Naar inhoud

De wetsgeschiedenis van de geschillenregeling: van 1989 via 2012 naar de Wagevoe

2 augustus 2026Juriaan de Vries

Een belofte uit 2007 die pas in 2025 werd ingelost

In de memorie van toelichting bij het wetsvoorstel voor het flexibele bv-recht, ingediend in 2007, staat een zin die achttien jaar later zijn beslag krijgt. Over de aanbevelingen tot herziening van de geschillenregeling die de minister toen niet overnam, schrijft hij dat een deel daarvan "aan de orde kan komen in een afzonderlijk wetsvoorstel dat in een later stadium zal worden voorbereid" (Kamerstukken II 2006/07, 31 058, nr. 3, p. 17).

Dat afzonderlijke wetsvoorstel is de Wet aanpassing geschillenregeling en verduidelijking ontvankelijkheidseisen enquêteprocedure, in de praktijk de Wagevoe genoemd, in werking sinds 1 januari 2025. Vrijwel alles wat zij invoert, lag in 2004 al op tafel en is in 2007 afgewezen.

Hoe die wachttijd uitpakte, laat zich aflezen aan twee uitspraken. Twee aandeelhouders hielden ieder de helft van de aandelen en waren allebei bestuurder; de samenwerking liep stuk, de een verweet de ander wanbestuur en vorderde uitstoting. De voorzieningenrechter van de rechtbank Rotterdam wees die vordering af, omdat de verwijten zagen op het functioneren als bestuurder en de wet gedrag in de hoedanigheid van aandeelhouder eiste (Rb. Rotterdam (vzr.) 16 januari 2013, JOR 2013/98, Next Level Systems). De impasse bleef bestaan. Tweeënhalf jaar eerder was het in Leeuwarden net zo gegaan: ook daar strandde de uitstoting omdat het verwijt de bestuurder gold en niet de aandeelhouder, en wees de rechter op schorsing of ontslag als de aangewezen weg (Rb. Leeuwarden (vzr.) 30 juni 2010, ECLI:NL:RBLEE:2010:BN0523, Swisch Holding). Beide rechters pasten toe wat de wetgever had bedoeld, en beide zaken staan in de toelichting bij de wet die dat in 2025 veranderde.

1989: een norm met drie trappen en een bewuste beperking

De geschillenregeling was bedoeld voor kleine vennootschappen, waar een aandeelhouder zijn belang niet eenvoudig kan verkopen en dus vastzit als de samenwerking spaak loopt. De uitstotingsnorm kreeg drie trappen. Ten eerste moet het gedrag van de aandeelhouder het belang van de vennootschap zodanig schaden dat het voortduren van zijn aandeelhouderschap in redelijkheid niet kan worden geduld; grondslag is het vennootschappelijk belang en niet het belang van de verzoeker, en enkel hinderlijk of zelfs onaanvaardbaar gedrag is op zichzelf onvoldoende. Ten tweede moet het gaan om gedrag in de hoedanigheid van aandeelhouder. Ten derde geldt een redelijkheidstoets, waarin de rechter het belang van de aandeelhouder om te blijven afweegt tegen het vennootschappelijk belang dat met vertrek is gediend (Kamerstukken II 2023/24, 36 469, nr. 3, p. 2).

De tweede trap was een keuze met een expliciete motivering. Gedragingen buiten de hoedanigheid van aandeelhouder die de vennootschap schaden, konden ook op andere wijze worden geredresseerd: met een actie tot het verbieden van de gedraging, of tot schadevergoeding (36 469, nr. 3, p. 12, verwijzend naar Kamerstukken II 1984/85, 18 905, nr. 3, p. 16 tot 17). Uitstoting was niet nodig, omdat het vermogensrecht al een remedie bood.

Die grens knelde. Schade aan de goede naam en faam die niet rechtstreeks samenhangt met het functioneren binnen de vennootschap kon geen uitstoting dragen, en hetzelfde gold voor de aandeelhouder die als concurrent optrad (36 469, nr. 3, p. 11). Bij uittreding koos de wetgever spiegelbeeldig: daar gaat het om schade aan de eigen rechten en belangen, en daar heeft de hoedanigheidseis nooit gegolden. Die asymmetrie verklaart waarom de wet van 2025 alleen aan de uitstotingskant hoefde in te grijpen.

