Naar inhoud

Vergoedingsrechten na een relatie: waarom samenwoners vaak met lege handen staan

2 juli 2026Juriaan de Vries

Inleiding

Een man en een vrouw wonen tweeëntwintig jaar samen. Ze kopen samen een huis en laten bij de notaris een samenlevingsovereenkomst opmaken, waarin over vergoedingsrechten niets is geregeld. Hij steekt ruim €70.000 eigen geld in de gezamenlijke woning. Als de relatie eindigt, vordert hij dat bedrag terug. De rechtbank Gelderland wijst in augustus 2025 alles af: een deel is verjaard, voor de rest ontbreekt een grondslag. Hij houdt niets over. Waren de twee getrouwd geweest, dan had artikel 1:87 BW, dat alleen voor echtgenoten geldt, hem niet alleen zijn inleg teruggegeven, maar ook een aandeel in de waardestijging van de woning.

Dat verschil is de kern van dit stuk. Voor de afwikkeling van vermogen na een relatie bestaan twee werelden die nauwelijks op elkaar lijken. Wie gehuwd is of een geregistreerd partnerschap heeft, valt onder een wettelijk stelsel van vergoedingsrechten. Wie ongehuwd samenwoont zonder sluitende afspraken, valt daarbuiten en is aangewezen op het gewone verbintenissenrecht, met een uitkomst die veel vaker "niets" is dan mensen verwachten.

Voor deze analyse zijn de leidende arresten van de Hoge Raad en de bijbehorende conclusies van het parket doorgenomen, samen met een reeks recente uitspraken van rechtbanken en hoven tot en met februari 2026. Daarnaast is de parlementaire geschiedenis geraadpleegd: de kamerstukken bij de Wet aanpassing wettelijke gemeenschap van goederen, de kabinetsreactie op het WODC-rapport Koude uitsluiting en de behandeling van het initiatiefwetsvoorstel dat de wettelijke gemeenschap van goederen beperkte. In de geanalyseerde uitspraken tekent zich een consistente lijn af: het huwelijksvermogensrecht corrigeert vermogensverschuivingen bijna automatisch, terwijl de samenwoner zelf moet bewijzen dat er iets valt terug te vragen, en daar meestal niet in slaagt.

Twee regimes, één beslissende keuze

De vraag "krijg ik mijn geld terug?" hangt bij de afwikkeling van een relatie af van één voorafgaande keuze: is er een huwelijk of geregistreerd partnerschap, of niet. Die keuze bepaalt welk rechtssysteem van toepassing is, en dat systeem bepaalt de uitkomst vaak al voordat de feiten ter sprake komen. Het geregistreerd partnerschap staat daarbij gelijk aan het huwelijk: artikel 1:80b BW verklaart de huwelijksvermogensrechtelijke regels van overeenkomstige toepassing, zodat geregistreerd partners dezelfde vergoedingsrechten hebben als echtgenoten. De scheidslijn loopt dus niet tussen huwelijk en partnerschap, maar tussen wie zijn relatie heeft geregistreerd en wie ongehuwd samenwoont.

Bij echtgenoten geldt een gesloten wettelijk stelsel. Vermogen dat van de een naar de ander of naar de gemeenschap verschuift, leidt in beginsel van rechtswege tot een vergoedingsrecht: het reprise-recht binnen de gemeenschap, de terugname van wat uit privévermogen is gekomen (artikelen 1:95 en 1:96 BW) en het vergoedingsrecht tussen de privévermogens (artikel 1:87 BW). Wie in een privé-onderneming van de partner belegt of daar arbeid in steekt, wordt zelfs via artikel 1:95a BW deels gecompenseerd.

Voor informeel samenlevenden bestaat niets van dit alles. De Hoge Raad heeft in het arrest van 10 mei 2019 uitdrukkelijk beslist dat artikel 1:87 BW en de overige titels van Boek 1 zich niet lenen voor overeenkomstige toepassing op samenwoners. Zij vallen terug op het algemene verbintenissenrecht van Boek 6. Dat pakt hard uit: waar de wet de echtgenoot beschermt zonder dat die iets hoeft af te spreken, moet de samenwoner alles zelf regelen, en dat heeft hij meestal niet gedaan.

Echtgenoten: inleg terug, plus delen in de waardestijging

Het echtgenotenregime stoelt op rechtspraak van vóór de wet. De basis legde de Hoge Raad in het arrest Kriek/Smit uit 1987. Een vrouw had met de opbrengst van haar eigen woning de echtelijke woningen gefinancierd, die op naam van de man kwamen. Bij de scheiding vorderde zij een aandeel in de waardevermeerdering. De Hoge Raad aanvaardde dat tussen echtgenoten buiten de wet om vergoedingsrechten kunnen ontstaan, en dat de redelijkheid en billijkheid in uitzonderingsgevallen kunnen doorbreken dat alleen het nominale bedrag terugkomt. Advocaat-generaal Biegman-Hartogh had in haar conclusie al scherp onderscheiden tussen de inkomenssfeer, waar rente thuishoort, en de vermogenssfeer, waar de waardevermeerdering van een woning ligt.

