Naar inhoud

Collectieve actie en massaschade (WAMCA)

Inleiding

Wanneer één gebeurtenis een grote groep gedupeerden treft, een datalek, een kartel, een misleidende prospectus of een gebrekkig product, is procederen op individuele titel vaak niet lonend. De collectieve actie bundelt die belangen in één procedure. Sinds 1 januari 2020 kan een belangenorganisatie daarin ook collectieve schadevergoeding vorderen, onder de Wet afwikkeling massaschade in collectieve actie (WAMCA). Dat maakt de toegangspoort tot de procedure, de ontvankelijkheid van de eisende stichting, tot het scherpst bevochten onderdeel. Een analyse van vijf jaar rechtspraak staat in het overzicht WAMCA-rechtspraak: vijf jaar collectieve acties.

De collectieve actie en de WAMCA

De grondslag van de collectieve actie is art. 3:305a BW: een stichting of vereniging met volledige rechtsbevoegdheid kan een vordering instellen ter bescherming van gelijksoortige belangen van anderen. Tot 2020 kon langs die weg alleen een verklaring voor recht of een verbod worden gevorderd, geen schadevergoeding. De WAMCA maakte de collectieve schadevergoedingsactie mogelijk en verving de losse regeling door een uitgewerkte procedure in art. 1018b e.v. Rv. De wet geldt voor collectieve vorderingen over gebeurtenissen die op of na 15 november 2016 hebben plaatsgevonden; voor oudere feiten blijft het oude collectief actierecht van toepassing. Een aanhangige collectieve vordering wordt ingeschreven in het centraal register voor collectieve vorderingen; andere organisaties krijgen daarna een termijn van drie maanden om voor dezelfde gebeurtenis een eigen vordering in te stellen, zodat niet meerdere procedures naast elkaar gaan lopen. Naast de WAMCA bestaat de Wet collectieve afwikkeling massaschade (WCAM, art. 7:907 BW), waarmee een tussen partijen bereikte schikking algemeen verbindend kan worden verklaard.

Ontvankelijkheid: representativiteit en waarborgen

Het zwaartepunt ligt bij de ontvankelijkheid. De WAMCA verzwaarde de eisen aan de belangenorganisatie: naast representativiteit, een voldoende grote en betrokken achterban, gelden governance- en financieringswaarborgen. Het waarborgvereiste van art. 3:305a lid 2 BW verlangt dat de belangen van de achterban voldoende zijn gewaarborgd, onder meer door een passende bestuursstructuur, een toezichthoudend orgaan, het ontbreken van winstoogmerk en transparante financiering. De Claimcode 2019 wordt daarbij als richtsnoer gebruikt. In de zaak rond de Airbus-beleggers oordeelde het Gerechtshof Den Haag dat een claimstichting zonder eigen organisatie, die voor al haar werkzaamheden en haar financiering afhankelijk is van commercieel opererende derden met een winstoogmerk, niet aan dat vereiste voldoet; de structuur kwalificeerde als entrepreneurial lawyering en de stichting werd niet-ontvankelijk verklaard (Hof Den Haag 23 december 2025, ECLI:NL:GHDHA:2025:2738).

Cruciaal is dat de uiteindelijke zeggenschap over de vordering bij de organisatie zelf blijft en niet bij de procesfinancier. In de Vattenfall-zaak toetste de rechtbank Amsterdam de financieringsovereenkomst uitvoerig aan dat uitgangspunt (Rb. Amsterdam 25 oktober 2023, ECLI:NL:RBAMS:2023:6683). Dat een aanvankelijk gebrek herstelbaar kan zijn, blijkt uit de procedure tegen Google: nadat de stichting haar representativiteit had onderbouwd en de financieringsovereenkomst zo had aangepast dat de zeggenschap bij haar kwam te liggen, werd zij alsnog ontvankelijk verklaard (Rb. Amsterdam 19 maart 2025, ECLI:NL:RBAMS:2025:1859).

De exclusieve belangenbehartiger, de nauw omschreven groep en opt-out

Zijn er meerdere organisaties voor dezelfde gebeurtenis, dan wijst de rechter één exclusieve belangenbehartiger aan die de collectieve actie voert (art. 1018e Rv); is er maar één stichting, dan wordt die aangewezen. De rechter stelt vervolgens de nauw omschreven groep van personen vast wier belangen de actie betreft en de inhoud van de vorderingen. Daarna volgt de opt-outfase: gedupeerden met woonplaats in Nederland worden in beginsel gebonden aan de uitkomst, tenzij zij binnen de gestelde termijn verklaren niet mee te willen doen. Rond dat moment kan de rechter partijen ook een termijn geven om een schikking te beproeven (art. 1018g Rv). Zo verliep het in de Google-zaak, waarin de rechtbank na de ontvankelijkverklaring de opt-out en de schikkingstermijn agendeerde.

Internationale bevoegdheid

Massaschade is vaak grensoverschrijdend, zodat de bevoegdheid van de Nederlandse rechter een eigen horde vormt. Zijn er buitenlandse gedaagden, dan kan de rechter zijn bevoegdheid ontlenen aan de gewone regels van de Brussel I-bis-verordening. De bijzondere ankergrond voor medegedaagden (art. 8, aanhef en onder 1, Brussel I-bis) geldt echter alleen voor verweerders met woonplaats in een EU-lidstaat. In de Airbus-zaak leidde dat ertoe dat de Nederlandse rechter zich onbevoegd verklaarde ten aanzien van buiten de EU wonende bestuurders (Hof Den Haag 23 december 2025, ECLI:NL:GHDHA:2025:2738). De kring van aan te spreken partijen wordt daardoor mede bepaald door hun vestigings- of woonplaats.

Collectieve schikking en afwikkeling

Loopt de procedure uit op een schikking, dan kan de rechter die op gezamenlijk verzoek van partijen vaststellen; zij bindt de hele groep behoudens opt-out. Buiten een lopende WAMCA-procedure kan een collectieve vaststellingsovereenkomst langs de weg van de WCAM (art. 7:907 BW) door het Gerechtshof Amsterdam algemeen verbindend worden verklaard. In beide routes verschuift het geschil na de ontvankelijkheids- en aansprakelijkheidsvragen naar de begroting en de verdeling van de schade over de groep.

Wat de uitkomst bepaalt

De uitkomst van een WAMCA-procedure wordt in de eerste plaats bepaald in de preliminaire fase: representativiteit, governance en de vraag of de zeggenschap over de vordering daadwerkelijk bij de organisatie ligt in plaats van bij haar financier. Wie een collectieve actie voorbereidt of zich ertegen verweert, doet er goed aan de organisatiestructuur, de financieringsovereenkomst en de afbakening van de groep vroeg en scherp op te zetten, want daar valt de beslissing over toegang tot de inhoudelijke behandeling.