2003 tot 2008: het pakket ligt op tafel en wordt doorgeschoven

Het traject begint in het najaar van 2003, wanneer de minister van Justitie en de staatssecretaris van Economische Zaken een expertgroep instellen onder voorzitterschap van De Kluiver, met de opdracht knelpunten in het bv-recht in kaart te brengen. Die groep noemt een goede geschillenregeling een noodzakelijk sluitstuk voor een evenwichtig bv-recht. De Commissie vennootschapsrecht sloot zich daarbij aan op 21 juni 2004, en in september 2004 volgde nader overleg aan de hand van een ambtelijke notitie met vraagpunten (31 058, nr. 3, p. 17). Aanleiding was onder meer dat er sinds 1989 "slechts circa 15 procedures" waren gevoerd.

De Commissie adviseerde een verkorte procedure voor het geval alleen over de prijs geschil bestaat, wat artikel 2:343c BW is geworden, en gaf in overweging het uitstotingsrecht onder te brengen in het enquêterecht en voor uittreding één feitelijke instantie bij de ondernemingskamer in te richten. In juni 2005 draaide een meerderheid van de Commissie op dat laatste bij en gaf de voorkeur aan een gespecialiseerde rechtbank, met hoger beroep over de prijs bij de ondernemingskamer (31 058, nr. 3, p. 18 tot 20). De Raad van State nam daar geen genoegen mee: hij vond de voorgestelde wijzigingen wenselijk maar vroeg zich af of daarmee kon worden volstaan, en wees op een procedure in één feitelijke instantie met aanwijzing van één feitelijke rechter (31 058, nr. 4, p. 10).

Vijf voorstellen halen het wetsvoorstel niet

De toelichting somt op wat niet is gevolgd: verruiming van de gronden voor uitstoting, de vordering door de vennootschap, wijziging van het toepassingsbereik voor de naamloze vennootschap, één gespecialiseerde rechtbank dan wel onderbrenging in het enquêterecht, en omzetting naar een verzoekschriftprocedure (31 058, nr. 3, p. 21). De afwijzing van certificaathouders staat een pagina verder, omdat hun positie "te zeer verschilt van die van gewone aandeelhouders" (31 058, nr. 3, p. 22); in 2008 wordt die afwijzing herhaald (Kamerstukken II 2008/09, 31 058, nr. 6, p. 41).

De motiveringen zijn opvallend ongelijk van gewicht. Over de verruiming van de uitstotingsgronden staat er niet meer dan dat "het enigszins buiten de discussie valt zoals die totnogtoe over het bv-recht is gevoerd". Over concentratie: daarvoor "moeten zwaarwegende gronden aanwezig zijn, hetgeen in dit geval naar mijn oordeel niet het geval is". En over de procesvorm: omzetting "zou zich niet goed verdragen met de door het wetsvoorstel gecreëerde mogelijkheid om in de procedure ook schadevergoedingsvorderingen in te stellen".

Vier van die vijf zijn in 2025 alsnog wet geworden. Alleen het onderbrengen van uitstoting in het enquêterecht is opnieuw afgewezen.

Samenhangende vorderingen waren de reden voor twee instanties

Dit is het scharnier van de hele geschiedenis. In 2008 zet de regering de consequentie er zelf bij:

Zou de geschillenregeling worden beperkt tot één feitelijke instantie, dan zou de mogelijkheid om schadevorderingen in de procedure te betrekken uit het wetsvoorstel geschrapt moeten worden. Daarmee zou een belangrijke verbetering in de geschillenregeling worden losgelaten.

(31 058, nr. 6, p. 23.) In 2025 kiest de wetgever voor allebei en lost hij het conflict op met de splitsingsbevoegdheid van artikel 2:336a lid 7 BW. Dat lid is het antwoord op dit bezwaar uit 2008.

In datzelfde stuk wijst de regering het voorstel af om voor uitstoting aan te sluiten bij de redelijkheid en billijkheid van artikel 2:8 BW. Omdat de regeling ziet op verlamde besluitvorming, ligt het in de rede aan te sluiten bij gedrag in de hoedanigheid van aandeelhouder (31 058, nr. 6, p. 23). Precies die koppeling verbreekt de wet van 2025.