Sinds 1 januari 2012 is die gedachte gecodificeerd in artikel 1:87 BW als hoofdregel: de beleggingsleer. Het vergoedingsrecht volgt de waarde van het goed waarin is geïnvesteerd, berekend als de verhouding tussen de investering en de verkrijgingsprijs, vermenigvuldigd met de actuele waarde. Een uitspraak van de rechtbank Gelderland uit 2024 laat het rekenwerk concreet zien: een aflossing van €22.933 groeide mee tot een vergoedingsrecht van €46.472, en investeringen van bijna €43.000 tot ruim €63.000, omdat de woning intussen fors in waarde was gestegen.

Welke breuk geldt, hangt af van wat er is betaald. Artikel 1:87 lid 2 kent twee maatstaven: onder a de verhouding tussen de bijdrage en de totale tegenprestatie voor het goed, onder b de verhouding tussen het betaalde bedrag en de waarde van het goed op het moment van die betaling. De memorie van antwoord aan de Eerste Kamer maakt uitdrukkelijk duidelijk welke maatstaf wanneer geldt. Een aflossing op de schuld die voor de verkrijging is aangegaan valt onder a, ook al spreekt onderdeel b over aflossing, omdat met die aflossing alsnog een deel van de koopsom ten laste van het andere vermogen komt. Het tijdstip van de aflossing doet dan niet ter zake. Onderdeel b is geschreven voor bijdragen aan een verbouwing, en juist dan is de waarde ten tijde van de investering wel bepalend (Kamerstukken I 2008/09, 28 867, C, p. 14-18). Het onderscheid is niet theoretisch: onderdeel b loopt vast zodra meer wordt afgelost dan het goed op dat moment waard is, want dan levert de breuk een uitkomst groter dan één op.

De Gelderse uitspraak volgt die lijn bij de aflossing exact: €22.933 gedeeld door de koopprijs van €112.365, vermenigvuldigd met de actuele waarde van €227.700. Bij de investeringen rekent de rechtbank echter met de koopprijs vermeerderd met de investering als noemer, terwijl onderdeel b uitgaat van de waarde van de woning op het moment van betaling. Het vonnis vermeldt dat de wederpartij de berekeningswijze niet had betwist, zodat dat punt niet is uitgeprocedeerd.

Wie via de beleggingsleer meedeelt in de waardestijging, deelt ook in het verlies. Dat bleek pijnlijk in een zaak bij de rechtbank Noord-Holland uit 2021: een vrouw had €67.350 uit een geërfd vermogen geïnvesteerd in de BV waarvan haar man de aandelen hield en die in de huwelijksgemeenschap viel. Toen vaststond dat die aandelen niets meer waard waren, was ook haar vergoedingsrecht nihil: de investering was volledig tenietgegaan. Het restant van de erfenis was opgegaan aan gemeenschapsschulden en dagelijkse uitgaven, en daarvoor kreeg zij wel een nominale vergoeding van €83.481. Binnen het huwelijk bestaan dus twee maatstaven naast elkaar: de beleggingsleer voor wat in een goed is belegd, nominaliteit voor wat is opgegaan aan schulden en verbruik.

Ook binnen het huwelijk kent het vergoedingsrecht grenzen. Het gerechtshof Den Haag matigde in 2023 een vergoeding voor louter cosmetische verbouwing op grond van de redelijkheid en billijkheid van artikel 6:2 BW: alleen waardevermeerderende investeringen, zoals zonnepanelen, tellen mee. En bij een erfenis die enkel door vermenging in de gemeenschap belandt zonder in een aanwijsbaar goed te zijn belegd, blijft de vergoeding nominaal: de beleggingsleer geldt dan niet, aldus hetzelfde hof in oktober 2025.

