Bezwaren tegen een door de rechter benoemde deskundige
Een waarderingstraject over de prijs van aandelen duurt lang, en gaandeweg raakt vaak één van beide partijen het vertrouwen in de deskundige kwijt. De raadsheer-commissaris van de Ondernemingskamer wees op 17 september 2026 de verzoeken van beide aandeelhouders af. Hieronder wat die beschikking vastlegt over het moment van het bezwaar, de maatstaf, de wettelijke ingang en het soort verwijt dat wel doel treft.
Raadsheer-commissaris wijst de verzoeken van beide aandeelhouders af
Twee aandeelhouders in een besloten vennootschap in de financiële dienstverlening waren het over de overdracht van de aandelen eens en verschilden alleen nog over de prijs. Zij vroegen de Ondernemingskamer die prijs vast te stellen, de route van artikel 2:343c BW. De Ondernemingskamer benoemde een waarderingsdeskundige, die op 6 mei 2026 zijn concept uitbracht.
Daarna liep het uit de hand. De vertrekkende aandeelhouder stelde dat de vennootschap het provisieverbod had overtreden en de directiebeloningen buitenwettelijk had verhoogd. De waardering moest daarmee rekening houden, vond hij. Hij diende tuchtklachten in tegen twee accountants. De Accountantskamer verklaarde op 9 maart 2026 één klachtonderdeel gegrond en legde een berisping op. Dat onderdeel betrof de vraag of rechtsgeldig tot verhoging van de managementvergoeding was besloten. Het klachtonderdeel over het provisieverbod wees zij af, met de overweging dat die overtreding niet vaststaat.
De overnemende aandeelhouder vroeg vervolgens om ontheffing van de deskundige en benoeming van een of twee nieuwe. Zij voerde onder meer aan dat het traject was vastgelopen, dat de deskundige een niet gemelde professionele relatie had met een partijdeskundige van de wederpartij, en dat hij buiten zijn opdracht trad door in te gaan op bezwaren die onder een eerder overeengekomen finale kwijting vielen. De vertrekkende aandeelhouder deed tegenverzoeken: inzicht in de contacten tussen de deskundige en partijen, een mondelinge behandeling, staking van de executie van een vonnis waarbij hij tot betaling van € 100.000 was veroordeeld, en een bewijs van financieringsvermogen aan de andere kant. De raadsheer-commissaris wees alles af.
Het bezwaar moet komen zodra de feiten bekend zijn
Op de eerste horde sneuvelde het verzoek al. Wie ontheffing vraagt op grond van feiten die objectief de indruk van partijdigheid kunnen wekken, moet dat doen zodra die feiten hem bekend zijn. Daaruit volgt een stelplicht die in de praktijk wordt overgeslagen. Het verzoekschrift moet toelichten wanneer en hoe de verzoeker met die feiten bekend werd. Het verzoek vermeldde alleen dat beiden blijkens openbare informatie samen waren opgetreden. Wanneer de verzoekster dat had ontdekt, bleef in het midden (r.o. 2.3).
Die eis is geen formaliteit. Wie zijn bezwaar bewaart tot het concept de verkeerde kant op wijst, gebruikt het als correctie op de uitkomst, en precies dat verhindert de regel. In wrakingszaken geldt dezelfde gedachte, en ook daar strandt een verzoek regelmatig op het moment.
Onvrede over de uitkomst is geen gebrek aan onpartijdigheid
De tweede horde is de maatstaf zelf. Twee omstandigheden lagen voor: de partijdeskundige was onbezoldigd opgetreden tijdens een kantoorseminar van de gerechtelijk deskundige, en daarvan was vooraf geen melding gemaakt. Geen van beide wekt objectief de indruk van partijdigheid, oordeelde de raadsheer-commissaris (r.o. 2.4).
Ook het verwijt dat het traject was vastgelopen hield geen stand. De deskundige had hoor en wederhoor toegepast volgens de Leidraad deskundigen in civiele zaken, en partijen hadden hun opmerkingen gemaakt. Daarmee is het aan hem om die opmerkingen zelfstandig te wegen en te verwerken. Bezwaren tegen het rapport komen daarna opnieuw aan bod bij de vaststelling van de prijs (r.o. 2.5 en 2.6). Een traject waarin partijen het oneens zijn is dus een normaal traject.
De rechtbank Overijssel formuleerde in juni 2026 dezelfde gedachte scherper. Een verzoek om een andere deskundige te benoemen voor dezelfde vraagstelling is in beginsel een herhaling van zetten die in strijd is met de goede procesorde. Dat kan anders zijn als de verzoeker aannemelijk maakt dat de bodemrechter de bevindingen met voldoende mate van waarschijnlijkheid toch niet zal volgen. Specifieke bezwaren van een partijdeskundige volstaan daarvoor niet, omdat de bodemrechter bij gegrondbevinding alsnog nader onderzoek kan gelasten (r.o. 4.7). In diezelfde zaak had de deskundige ongeveer twintig pagina's aan de bezwaren gewijd, en dat de verzoeker het oneens bleef leverde geen grond voor vervanging op.