Bij het woord afgewezen past één nuancering. Van de zestien amendementen bij het flexibele bv-recht raakte er geen enkele de geschillenregeling. De Tweede Kamer heeft er dus nooit over gestemd; het debat is volledig in verslag en nota gevoerd, tussen regering en adviseurs.

2012: het enquêterecht legt twee kiemen

De eerste kiem: een toezegging over definitieve overdracht

Bij de Wet aanpassing enquêterecht vroeg de VVD-fractie of de ondernemingskamer een definitieve overdracht van aandelen zou moeten kunnen bevelen. Het antwoord bevat de dogmatische kern: bij een enquête richt het verzoek zich tot de rechtspersoon, waardoor de aandeelhouder niet vanzelfsprekend partij is, terwijl onteigening vergt dat hij zich in rechte kan verdedigen op grond van artikel 6 EVRM en artikel 1 van het Eerste Protocol. Daarop volgt:

Ik wil graag bezien of een oordeel van wanbeleid in de enquêteprocedure tot gevolg kan hebben dat toegang bestaat tot een vereenvoudigde geschillenregeling, die leidt tot een definitieve aandelenoverdracht.

(Kamerstukken II 2011/12, 32 887, nr. 6, p. 6.) Dat is de constructie die het voorontwerp van 2019 zou uitwerken, de conceptversie die vóór indiening ter consultatie werd voorgelegd.

Twee dingen die vaak worden overzien. Concentratie bij de ondernemingskamer was toen al mogelijk als opt-in: partijen konden vooraf afspreken hun geschil rechtstreeks aan de ondernemingskamer voor te leggen, met overslaan van de rechtbank. En de verzoekschriftvorm bestond al voor de onbetwiste prijsroute van artikel 2:343c BW, "zoals passend is voor een procedure die niet uitgaat van een conflict tussen partijen" (31 058, nr. 3, p. 113). Nieuw in 2025 zijn de exclusiviteit en de uitbreiding naar het contentieuze deel.

De tweede kiem: drempels die niemand had doorgerekend

Dezelfde wet stelde de kapitaaleisen voor de enquête opnieuw vast, en de wetgever is over de herkomst daarvan ongewoon openhartig:

De keuze voor de grens van 1%, € 22,5 miljoen en € 20 miljoen is tot op zekere hoogte willekeurig.

(32 887, nr. 3, p. 27.) Die ene procent is ontleend aan het agenderingsrecht van artikel 2:114a BW. De 22,5 miljoen is teruggerekend: bij dat geplaatste kapitaal komt één procent overeen met de oude grens van 225.000 euro. En de twintig miljoen beurswaarde komt niet van de regering en zelfs niet van de SER als geheel, maar van de adviserende leden, de vertegenwoordigers van aandeelhoudersorganisaties. Het beeld dat de wetgever in 2013 de toegang eenzijdig dichtzette, klopt dus maar half.

De regering heeft het risico dat in 2025 moest worden gerepareerd bovendien zelf benoemd. Zij overwoog de nominale drempel voor kleine vennootschappen te schrappen en zag daarvan af "omdat de kans bestaat dat daarmee ongewild toch een beperking optreedt van de toegang tot de enquêteprocedure" (32 887, nr. 3, p. 28). Zo'n onbedoelde beperking ontstond vervolgens bij beursvennootschappen ónder de 22,5 miljoen, die het beurswaardecriterium niet konden inroepen. Het risico was benoemd en aan de verkeerde categorie toegeschreven. De nominale waarde per aandeel is in het hele dossier van 2011 en 2012 nergens ter sprake gekomen.

Eén onderdeel van de huidige wettekst komt van een Kamerlid. De woorden "volgens de slotkoers op de laatste handelsdag voor indiening van het verzoek" zijn amendement Van der Steur van 3 april 2012, met algemene stemmen aangenomen omdat de toelichting uitging van een koers die op het moment van indiening nog niet vaststaat. Die formulering is in 2025 ongewijzigd meegenomen naar het nieuwe onderdeel d van artikel 2:346 lid 1 BW. Wie in oudere stukken naar dat onderdeel d zoekt, komt overigens bij een ander leerstuk uit: tot 2025 stond daar de rechtspersoon van artikel 2:344 BW, en de drempelgeschiedenis zit onder onderdeel c.

