Gaat een aandeelhoudersovereenkomst voor op de statuten?
Twee partijen houden gezamenlijk een besloten vennootschap: de een 50,25 procent van de aandelen, de ander 49,75 procent. De meerderheidsaandeelhouder wenst de samenwerking te beëindigen en laat de aandeelhoudersvergadering met een gewone meerderheid tot ontbinding van de vennootschap besluiten. De statuten staan dat toe. De aandeelhoudersovereenkomst schrijft echter voor dat een ontbindingsbesluit ten minste 60 procent van de stemmen vergt, en bepaalt dat zij bij afwijking voorgaat op de statuten. De rechtbank Rotterdam vernietigt het besluit (ECLI:NL:RBROT:2024:11834). Gaat de aandeelhoudersovereenkomst daarmee voor op de statuten? Het antwoord is genuanceerder dan een eenvoudige rangorde. Om het te doorgronden dient eerst helder te zijn op welke wijze een besluit kan worden aangetast, want dat bepaalt wat een aandeelhoudersovereenkomst vermag en wat niet.
Wanneer is een aandeelhoudersbesluit nietig, en wanneer vernietigbaar?
Een gebrekkig besluit is niet zonder meer ongeldig. De wet kent twee sancties, met uiteenlopende gevolgen.
Een besluit is nietig indien het in strijd is met de wet of de statuten, tenzij uit de wet anders voortvloeit (art. 2:14 lid 1 BW). Nietigheid betekent ongeldigheid van rechtswege: rechtens is er nooit een besluit geweest. Dit betreft in de eerste plaats besluiten die inhoudelijk niet zijn toegestaan, bijvoorbeeld omdat een orgaan een beslissing neemt die de statuten niet toelaten of die zijn bevoegdheid te buiten gaat. Dezelfde systematiek geldt voor elke rechtspersoon: toen bij een vereniging een commissie van beroep zelfstandig een sanctie oplegde terwijl de statuten die bevoegdheid uitsluitend aan het bestuur toekenden, was dat besluit nietig wegens strijd met de statuten (art. 2:14 lid 1 BW) (ECLI:NL:RBLIM:2026:1540). In de gepubliceerde rechtspraak is deze zuiver inhoudelijke strijd betrekkelijk zeldzaam, omdat veel geschillen over strijd met de statuten bij nadere beschouwing de wijze van totstandkoming betreffen, hetgeen een ander spoor volgt (zie hierna).
Daarnaast is een besluit nietig indien het is genomen zonder een door de wet of de statuten voorgeschreven voorafgaande handeling van, of goedkeuring door, een ander orgaan of een derde (art. 2:14 lid 2 BW). Zo behoefde in een concern een statutenwijziging door de algemene vergadering een voorstel van de vergadering van houders van prioriteitsaandelen, en behoefde een bestuursbesluit de goedkeuring van de algemene vergadering. Ontbraken die, dan waren de besluiten nietig, maar konden zij nadien door dat andere orgaan worden bekrachtigd (ECLI:NL:RBNHO:2018:7064). De bevoegdheid tot bekrachtiging komt uitsluitend toe aan dat andere orgaan, en niet aan het orgaan dat het gebrekkige besluit heeft genomen.
Een besluit is vernietigbaar indien het in strijd is met wettelijke of statutaire bepalingen die de totstandkoming van besluiten regelen, met een reglement, of met de redelijkheid en billijkheid die door art. 2:8 BW worden geëist (art. 2:15 lid 1 BW). Vernietigbaarheid betekent dat het besluit geldig is totdat de rechter het op vordering vernietigt. De meeste gebreken in de besluitvorming vallen hieronder: oproeping, agendering, quorum en deelname. De Hoge Raad heeft dit recent bevestigd. In een zaak betreffende het familiebedrijf Steenfabriek De Rijswaard was een aandeelhoudersvergadering mogelijk te vroeg aangevangen, waardoor twee aandeelhouders niet aan de besluitvorming hadden kunnen deelnemen. De Hoge Raad oordeelde dat dit "strijd oplevert met wettelijke of statutaire bepalingen die het tot stand komen van besluiten regelen, in de zin van art. 2:15 lid 1, aanhef en onder a, BW, en leidt (...) tot vernietigbaarheid van het besluit en niet tot nietigheid daarvan" (ECLI:NL:HR:2025:978, r.o. 3.2.4).
De grens tussen beide loopt derhalve niet tussen strijd met de wet en strijd met de statuten, maar tussen een inhoudelijk gebrek en een gebrek in de totstandkoming. Een inhoudelijk gebrek leidt tot nietigheid; een gebrek in de wijze van totstandkoming leidt hooguit tot vernietigbaarheid. Dit onderscheid wordt in de lagere rechtspraak met enige regelmaat onjuist toegepast; het arrest Steenfabriek De Rijswaard vormt het ijkpunt dat de grens zuiver trekt.
Een besluit in strijd met de aandeelhoudersovereenkomst: één aantastingsgrond
Voor de aandeelhoudersovereenkomst geldt het volgende. Beslissend is dat van alle aantastingsgronden een aandeelhoudersovereenkomst er slechts één kan bereiken.
