Naar inhoud

Vrijwaringsclaims toegewezen: beroep op artikel 6:23 BW faalt

3 maart 2026Juriaan de Vries

Vrijwaringen bij M&A-transacties en artikel 6:23 BW

Rechtbank wijst vrijwaringsvorderingen van bijna €600.000 toe ondanks stellingen over mondeling beding en artikel 6:23 BW. Mondeling verweer zonder schriftelijke basis faalt tegen gedetailleerd uitonderhandeld contract. Praktisch: borgstellingen dek alleen wat erin staat, niet meer; artikel 6:23 vereist concreet bewijs van belemmering.

Vrijwaringsclaims na overname GGZ-onderneming

De voorzieningenrechter in Arnhem veroordeelde op 2 maart 2026 de verkoper van een GGZ-onderneming tot betaling van bijna €600.000 aan vrijwaringsvorderingen. Verkoper probeerde onder de claims uit te komen met een vaststellingsovereenkomst die nooit in werking was getreden en een beroep op artikel 6:23 BW. Beide verweren liepen spaak.

Opos Bidco kocht in juni 2025 alle aandelen in een GGZ-aanbieder. De koopovereenkomst bevatte vrijwaringen voor belastingschulden, kosten van het overnemen van personeel (de ‘carve-out’) en terugbetalingen aan zorgverzekeraars wegens overschrijding van het zorgplafond. Verkoper garandeerde ook dat er per leveringsdatum geen schuldverhoudingen meer bestonden met de vennootschap. Daarnaast tekenden verkoper en haar bestuurder een vermogensinstandhoudingsverklaring van €1.000.000 en een non-concurrentiebeding van drie jaar.

Na de deal ontstond ruzie. In oktober 2025 sloten partijen een vaststellingsovereenkomst, maar onder een opschortende voorwaarde: goedkeuring van de Rabobank vóór 1 december 2025. Die goedkeuring kwam niet. Ondertussen kondigde de bestuurder-verkoper op LinkedIn aan dat hij ‘strategisch adviseur’ werd bij een concurrerende GGZ-aanbieder.

Hoe werkt artikel 6:23 BW als verweer bij niet-vervulde opschortende voorwaarden?

Verkoper voerde eerst aan dat partijen mondeling hadden afgesproken dat de vorderingen pas opeisbaar waren na vaststelling van de jaarrekening 2025. De rechter vond dat ‘op zijn zachtst gezegd opmerkelijk’. Zo’n afspraak stond nergens op papier, terwijl de koopovereenkomst verder tot in detail was uitonderhandeld. De drie getuigenverklaringen die verkoper aandroeg hielpen niet — alle getuigen waren aan haar gelieerd en uit hun verklaringen bleek niet dat koper had ingestemd.

Dan het beroep op de vaststellingsovereenkomst. Die zou de eerdere verplichtingen hebben vervangen, maar de opschortende voorwaarde was nooit vervuld. Verkoper greep naar artikel 6:23 lid 1 BW: koper had de vervulling belet door niet serieus goedkeuring te vragen bij de bank. De rechter verwierp het. Koper had aantoonbaar wél gevraagd — een e-mail van 1 december 2025 bewees het — en de bank had geweigerd. Verkoper had bovendien niet onderbouwd waarom koper belang zou hebben bij het mislukken van de voorwaarde.

Resultaat: €597.351 toegewezen voor naheffing loonheffing, transitievergoedingen en terugbetaling aan zorgverzekeraars. De vordering van €160.723 op grond van de garantie in artikel 14 werd afgewezen — daarvoor was nadere bewijslevering nodig.

Het non-concurrentiebeding leverde geen boete op. De LinkedIn-post wees richting een overtreding, maar de rechter achtte niet bewezen dat de bestuurder daadwerkelijk aan de slag was gegaan. Wel kwam er een gebod om ervan af te blijven. De borgstelling van de bestuurder gold volgens de rechter uitsluitend voor de vermogensinstandhouding, niet voor de vrijwaringen uit de koopovereenkomst.

Veelgestelde vragen

Kan een mondeling afspraak de geschreven koopovereenkomst overrulen?

In principe niet, zeker niet bij gedetailleerde, onderhandelde contracten. Mondelinge afspraken maken alleen kans als beide partijen zich die later toe-eigenen of schriftelijk bevestigen. Hier: de koopovereenkomst was tot in detail uitonderhandeld, een mondeling beding over opeisbaarheid alleen van verkopers kant — ongeloofwaardig. Getuigen aan je eigen kant versterken je verhaal niet.

Wat betekent artikel 6:23 BW precies en wanneer slaag je ermee?

Dit artikel zegt: wie een opschortende voorwaarde moet vervullen, mag dat weigeren als de ander de vervulling belet. De lat ligt hoog. Je moet bewijzen: (1) jij had voornemen te vervullen, (2) de ander belet dat, (3) de ander had belang erbij om te beletten. Hier kon verkoper niet aantonen dat koper belang had in mislukking; bovendien had koper geïdoceerd dat zij wél gevraagd had.

Dekt een borgstelling ook garanties die niet expliciet erin staan?

Nee. De rechter las de borgstelling strikt: deze gold uitsluitend voor vermogensinstandhouding, niet voor vrijwaringen. Borgstellingen hebben beperkt bereik. Wil je zekerheid voor meer verplichtingen, je moet dat apart afspreken. Een borgsteller antwoordt niet voor meer dan waarop hij zich uitdrukkelijk garant gesteld heeft.

ECLI:NL:RBGEL:2026:1553, Rechtbank Gelderland, 2 maart 2026.

Aangehaalde rechtspraak

Rechtbanken: ECLI:NL:RBGEL:2026:1553

Lees ook