2019: het voorontwerp houdt geen stand

De Wet aanpassing enquêterecht verlangde een evaluatie binnen drie jaar, dus uiterlijk 1 januari 2016. Het onderzoek van Tilburg University in opdracht van het WODC verscheen begin 2018. Die vertraagde evaluatie signaleerde het drempelprobleem en leidde tot de expertbijeenkomst van 10 september 2018, waar het gevoelen was dat de geschillenregeling niet van wezenlijke waarde is voor de praktijk (36 469, nr. 3, p. 6). Van 22 augustus tot 22 november 2019 lag het voorontwerp ter consultatie, met veertien reacties.

Zeventien processtappen

De Raad voor de rechtspraak rekende voor wat de voorgestelde route zou kosten en zette haar schematisch uit, van a tot en met q. Eerst de hele enquête: verzoekschrift met onmiddellijke voorzieningen, verweerschriften, mondelinge behandeling, toewijzende beschikking, onderzoek, deponering van het verslag, tweedefaseverzoek, opnieuw verweerschriften, opnieuw mondelinge behandeling, en de vaststelling van wanbeleid met voorzieningen. Pas daarna begint de vereenvoudigde geschillenregeling, met dagvaarding, conclusie van antwoord, mondelinge behandeling, tussenarrest, deskundigenbericht, akte en eindarrest. Zeventien stappen in totaal. De Raad concludeert dat tijd en geld daarvoor vaak in geen verhouding staan tot de draagkracht van de onderneming en de aandeelhouders.

Van Doorne onderbouwde het bezwaar empirisch: uit het jaarverslag van de ondernemingskamer over 2018 volgt dat tegenover 98 eerstefaseverzoeken 78 intrekkingen of schikkingen stonden. Aandeelhoudersgeschillen worden in de praktijk beslecht onder druk van de enquête en de onmiddellijke voorzieningen, en het voorontwerp raakte die dynamiek niet.

De overige respondenten vielen het kernonderdeel elk op een andere grond aan. De Gecombineerde Commissie Vennootschapsrecht van de NOvA en de KNB vreesde dat het door de lange aanlooptijd "niet (veel) zal bijdragen aan een snelle en efficiënte toegang tot de rechter in aandeelhoudersgeschillen". Boels Zanders wees erop dat de enquête-omweg juist wordt gestimuleerd. Van Benthem en Keulen betoogde dat in de onderzoeksfase de beginselen van behoorlijk procesrecht niet gelden. Wintertaling wees op het ontbreken van hoger beroep tegen een oordeel waaraan de aandeelhouder part noch deel had.

De Raad voor de rechtspraak bestrijdt de dogmatische kern

Op nog een ander punt gaat het advies van 25 november 2019 het verst. De Raad schrijft dat in de toelichting "onvoldoende wordt onderkend dat de enquêteprocedure bij de OK is omkleed met waarborgen die voldoen aan artikel 6 EVRM", en somt op: twee fasen met een onderzoek ertussen, hoor en wederhoor, de raadsheer-commissaris, een brede kring belanghebbenden, drie beroepsrechters plus twee deskundige leden, en de mogelijkheid van getuigenbewijs.

Vervolgens noemt hij de dragende gedachte van de minister onjuist: dat de aandeelhouder in de enquête niet vanzelfsprekend partij zou zijn. Alle aandeelhouders worden steevast als belanghebbenden opgeroepen. Het Instituut voor Ondernemingsrecht van de Rijksuniversiteit Groningen kwam langs een eigen weg tot dezelfde slotsom: de enquête doet wat processuele waarborgen betreft "niet onder" voor de voorgestelde procedure.

Daarmee viel de rechtvaardiging weg die de constructie van 2012 droeg. De Raad stelde er twee dingen voor in de plaats: een gecombineerd processtuk waarin enquêteverzoek en uitstotings- of uittredingsvordering samenkomen, en aanwijzing van de ondernemingskamer als enige feitelijke instantie, waarbij het verlies van twee instanties "geen klemmend tegenargument" is. Beide zijn in 2025 gerealiseerd. Houthoff bepleitte in zijn reactie hetzelfde stelsel, inclusief de uitzondering voor vennootschappen "met een notering op een aandelenbeurs binnen of buiten de Europese Unie".

