omdat nieuwe instroom niet meer mogelijk is. In SMC/Airbnb vulde hetzelfde hof aan dat de registratieplicht in het centraal register evenmin geldt voor de appeldagvaarding.
De gerechtshoven vertonen op sommige punten divergentie. In de Volkswagen-cessiezaken oordeelde het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden in VGDES/Volkswagen dat een claimstichting een “te respecteren belang” heeft bij het vergaren van divergerende uitspraken als onderhandelingsbasis. Het Gerechtshof ‘s-Hertogenbosch bereikte in VGDES/Volkswagen de tegenovergestelde uitkomst: de cedent had zijn vordering al te gelde gemaakt, waardoor concentratie bij een hof is geboden. Die hoven-divergentie over de toelaatbaarheid van verspreid procederen is nog niet uitgekristalliseerd.
Een groeiend fenomeen is de aanhouding van procedures in afwachting van prejudiciele vragen aan het HvJEU. Tussentijds hoger beroep wordt soms toegestaan bij bevoegdheidsbeslissingen, soms afgewezen. Terugverwijzing naar de rechtbank na vernietiging in hoger beroep wordt regelmatig toegepast, zoals in de TPC/Oracle- en SEC/Mercedes-zaken.
Eerste eindvonnissen: wat levert de WAMCA op?
Na vijf jaar WAMCA is een eerste balans mogelijk. De inhoudelijke einduitspraken laten een gemengd beeld zien, en de vraag welke typen claims slagen is relevanter dan het absolute aantal.
Aan de zijde van de toegewezen vorderingen staan de greenwashingzaak Fossielvrij/KLM, de wraakpornozaak SOS/vagina.nl en de dierenwelzijnszaak Dier&Recht/Raad van Beheer. De Greenpeace/Staat (Bonaire)-uitspraak van de Rechtbank Den Haag voegt daar een nieuwe dimensie aan toe: de eerste Nederlandse toepassing van het KlimaSeniorinnen-kader van het EHRM in een collectieve actie. De rechtbank oordeelde dat de Staat zijn positieve verplichtingen uit art. 8 en art. 14 EVRM heeft geschonden ten opzichte van de inwoners van Bonaire. De ongelijke behandeling van de BES-eilanden ten opzichte van Europees Nederland vormt een zelfstandige verdragsschending.
Aan de zijde van de afgewezen vorderingen valt op dat de redenen sterk uiteenlopen. In de borstimplantatenzaak BCW/Allergan strandde de vordering inhoudelijk bij productaansprakelijkheid. In de NZa/GGZ-zaak (DBC-Vrije Praktijken/NZa) bleken de aangeleverde gegevens geen persoonsgegevens. In de STT/Triodos Bank-zaak was de sluiting van het handelssysteem voorzien in de prospectusvoorwaarden. In de Elco Foundation/Rabobank-zaak bleek bundelbaarheid bij financiële benchmarks onhaalbaar. En in de platformwerkzaak Temper werd de procedure gedeeltelijk beëindigd vanwege het hoge opt-out-percentage. Het patroon is dat de WAMCA als procedure werkt, maar de inhoudelijke drempels per rechtsgebied aanzienlijk verschillen.
Het bundelbaarheidscriterium blijkt de belangrijkste inhoudelijke scheidslijn. Bij uniforme onrechtmatige daden — dieselemissies, privacy-inbreuken, greenwashing — wordt bundelbaarheid vrijwel altijd aangenomen. Bij heterogene belangen ligt het anders: in de PFAS-zaak oordeelde de Rechtbank Den Haag dat vorderingen met wezenlijk uiteenlopende achterbannen, feitelijke grondslagen en rechtsvragen niet in een collectieve actie gebundeld kunnen worden. De Rechtbank Oost-Brabant bevestigde in SDW/drinkwaterbedrijven dat de WAMCA ook kan worden ingezet bij wettelijke aansprakelijkheid voor rechtmatig handelen — de grondslag hoeft niet onrechtmatige daad te zijn. Bij contractuele vorderingen ligt het fundamenteel anders: als de beoordeling vergt dat elke individuele overeenkomst wordt uitgelegd aan de hand van de Haviltex-maatstaf, valt de collectieve behandeling uiteen. Precies dat was aan de orde in SMC/ABN AMRO. Een principiele ommezwaai kwam van het Gerechtshof Amsterdam in TikTok hoger beroep: de rechtbank had immateriele schadevorderingen bij privacy-inbreuken niet bundelbaar geacht; het hof vernietigde dat oordeel en nam bundelbaarheid alsnog aan. Bovendien oordeelde het hof dat een nauw omschreven groep bij voortdurend onrechtmatig handelen niet temporeel mag worden afgebakend.