Nietigheid vereist strijd met de wet of de statuten (art. 2:14 BW). Een aandeelhoudersovereenkomst is geen van beide; zij is een overeenkomst. Ook de vernietigingsgrond van het totstandkomingsgebrek (art. 2:15 lid 1 sub a BW) en de nietigheid wegens een ontbrekende voorafgaande handeling (art. 2:14 lid 2 BW) veronderstellen een wettelijke of statutaire bepaling. Een besluit dat uitsluitend de aandeelhoudersovereenkomst schendt, is daarom nimmer nietig en evenmin vernietigbaar wegens een totstandkomingsgebrek. Er resteert één ingang: strijd met de redelijkheid en billijkheid van art. 2:8 BW, die op grond van art. 2:15 lid 1 sub b BW tot vernietigbaarheid leidt.
Om die reden gaat een aandeelhoudersovereenkomst nimmer "formeel voor" op de statuten. Zij bindt de partijen die haar hebben gesloten, en een besluit dat haar veronachtzaamt levert wanprestatie op, met de daaraan verbonden gevolgen: nakoming, schadevergoeding of verbeurte van een boete. Op de vennootschapsrechtelijke geldigheid van het besluit werkt zij evenwel uitsluitend door langs de smalle ingang van art. 2:8 BW.
Gaat de aandeelhoudersovereenkomst dan voor op de statuten?
Of die ingang openstaat, hangt vrijwel steeds af van de bedoeling van partijen. Drie situaties laten zich onderscheiden.
De afspraken zijn op elkaar afgestemd. Dan is van een werkelijk conflict geen sprake en volgt de uitleg de gezamenlijke bedoeling. De Rotterdamse zaak biedt hiervan een voorbeeld (ECLI:NL:RBROT:2024:11834). De vennootschap betoogde dat haar statuten na een statutenwijziging een gewone meerderheid toelieten en derhalve voorgingen. De rechtbank stelde vast dat de statuten dat niet bepaalden en dat de bedoeling juist was de statuten met de aandeelhoudersovereenkomst in overeenstemming te brengen (rov. 5.6). De aandeelhoudersovereenkomst bevatte bovendien een bepaling dat zij bij afwijking voorgaat (rov. 5.9). Tegen die achtergrond oordeelde de rechtbank dat het niet volgen van de aandeelhoudersovereenkomst in strijd was met de redelijkheid en billijkheid (art. 2:8 lid 1 BW), dat het beroep op de statuten daarop afstuitte (art. 2:8 lid 2 BW), en dat het ontbindingsbesluit derhalve vernietigbaar was (art. 2:15 lid 1 sub b BW) (rov. 5.10).
De aandeelhoudersovereenkomst regelt bewust een onderwerp buiten de statuten. Vertrouwelijkheid vormt een klassieke reden om afspraken niet in de openbare statuten op te nemen. Hebben partijen een onderwerp doelbewust in de overeenkomst en niet in de statuten geregeld, dan is de bedoeling helder en werkt de overeenkomst op dat punt door. Ook dan gaat zij niet formeel voor: een besluit dat haar veronachtzaamt wordt vernietigbaar langs de weg van art. 2:8 BW, dan wel behoudt de benadeelde partij haar contractuele vordering.
De tegenstrijdigheid is niet herleidbaar. De aandeelhoudersovereenkomst bepaalt A, de statuten bepalen B, en de gezamenlijke bedoeling laat zich niet vaststellen. Hier ligt het werkelijke vraagstuk, en hier biedt de rechtspraak geen scherpe regel. Uitgangspunt is dat de statuten de geldigheid van het besluit bepalen en dat de aandeelhoudersovereenkomst een contractuele vordering verschaft. De doorwerking langs art. 2:8 BW kan dat anders maken, maar dat vormt een uitzondering; het zwaarst wegende gezichtspunt daarbij is, naar de heersende leer, of alle aandeelhouders partij zijn bij de overeenkomst. Is dat het geval en worden geen derden geraakt, dan benadeelt afdwinging van de overeenkomst niemand die daarmee niet heeft ingestemd, en werkt zij in sterke mate door. Ontbreekt dat, dan prevaleren de statuten, die immers openbaar zijn en juist derden en toekomstige aandeelhouders beschermen. Ook bij volledige doorwerking geldt een begrenzing: nakoming van de overeenkomst kan niet worden verlangd indien daardoor het belang van de vennootschap, afgezet tegen het aandeelhoudersbelang, in onaanvaardbare mate wordt geschaad (rov. 5.11-5.12).
De vervaltermijn: een gegrond bezwaar volstaat niet
Aangezien een besluit in strijd met de aandeelhoudersovereenkomst hooguit vernietigbaar is en niet nietig, is het tijdsverloop van belang. De bevoegdheid om vernietiging te vorderen vervalt één jaar nadat het besluit bekend is geworden (art. 2:15 lid 5 BW). Wie die termijn laat verstrijken, verliest zijn aanspraak, hoe gegrond het gebrek ook is.