Het alternatief dat opnieuw sneuvelde

Twee respondenten kwamen onafhankelijk van elkaar met dezelfde oplossing: schrap de vereenvoudigde procedure en voeg uitstoting en uittreding toe als voorziening aan artikel 2:356 BW. Evers Soerjatin motiveerde dat met efficiëntie en met de waarborg van een rechterlijk wanbeleidsoordeel in plaats van een oordeel van de onderzoeker; het Instituut voor Ondernemingsrecht met de weerlegging van de waarborgredenering. Dat is dezelfde gedachte die de Commissie vennootschapsrecht in 2004 al had geopperd, en zij is in 2023 opnieuw afgewezen, nu met het argument dat dan ook de vennootschap zelf, de werknemersorganisatie en de advocaat-generaal om uitstoting zouden kunnen verzoeken (36 469, nr. 3, paragraaf 6.1).

Wat de consultatie er juist bij bracht

Niet alles wat de consultatie opleverde was afbraak. De opening voor certificaathouders stond niet in het voorontwerp en is daar bepleit. De Gecombineerde Commissie Vennootschapsrecht wees erop dat de ondernemingskamer de uittredingsregeling kort daarvoor naar analogie op certificaathouders had toegepast, dat die uitspraak onzekerheid meebracht over toekomstige gevallen, en dat het daarom voor de hand lag dat de wetgever duidelijkheid schiep.

Wintertaling beschreef het onderliggende probleem. Certificaathouders zijn "min of meer gevangen", omdat de wet het administratiekantoor niet de mogelijkheid biedt namens hen uit te treden, en het bestuur daartoe ook niet verplicht is. Wie wel procedeert, kan dat alleen tegen het administratiekantoor, met als uitkomst dat bij toewijzing alle certificaathouders hun belang verliezen, ook de onschuldige. Dat is het probleem dat de wetgever in 2024 alsnog oploste.

De weg die niet is ingeslagen: uittreden zonder schuldige

Naast de kritiek op de constructie liep door de consultatie een tweede lijn, die in de uiteindelijke wet geen spoor heeft nagelaten. Meerdere respondenten bepleitten een grond voor uittreding of uitstoting bij duurzame ontwrichting of gewichtige redenen, dus zonder dat een schuldige valt aan te wijzen.

De Raad voor de rechtspraak werkte het uit. Kleinere ondernemingen zijn vaak een samenwerking tussen twee, drie of vier aandeelhouders die tevens bestuurder zijn, en aan een duurzame ontwrichting ligt vaak een verschil in bijdrage of karakter ten grondslag. Een schuldige is dan lang niet altijd aan te wijzen. De Raad vroeg zich af of het fair is dat wie om redenen van persoonlijke onmin in ongenade is gevallen moet vertrekken, en opperde dat wie uittreedt en de anderen op een ongelegen moment tot overname dwingt, redelijkerwijs iets minder dan de marktwaarde zou kunnen krijgen.

Boels Zanders formuleerde het bezwaar tegen de schuldeis het scherpst: als er een schuldige nodig is, moet een duurzaam ontwrichte samenwerking eerst verder escaleren tot iemand een grens overschrijdt, terwijl een goede geschillenregeling die escalatie juist zou moeten voorkomen. De Nederlandse Vereniging van Participatiemaatschappijen bepleitte hetzelfde voor situaties waarin de ontwrichting niet aan één aandeelhouder is toe te schrijven, en Van Benthem en Keulen stelde voor naast verwijtbare gedragingen ook situaties of verhoudingen binnen de vennootschap als grond op te nemen, waarbij schuld dan bij de prijsbepaling zou meewegen.

De wetgever hield vast aan een maatstaf die om gedragingen draait. Wie vandaag uittreding of uitstoting vraagt, moet nog steeds gedrag aanwijzen. Dat is, na de vijf voorstellen van 2007, de tweede grote weg die niet is ingeslagen.

2020: wat de Commissie vennootschapsrecht tegenhield en waarvoor zij tevergeefs waarschuwde

Na verwerking van de consultatie ging het voorstel naar de Commissie vennootschapsrecht, die op 28 september 2020 adviseerde. Twee van haar adviezen zijn overgenomen. Drie waarschuwingen en één aanbeveling zijn dat niet.