Die afwijzingsgronden zijn niet door de rechtbank bedacht. Zij komen uit een beschikking van de Hoge Raad van 30 maart 2007 over een verzoek om een voorlopig deskundigenbericht. Uitgangspunt is dat de rechter zo'n onderzoek in beginsel moet gelasten (r.o. 3.4). Afwijzen kan als het verzoek in strijd is met een goede procesorde, als misbruik wordt gemaakt van de bevoegdheid, bijvoorbeeld wegens onevenredigheid van de over en weer betrokken belangen, of als het moet afstuiten op een ander zwaarwichtig bezwaar (r.o. 3.2).
Wanneer een partij wel van een rapport af komt, is in de rechtspraak in drie categorieën gevat: zwaarwegende bezwaren tegen de wijze waarop de deskundige heeft gewerkt, gerede twijfel over zijn deskundigheid, of een rapport dat de eisen van onpartijdigheid, consistentie, inzichtelijkheid en logica niet haalt.
Wat een gemotiveerd bezwaar dan wél oplevert, staat in het tweede arrest waarop de Overijsselse uitspraak steunt. De Hoge Raad stelde op 9 december 2011 voorop dat voor de rechter een beperkte motiveringsplicht geldt bij de beslissing de bevindingen van een deskundige al dan niet te volgen. Hij moet daarbij wel alle door partijen aangevoerde feiten en omstandigheden in aanmerking nemen, en in volle omvang toetsen of er aanleiding is van de conclusies af te wijken. Volgt hij de door hem benoemde deskundige, dan hoeft hij in het algemeen niet verder te motiveren dan dat diens motivering hem overtuigend voorkomt. Op specifieke bezwaren moet hij echter ingaan, voor zover die een voldoende gemotiveerde betwisting van de juistheid van die zienswijze inhouden. Volgt hij de deskundige niet, dan gelden in beginsel de gewone motiveringseisen (r.o. 3.4.5).
Daarmee is een bezwaar dat geen vervanging oplevert nog geen verloren bezwaar. Het verschuift naar de rechter die de zaak beslist, en die moet erop ingaan zodra het voldoende is gemotiveerd. Voor wie vervanging overweegt volgt daaruit een praktische keuze. Formuleer het bezwaar zo dat het die tweede ronde haalt, ook als het verzoek zelf sneuvelt.
Artikel 186 Rv kent twee ingangen
In de dagvaardingsprocedure loopt een vervangingsverzoek langs artikel 186 Rv. De derde horde is de keuze tussen de twee leden. Lid 4 ziet op de deskundige die de benoeming niet aanneemt, zijn taak niet naar behoren aankan of weigerachtig is. Onder lid 5 kan de rechter pas een ander benoemen nadat de zittende deskundige een nadere toelichting of aanvulling heeft kunnen geven, tenzij de rechter dat niet zinvol acht.
Het verschil is het moment. De rechtbank Overijssel wees het beroep op lid 4 af. Het verzoek kwam pas nadat het definitieve rapport bij de rechtbank was binnengekomen, en toen was een situatie als in dat lid bedoeld voorbij (r.o. 4.3). Wie de deskundige kwijt wil op de grond dat hij zijn taak niet aankan, moet dat dus doen terwijl het onderzoek loopt. Daarna resteert lid 5, met de zwaardere maatstaf hierboven.
In het waarderingstraject bij de Ondernemingskamer ligt de ingang elders, en dat verklaart mede de uitkomst. Tegen beslissingen van de Ondernemingskamer op grond van artikel 2:343c BW staat geen hogere voorziening open. Het tweede lid van dat artikel biedt partijen juist vooraf een middel. Zij kunnen bij de benoeming vragen om aanwijzingen over de waarderingsmaatstaf, de peildatum en andere omstandigheden waarmee rekening moet worden gehouden. Zijn partijen het daarover niet eens, dan beslist de Ondernemingskamer naar billijkheid.
Dat middel werkt alleen vooraf. De vertrekkende aandeelhouder vroeg later een mondelinge behandeling om de tuchtrechtelijke ontwikkelingen alsnog in de waardering te betrekken. De raadsheer-commissaris wees erop dat de regie bij de deskundige ligt en dat feiten van ná de peildatum in beginsel buiten beschouwing blijven (r.o. 2.13). De peildatum werkt daarmee als een zeef, hoe relevant latere ontwikkelingen inhoudelijk ook lijken.