De Essure/Bayer-zaak bij de Rechtbank Midden-Nederland bevestigde dat immateriele schade collectief gevorderd kan worden en dat subjectieve cumulatie van collectieve en individuele vorderingen is toegestaan — een praktisch punt voor massaletselprocedures.
Wat betekent dit voor de praktijk?
De WAMCA-rechtspraak laat na vijf jaar een stelsel zien dat functioneert, maar dat aanzienlijk complexer is dan de wetgever vermoedelijk voor ogen had. De ontvankelijkheidstoets is geen formaliteit maar een substantiele horde, zeker nu procesfinanciering indringend wordt gecontroleerd en de zeggenschapseisen steeds concreter worden ingevuld. Het overgangsrecht leidt tot gesplitste regimes die procedures compliceren. En het centrale vraagstuk van de AVG-samenloop wacht op een antwoord uit Luxemburg dat de hele privacy-massaschadepraktijk zal beinvloeden.
Voor gedaagden biedt de rechtspraak aanknopingspunten om op meerdere fronten verweer te voeren: representativiteit, bundelbaarheid, overgangsrecht, procesfinanciering en bevoegdheid zijn alle effectieve verdedigingslinies gebleken. Voor claimstichtingen geldt dat governance en transparantie steeds zwaarder wegen, en dat de rechter bereid is om problematische financieringsconstructies te corrigeren maar niet om ze te negeren. Het lichte regime van art. 3:305a lid 6 BW biedt ideële organisaties een minder bezwaarlijke toegang, maar ook zij moeten concrete rechtsbescherming bieden — een zuivere verklaring voor recht zonder remedie volstaat niet.
De dieselemissiezaken illustreren waar het stelsel naartoe beweegt: gedetailleerde informatiebevelen, geheimhoudingsregimes met hoge dwangsommen, en een rechter die actief stuurt op informatiesymmetrie. De klimaatzaak Bonaire toont dat de WAMCA ook als instrument voor EVRM-toetsing van overheidsbeleid kan dienen. De droogteschadezaak laat zien dat zelfs wettelijke aansprakelijkheid voor rechtmatig handelen collectief gevorderd kan worden. Het antwoord op de vraag of de WAMCA “werkt” hangt af van het perspectief. Als instrument voor collectieve rechtsbescherming is het stelsel effectief gebleken. Als vehikel voor grootschalige schadevergoeding is de teller vooralsnog bescheiden. De komende jaren zullen bepalen in welke richting de balans doorslaat.
Dit artikel is gebaseerd op een analyse van 168 WAMCA-uitspraken met volledige tekst, afkomstig van dertien rechtbanken en gerechtshoven — van SOS/gedaagde (wraakporno) uit april 2020 tot Greenpeace/Staat (Bonaire) uit januari 2026. Alle uitspraken zijn direct te raadplegen via de hyperlinks in de tekst.
Verdere verwijzingen: ECLI:NL:HR:2020:587 (UVDTAB/Trafigura), ECLI:NL:RBAMS:2020:2842 (SOS/gedaagde), ECLI:NL:RBAMS:2022:3586 (SDEJ,Car Claim,SEC/Mercedes), ECLI:NL:RBAMS:2022:4035 (FNV&CNV/Temper ontvankelijkheid), ECLI:NL:RBAMS:2023:5310 (RCJ,CCC,ASC/Apple), ECLI:NL:RBAMS:2024:3708 (SEC,SCC,SDEJ/Renault art. 22 Rv), ECLI:NL:RBAMS:2024:4264 (ICAM/Staat GGD-datalek), ECLI:NL:RBAMS:2025:1859 (ASC/Google), ECLI:NL:RBAMS:2025:2936 (Salesforce/cookies), ECLI:NL:GHAMS:2024:2661 (TPC/Oracle terugverwijzing), ECLI:NL:RBDHA:2023:14036 (SILC&AIRS/Airbus), ECLI:NL:RBDHA:2024:14834 (Greenpeace/Staat Bonaire ontvankelijkheid), ECLI:NL:RBOBR:2022:1995 (FNV&CNV/XPO pensioen), ECLI:NL:RBNHO:2025:4867 (CCC&STEP/LG connexiteit), ECLI:NL:RBNNE:2021:5247 (VGDES/Volkswagen aanhouding), ECLI:NL:RBAMS:2024:6874 (SEC,SCC,SDEJ/Renault stelplicht), ECLI:NL:RBDHA:2025:9010 (Amnesty/Staat EU-Turkijedeal), ECLI:NL:SDBN/X Corp