Overgenomen is dat de verruiming van de uitstotingsgrond niet wordt doorgetrokken naar artikel 2:342 BW, de procedure waarin het stemrecht van een stemgerechtigde pandhouder of vruchtgebruiker overgaat op de aandeelhouder. De Commissie wees op de adequate werking van het zekerheidsrecht: een te gemakkelijke doorkruising van het pandrecht is in het handelsverkeer niet gewenst. Ook overgenomen is haar advies om bij de uittreding aan te sluiten bij de rechtspraak van de ondernemingskamer in plaats van de wettekst te wijzigen. En van haar komt de verduidelijking dat niet alleen zakelijk wangedrag meetelt: de Commissie adviseerde in de toelichting op te nemen dat ook privégedragingen het vennootschappelijk belang zodanig kunnen schaden dat het aandeelhouderschap niet langer kan worden geduld, met de kanttekening dat het dan, gelet op de bescherming van eigendom, wel om ernstige gedragingen moet gaan. Het woord privépersoon in de toelichting is daarop terug te voeren.

Bij datzelfde artikel 2:342 BW liet zij een vraag achter die onbeantwoord is gebleven. Tegenover de gedwongen overgang van stemrecht staat geen vergoeding. Bij invoering van de regeling merkte de minister op dat bepaling van de waarde van het stemrecht, zo die er is, "buitengewoon moeilijk, zo niet onmogelijk" is (Kamerstukken II 1984/85, 18 905, nr. 3, p. 25). De Commissie betwijfelde of dat nog steeds geldt en vroeg in de toelichting aandacht voor de verhouding tot artikel 1 van het Eerste Protocol. Die aandacht is er niet gekomen.

De tweede waarschuwing betreft juist de meest geprezen vernieuwing. Als het administratiekantoor wordt veroordeeld de certificaten van uittredende certificaathouders over te nemen, kan de merkwaardige situatie ontstaan dat er naast het administratiekantoor geen economisch gerechtigden meer zijn. Bovendien kan zo'n kantoor die overname in de regel niet zelf financieren; dat zal in overleg met de vennootschap moeten gebeuren. De Commissie adviseerde de rechtspraak ruimte te laten, maar in de toelichting te vermelden dat de financiering een belangrijke factor moet zijn. Voorkomen moet worden, schrijft zij, dat het administratiekantoor wordt veroordeeld tot iets dat het niet kan nakomen.

De derde waarschuwing gaat over de opbrengst van de hele operatie. De Commissie herinnerde eraan dat de minister in 2008 had gesteld dat de mogelijkheid om schadevorderingen te betrekken zou moeten worden geschrapt als de procedure in één feitelijke instantie werd afgedaan. Daaraan voegde zij toe dat het effect van die beperking tot één instantie gering zal zijn wanneer de ondernemingskamer vaak van de splitsingsmogelijkheid gebruik moet maken.

Eén advies haalde het evenmin: onderzoek naar een uitkooprecht voor minderheidsaandeelhouders, spiegelbeeldig aan de uitkoopregeling. Bij invoering daarvan is van zo'n recht afgezien omdat de geschillenregeling die behoefte zou wegnemen, en de minister zegde op 1 maart 1988 in de Eerste Kamer toe het opnieuw te bezien zodra ervaring was opgedaan.

2023 en 2024: van nader rapport tot hamerstuk

De Afdeling advisering van de Raad van State adviseerde op 28 juni 2023, en dat advies raakte uitsluitend de toelichting. Die steunde voor artikel 1 EP EVRM alleen op HR 8 december 1993, NJ 1994/273 (Van den Berg) en liet het vrij verkeer van kapitaal van artikel 63 VWEU onbesproken (36 469, nr. 4, p. 2). Het nader rapport vulde beide aan, met EHRM 14 september 2021, Pintar e.a. tegen Slovenië, en met een rechtvaardigingstoets. De regeling zelf bleef ongewijzigd (36 469, nr. 4, p. 3).

Dat het nader rapport van 31 oktober dateert en het voorstel pas op 13 november 2023 werd ingediend, heeft een reden die alleen uit de interne beslisnota blijkt: het kabinet was demissionair, zodat de stukken eerst in de ministerraad moesten worden behandeld.