Hangt de waarde wel af van een vordering van de vennootschap op een derde, dan gaf de raadsheer-commissaris een bruikbaar rekenschema mee. Vier grootheden tellen: de kans op de peildatum dat de vordering wordt ingesteld, de kans dat zij wordt toegewezen en tot welk beloop, de kans dat het toegewezen deel daadwerkelijk wordt verhaald, en de kosten die de vennootschap daarvoor maakt. Alles contant gemaakt per de peildatum (r.o. 2.6).
Een eigen belang bij de uitkomst treft wel doel
De vierde horde gaat over de aard van het verwijt, en daar ligt het verschil tussen de zaken die stranden en de enkele die slaagt. Het hof Arnhem-Leeuwarden schoof in juni 2024 een deskundigenrapport terzijde en benoemde een nieuwe deskundige. In zijn rapport over een lekkend dak adviseerde de deskundige om de nacontrole te laten doen door het bedrijf waarvan hij directeur was. Hij bood ook aan de herstelwerkzaamheden te begeleiden en stelde daarvoor een offerte in het vooruitzicht. Hoe meer herstelwerk nodig bleek, hoe langer die begeleiding zou duren, en daarmee had hij indirect een commercieel belang bij de uitkomst van zijn eigen rapportage (r.o. 2.12).
Twee dingen vallen daaraan op. Het verwijt zag niet op de inhoud van het rapport maar op de positie van de deskundige, en dat is precies het type verwijt dat de maatstaf treft. En het terzijde schuiven kwam niet ten laste van de partij die zich op het rapport beriep. Dat het onvoldoende onafhankelijk tot stand kwam, was niet aan haar te wijten (r.o. 2.13). Een geslaagd bezwaar kost dus tijd en geld, maar geen bewijspositie.
Het contact tussen partij en deskundige is de tweede categorie die ertoe doet. Wordt een partij bijgestaan door een advocaat, dan loopt de communicatie met de deskundige in beginsel via die advocaat. Van schriftelijke opmerkingen of verzoeken moet volgens artikel 190 lid 2 Rv onmiddellijk afschrift naar de wederpartij. Eenzijdige inhoudelijke correspondentie buiten de afgesproken kanalen hoort dus achterwege te blijven, en ongevraagd toegezonden zienswijzen hoeft de deskundige niet in zijn onderzoek te betrekken (r.o. 2.9). De kantonrechter in Amsterdam vatte de kern in september 2025 samen: verboden is dat een deskundige werkt met gegevens die de wederpartij niet kent, terwijl het is toegestaan dat partijen hun gegevens eerst alleen aan hem sturen en hij ze daarna aan beiden ter beschikking stelt.
De grens van de bevoegdheid van de raadsheer-commissaris werd in dezelfde beschikking zichtbaar. Het verzoek om de wederpartij de executie van een vonnis te laten staken sneuvelde op zijn bevoegdheid (r.o. 2.14), en het verzoek om een bewijs van financieringsvermogen miste een grondslag (r.o. 2.15). Beide partijen kregen ten slotte een herinnering mee: artikel 190 lid 3 Rv verplicht hen mee te werken aan het onderzoek, en de Ondernemingskamer kan aan het uitblijven daarvan de gevolgtrekkingen verbinden die zij geraden acht.
Wat betekent dit voor partijen in een waarderingstraject?
Het zwaartepunt ligt bij de benoeming. Wie een peildatum, een waarderingsmaatstaf of een specifieke instructie wil, vraagt daar bij de benoeming om. Bij een prijsvaststelling door de Ondernemingskamer biedt artikel 2:343c lid 2 BW die opening. Ook de reikwijdte van de opdracht hoort daar thuis. In de Overijsselse zaak stond een constructieve controleberekening in de begroting van de deskundige onder het kopje exclusief. Dat de verzoeker die berekening later alsnog verlangde hielp hem niet: hij had daar vóór de definitieve benoeming aandacht voor moeten vragen.
Loopt het onderzoek, dan zijn er twee sporen. Het eerste is bezwaar maken op het moment zelf, over de gang van zaken bij een schouw, over de aanwezigheid van een adviseur van de wederpartij of over eenzijdig contact. Wie dat pas in een verzoekschrift doet, krijgt tegengeworpen dat hij destijds zweeg. Het tweede spoor is de conceptfase, die daarvoor is bedoeld: opmerkingen en verzoeken, gemotiveerd en met afschrift aan de wederpartij, desgewenst onderbouwd met een eigen deskundige.
Overweegt een partij vervanging, dan is de vraag welk type verwijt zij heeft. Drie soorten verwijten raken de maatstaf: een eigen belang van de deskundige bij de uitkomst, een gebrek aan onbevangenheid bij de uitvoering, en onderzoek op stukken die de wederpartij niet kent. Onvrede over de conclusies hoort thuis bij de rechter die over de zaak beslist. Ligt het definitieve rapport er eenmaal, dan is de ingang van artikel 186 lid 4 Rv gesloten en resteert de vraag of aannemelijk is dat de bodemrechter het rapport toch al niet zou volgen. Dat is een hoge drempel, en zij is bewust hoog.