De zaak Steenfabriek De Rijswaard illustreert dit. De statutenwijziging aldaar was, door de te vroeg aangevangen vergadering, gebrekkig tot stand gekomen. Niettemin bleef zij in stand: het besluit was slechts vernietigbaar en de vernietigingstermijn was verstreken. De gebrekkige wijziging bleef gelden en de vordering werd afgewezen. Nietigheid zou dit gevolg niet hebben gehad; vernietigbaarheid wel.
De uitweg: de geschillenregeling en de vormgeving vooraf
Een aandeelhouder die met een ongewenst besluit wordt geconfronteerd, is niet uitsluitend op de vernietigingsroute aangewezen. De Rotterdamse rechtbank wees de richting: het buitenspel zetten van een aandeelhouder met bijna de helft van de aandelen door middel van een ontbindingsbesluit in strijd met de aandeelhoudersovereenkomst, is niet de aangewezen wijze om een samenwerking te beëindigen; ontvlechting en financiële afwikkeling dienen langs andere weg plaats te vinden. In dergelijke gevallen biedt de wettelijke geschillenregeling uitkomst: de ene aandeelhouder verplichten zijn aandelen over te dragen (uitstoting), of de ontevreden aandeelhouder laten uittreden.
De werkelijke oplossing voor de niet herleidbare tegenstrijdigheid ligt evenwel niet in de procedure, maar in de vormgeving van de afspraken vooraf. Wie wenst dat de aandeelhoudersovereenkomst doorwerkt, draagt er zorg voor dat alle aandeelhouders partij zijn, neemt een uitdrukkelijke voorrangsbepaling op, en stemt de statuten op de overeenkomst af. De vraag wat voorgaat, behoeft dan niet te worden beantwoord.
Veelgestelde vragen
Wat prevaleert: de aandeelhoudersovereenkomst of de statuten?
Bij de vraag of een besluit geldig is, gaan de statuten voor; zij bepalen de vennootschapsrechtelijke verhoudingen en zijn kenbaar voor derden. Een aandeelhoudersovereenkomst is een overeenkomst die de partijen bindt. Zij kan een besluit uitsluitend aantasten via de redelijkheid en billijkheid (art. 2:8 BW), hetgeen tot vernietigbaarheid leidt (art. 2:15 lid 1 sub b BW). Of dat slaagt, hangt vooral af van de bedoeling van partijen en van de vraag of alle aandeelhouders partij zijn bij de overeenkomst.
Kan een besluit dat in strijd is met de aandeelhoudersovereenkomst worden vernietigd?
Ja, maar niet reeds omdat het besluit in strijd is met de overeenkomst. De route verloopt via art. 2:8 BW: indien het veronachtzamen van de overeenkomst in de gegeven omstandigheden in strijd is met de redelijkheid en billijkheid, is het besluit vernietigbaar op grond van art. 2:15 lid 1 sub b BW. Een besluit dat enkel de aandeelhoudersovereenkomst schendt, is nimmer nietig.
Helpt een bepaling in de aandeelhoudersovereenkomst dat deze voorgaat op de statuten?
Een dergelijke voorrangsbepaling is van betekenis voor de uitleg en onderstreept de bedoeling van partijen, maar verschaft de overeenkomst geen zelfstandige voorrang op de vennootschapsrechtelijke geldigheid van een besluit. De doorwerking verloopt nog steeds via art. 2:8 BW. Krachtiger is de combinatie: alle aandeelhouders als partij, een voorrangsbepaling, en statuten die met de overeenkomst stroken.
Wat is het verschil tussen een nietig en een vernietigbaar besluit?
Een nietig besluit is van rechtswege ongeldig, zonder termijn. Een vernietigbaar besluit is geldig totdat de rechter het vernietigt, en de bevoegdheid daartoe vervalt één jaar na bekendwording (art. 2:15 lid 5 BW). Inhoudelijke strijd met de wet of de statuten leidt tot nietigheid; een gebrek in de totstandkoming of strijd met de redelijkheid en billijkheid leidt tot vernietigbaarheid.
Aangehaalde rechtspraak
Hoge Raad
- ECLI:NL:HR:2025:978: totstandkomingsgebrek maakt een besluit vernietigbaar (art. 2:15 lid 1 sub a BW), niet nietig; vervaltermijn beslissend
Rechtbanken
- ECLI:NL:RBROT:2024:11834: ontbindingsbesluit in strijd met de aandeelhoudersovereenkomst vernietigbaar via art. 2:8 jo. 2:15 lid 1 sub b BW
- ECLI:NL:RBLIM:2026:1540: orgaan dat buiten zijn statutaire bevoegdheid een sanctie oplegt; besluit nietig (art. 2:14 lid 1 BW)
- ECLI:NL:RBNHO:2018:7064: besluit zonder voorgeschreven voorstel of goedkeuring van een ander orgaan nietig (art. 2:14 lid 2 BW), bekrachtigbaar
Lees ook
- Aandeelhoudersgeschillen: het bredere overzicht
- Uitstoting en uittreding: de geschillenregeling bij de Ondernemingskamer: de procedure als de besluitroute vastloopt
- Een mede-aandeelhouder uitkopen: drie wegen uit een aandeelhoudersconflict