In de Tweede Kamer stelden de PVV, GroenLinks-PvdA en de VVD vragen. Twee daarvan hebben de wet veranderd, allebei via de nota van wijziging van 10 april 2024. Op vragen van de VVD-fractie over het onderscheid tussen groepen certificaathouders verruimde de minister de kring tot alle certificaathouders, ook houders van niet-bewilligde certificaten bij de NV en certificaathouders zonder vergaderrecht bij de BV (36 469, nr. 6, p. 9 en 36 469, nr. 7, p. 2). Aanleiding was onder meer dat de ondernemingskamer de uittredingsregeling al eens naar analogie had toegepast op ruziënde certificaathouders (OK 24 september 2019, ECLI:NL:GHAMS:2019:3555). Op verzoek van diezelfde fractie is een evaluatiebepaling toegevoegd.

Voor de reikwijdte van de certificaathoudersregeling is dus de nota van wijziging beslissend, en niet de memorie van toelichting, die nog de smalle kring beschrijft.

Beide Kamers namen het voorstel als hamerstuk aan, op 16 mei en 4 juni 2024, zonder beraadslaging en zonder stemming. Amendementen zijn niet ingediend. De inhoudelijke wetsgeschiedenis van deze wet bestaat daarmee volledig uit de memorie van toelichting, de nota naar aanleiding van het verslag en de nota van wijziging.

2025: wat het is geworden

De procedure is verhuisd. Uitstoting, uittreding en de overgang van stemrecht worden sinds 1 januari 2025 ingeleid met een verzoekschrift in plaats van een dagvaarding, en behandeld door de ondernemingskamer van het gerechtshof Amsterdam in één feitelijke instantie. Tegen haar beschikking staat alleen cassatie open; de rechtbank komt er niet meer aan te pas. Daarmee is uitgevoerd wat de Commissie vennootschapsrecht in 2004 in overweging gaf, waarop de Raad van State in 2007 aandrong en wat de Raad voor de rechtspraak in 2019 opnieuw aanbeval.

Inhoudelijk is de norm op één punt verruimd. Artikel 2:336a lid 1 BW luidt sindsdien dat de ondernemingskamer overdracht kan bevelen wanneer een aandeelhouder "door zijn gedragingen al dan niet in hoedanigheid van aandeelhouder het belang van de vennootschap zodanig schaadt of heeft geschaad, dat het voortduren van zijn aandeelhouderschap in redelijkheid niet kan worden geduld". De reden voor het schrappen van de hoedanigheidseis is dat het onwenselijk was te moeten wachten tot het conflict zich uitbreidde naar de algemene vergadering (36 469, nr. 3, p. 13).

Hoe ver dat reikt staat in de nota naar aanleiding van het verslag. Op de vraag van de PVV-fractie of gedrag uit het verleden kan worden opgerakeld:

[E]en aandeelhouder [kan] niet uit een vennootschap worden gestoten enkel vanwege misdragingen in het verleden als bestuurder van een andere (concurrerende) vennootschap. Hoewel het wetsvoorstel het mogelijk maakt dat dergelijk gedrag mede in aanmerking kan worden genomen in het kader van de uitstotingsregeling, is zulk gedrag op zichzelf genomen onvoldoende.

(36 469, nr. 6, p. 2.) De eerste en derde trap uit 1989 blijven dus staan: schade aan het vennootschappelijk belang, gevolgd door de belangenafweging. Alleen de tweede is vervallen.

Ook de tweede kiem uit 2012 komt in 2025 uit, en daar raken de twee sporen elkaar. Beursvennootschappen zijn uit de geschillenregeling gehaald: die geldt voortaan alleen voor niet-beursgenoteerde naamloze en besloten vennootschappen, een afbakening die pas na de consultatie is toegevoegd (36 469, nr. 6, p. 8). In de praktijk gaat het om een handvol vennootschappen; van de ongeveer 440.315 Nederlandse BV's hebben er vier aandelen of certificaten op een gereglementeerde markt, en geen van hen heeft ooit een geschillenregelingsprocedure gevoerd.