Veelgestelde vragen
Kan een deskundige worden gewraakt zoals een rechter?
De wrakingsregeling geldt voor rechters, niet voor deskundigen. Wel kan een partij de rechter vragen de deskundige te ontheffen of een andere te benoemen, en de toets daarbij lijkt op de wrakingstoets: beslissend is of feiten en omstandigheden objectief de indruk kunnen wekken dat de deskundige partijdig is. Ook de eis dat het verzoek prompt wordt gedaan, komt daaruit voort.
Wat gebeurt er met het voorschot als vervanging wordt gevraagd?
Het loon van de zittende deskundige wordt begroot en door de griffier uit het gestorte voorschot betaald. In de Overijsselse zaak gebeurde dat voor bijna € 15.000 terwijl het vervangingsverzoek nog liep. Komt er een tweede deskundige, dan hoort daar een nieuw voorschot bij, dat volgens artikel 187 Rv in beginsel door de eisende partij wordt gestort, tenzij de rechter de wederpartij of beide partijen aanwijst.
Mag een partij rechtstreeks met de deskundige bellen?
Praktische afstemming mag, inhoudelijke correspondentie buiten de afgesproken kanalen hoort achterwege te blijven. Schriftelijke opmerkingen en verzoeken gaan onmiddellijk in afschrift naar de wederpartij. De deskundige mag ongevraagd toegezonden zienswijzen buiten zijn onderzoek laten, en wat hij mondeling verneemt en wel gebruikt legt hij aan de andere partij voor.
Aangehaalde rechtspraak
Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2011:BT2921 (9 december 2011, medische aansprakelijkheid; beperkte motiveringsplicht bij het al dan niet volgen van een deskundige, maar de rechter moet ingaan op specifieke bezwaren die een voldoende gemotiveerde betwisting inhouden, en volgt hij de deskundige niet dan gelden de gewone motiveringseisen); ECLI:NL:HR:2007:AZ5448 (30 maart 2007, een voorlopig deskundigenonderzoek moet in beginsel worden gelast; afwijzing kan bij strijd met de goede procesorde, misbruik van bevoegdheid of een ander zwaarwichtig bezwaar).
Conclusies: ECLI:NL:PHR:2011:BT2921 (strekt tot vernietiging en verwijzing, terwijl de Hoge Raad het beroep verwierp; op het onderdeel over de deskundige en de motiveringsplicht liepen beide gelijk op, want de A-G achtte die klachten ongegrond onder 2.23 en 2.25, en het verschil zat in een subonderdeel over de zorgplicht tot controle); ECLI:NL:PHR:2007:AZ5448 (concludeert tot verwerping, door de Hoge Raad gevolgd).
Gerechtshoven: ECLI:NL:GHAMS:2026:2669 (Ondernemingskamer, raadsheer-commissaris, 17 september 2026, alle verzoeken van beide aandeelhouders afgewezen; het ontheffingsverzoek moet worden gedaan zodra de feiten bekend zijn en het verzoekschrift moet toelichten wanneer dat was, en feiten van ná de peildatum blijven bij de waardering in beginsel buiten beschouwing); ECLI:NL:GHARL:2024:3855 (Arnhem-Leeuwarden, 11 juni 2024, tussenarrest, de deskundige die zijn eigen bedrijf voor de nacontrole en de begeleiding aanbeveelt heeft een commercieel belang bij de uitkomst; rapport terzijde en een nieuwe deskundige, zonder dat dit ten laste komt van de partij die zich op het rapport beriep).
Rechtbanken: ECLI:NL:RBOVE:2026:4038 (Overijssel, 30 juni 2026, verzoek tot vervanging afgewezen; artikel 186 lid 4 Rv is na ontvangst van het definitieve rapport niet meer aan de orde en onder lid 5 moet aannemelijk zijn dat de bodemrechter de bevindingen niet zal volgen); ECLI:NL:RBROT:2022:9481 (Rotterdam, 26 oktober 2022, zwaarwegende bezwaren aangenomen tegen een door de Belgische rechter benoemde gerechtsdeskundige, met name op het gebied van de schijn van onpartijdigheid); ECLI:NL:RBAMS:2025:10553 (Amsterdam, kanton, 2 september 2025, mondeling tussenvonnis over hoor en wederhoor in een deskundigenonderzoek; de verplichting is gericht tot de rechter en de deskundige heeft een daarvan afgeleide verplichting, terwijl de regie over het onderzoek bij de deskundige ligt).