Tegelijk krijgen kapitaalverschaffers van diezelfde beursvennootschappen ruimere toegang tot de enquête. Het nieuwe onderdeel d van artikel 2:346 lid 1 BW geeft hun, ongeacht de omvang van de vennootschap, één procent van het geplaatste kapitaal of twintig miljoen euro beurswaarde als van elkaar te onderscheiden alternatieve criteria (36 469, nr. 3, p. 29). Daarmee vervalt de klem die in 2013 ontstond bij beursvennootschappen met een geplaatst kapitaal onder de 22,5 miljoen. De wet stuurt beursvennootschappen dus weg bij de regeling die voor besloten verhoudingen is bedoeld, en laat hen toe tot de procedure die op de vennootschap zelf ziet.

In het eerste jaar doet de ondernemingskamer met de nieuwe bepalingen wat de wetgever voor ogen stond. Zij formuleert de uitstotingsnorm in de bewoordingen van het nieuwe eerste lid (ECLI:NL:GHAMS:2025:2275, r.o. 3.15), certificaathouders gebruiken hun nieuwe route (ECLI:NL:GHAMS:2026:411), en het overgangsrecht wordt strikt toegepast, waarbij beslissend is of de dagvaarding vóór 1 januari 2025 rechtsgeldig is betekend (ECLI:NL:GHAMS:2025:2912, r.o. 4.2).

De splitsingsbevoegdheid die het bezwaar uit 2008 moest ondervangen, wordt ook daadwerkelijk gebruikt. In september 2025 splitste de ondernemingskamer de samenhangende vorderingen af omdat het aantal partijen en de omvang van het geschil een spoedige beslissing in de weg stonden (ECLI:NL:GHAMS:2025:2606). Daarmee is de waarschuwing van de Commissie vennootschapsrecht toetsbaar geworden: als splitsing regel wordt in plaats van uitzondering, levert de concentratie in één feitelijke instantie minder op dan ervan werd verwacht.

Waarom het achttien jaar duurde

Het dossier geeft daar antwoord op, en dat antwoord is prozaïscher dan een principieel meningsverschil. In 2007 mocht de herziening van het bv-recht geen vertraging oplopen, dus werden alleen "de meest prangende knelpunten" opgelost. De rest vergde volgens de regering "een meer fundamentele herbezinning op de geschillenregeling" en werd doorgeschoven naar een herbezinning die bij brief van 12 november 2007 werd aangekondigd (31 058, nr. 6, p. 22).

Daarna hield één bezwaar het tegen: de samenhangende schadevorderingen die twee feitelijke instanties leken te vereisen. Dat bezwaar is in 2025 procedureel ontweken met een splitsingsbevoegdheid. Wat de Wagevoe onderscheidt van het wetsvoorstel van 2007 is dus vooral die procesrechtelijke constructie.

De inhoudelijke rechtvaardiging die er in 2012 bij kwam, namelijk dat de aandeelhouder in de enquête niet vanzelfsprekend partij is, hield in de consultatie van 2019 geen stand. Zij komt in de memorie van toelichting van 2023 dan ook niet meer voor. Sterker, artikel 6 EVRM heeft daar van functie gewisseld: waar het in 2012 verklaarde waarom definitieve overdracht geen enquêtevoorziening kon zijn, dient het in 2023 om te onderbouwen dat één feitelijke instantie volstaat, omdat dat artikel en artikel 1 EP "overigens niet [verplichten] tot een behandeling in twee feitelijke instanties" (36 469, nr. 3, p. 17).

Drie draden blijven hangen. Het uitkooprecht voor minderheidsaandeelhouders, waarover in 1988 een heroverweging werd toegezegd, is er ook nu niet gekomen. De vraag hoe de gedwongen overgang van stemrecht zonder vergoeding zich verhoudt tot het eigendomsrecht is gesteld en niet beantwoord. En de uittreding zonder schuldige, waarvoor in 2019 van vier kanten is gepleit, bleef buiten de wet.

De wet bevat wel een eigen ijkpunt: binnen vijf jaar na inwerkingtreding gaat een verslag over de doeltreffendheid naar de Staten-Generaal (36 469, nr. 7, p. 3), dus uiterlijk 1 januari 2030. Gezien het voorgaande is dat minder een sluitstuk dan een volgende afspraak.