Twee onderdelen van het echtgenotenregime maken het verschil met samenwoners het scherpst. Ten eerste de bewijslast: wie privévermogen in de gemeenschap stort, verkrijgt in beginsel een vergoedingsrecht jegens die gemeenschap, en het is aan de ándere echtgenoot om te stellen en zo nodig te bewijzen dat dat recht niet of niet volledig geldend kan worden gemaakt, zo besliste de Hoge Raad op 5 april 2019. Dat vergoedingsrecht wordt wel begrensd door de draagplicht in de kosten van de huishouding: voor zover een echtgenoot op grond van artikel 1:84 BW verplicht was dat geld aan het huishouden bij te dragen, resteert per saldo geen vergoeding (Hoge Raad 27 januari 2023). Ten tweede de verjaring: op vergoedingsrechten tussen echtgenoten geldt de lange termijn van twintig jaar van artikel 3:306 BW, niet de korte termijnen. De Hoge Raad oordeelde op 23 december 2022 dat de aard van de huwelijksverhouding zich verzet tegen overeenkomstige toepassing van die korte termijnen. De grond daarvoor gaat terug op de wetsgeschiedenis van Boek 1, die het arrest aanhaalt: de wetgever vreesde dat het nemen van rechtsmaatregelen tijdens het huwelijk het huwelijksleven ernstig in gevaar zou brengen. Van een samenwoner wordt precies dat wél verwacht.

Wat de wetgever met artikel 1:87 voor ogen had

De parlementaire geschiedenis verklaart waarom het echtgenotenregime zo ruim uitpakt, en waar de grenzen ervan liggen. In de memorie van toelichting staat waarom het oude uitgangspunt werd verlaten: de nominalistische visie "wordt, althans in het huwelijksvermogensrecht, over het algemeen als onbillijk ervaren en is in de literatuur dan ook sterk bekritiseerd" (Kamerstukken II 2002/03, 28 867, nr. 3, p. 17). Kriek/Smit had die hoofdregel maar in beperkte mate genuanceerd. De gekozen oplossing koppelt de vergoeding aan het goed zelf, zodat de bijdragende echtgenoot "economisch, zowel in positieve als in negatieve zin, participeert in de waardeontwikkeling van het aangeschafte goed" (nr. 3, p. 18).

Uit diezelfde stukken volgt een stelsel met drie trappen; in de praktijk worden er vaak twee van gemaakt. Is bijgedragen aan een goed dat in waarde kan stijgen of dalen, dan geldt de beleggingsleer en wordt in winst en verlies gedeeld. Gaat het om een goed dat naar zijn aard bestemd is om te worden verbruikt, dan is de vergoeding altijd nominaal: "Bij goederen waarvan tevoren wel vaststaat dat zij in waarde zullen dalen, omdat zij bestemd zijn om te worden verbruikt, bestaat voor toepassing van de beleggingsleer geen grond: het recht op vergoeding zou daarmee immers bij voorbaat worden uitgehold." Genoemde voorbeelden zijn een racefiets, een auto en een stereo-installatie (Kamerstukken II 2005/06, 28 867, nr. 9, p. 11). Die uitzondering stond niet in het oorspronkelijke voorstel en is bij nota van wijziging alsnog in de wet gezet. Viel de bijdrage onder de verplichting om bij te dragen in de kosten van de huishouding van artikel 1:84 BW, dan geeft dat volgens de wetgever in het geheel geen aanleiding tot vergoeding, omdat aan een eigen verplichting is voldaan. De Hoge Raad komt in het arrest van 27 januari 2023 langs een iets andere route tot dezelfde uitkomst: het vergoedingsrecht ontstaat wel, maar zolang de draagplicht strekt resteert er per saldo niets.

Ook het toestemmingsvereiste van artikel 1:87 lid 3 heeft een uitgesproken ratio. Wie zonder toestemming of wederrechtelijk over het vermogen van de ander beschikt, moet ten minste het nominale bedrag vergoeden; is er wel toestemming gegeven, dan werkt de beleggingsleer onverkort, ook naar beneden. De reden: "De echtgenoot die zelf toestemming geeft voor de investering, kan immers geacht worden daarmee ook het risico van waardedaling te aanvaarden." Wie zich op die toestemming beroept, moet haar zo nodig bewijzen (Kamerstukken I 2008/09, 28 867, C, p. 19).

Veelzeggend is wat de wetgever beoogde ten opzichte van de rechtspraak die aan de wet voorafging. De nota van wijziging stelt dat met de nieuwe maatstaven "voor vergoedingsrechten een scherpe normering [wordt] bereikt, in zekere zin scherper dan thans op grond van de huidige Kriek/Smit-jurisprudentie" (nr. 9, p. 11). De open billijkheidstoets van 1987 werd dus vervangen door rekenregels, niet aangevuld. Uitgeschakeld is de billijkheid daarmee niet: voor het uitzonderlijke geval dat vergoedingsrechten naar beleggingswaarde en naar nominale waarde ongelukkig samenlopen, achtte de minister een correctie op grond van artikel 6:2 BW "niet geheel uitgesloten" (C, p. 19-20). De matiging door het hof Den Haag in 2023 past daarmee binnen de bedoeling van de wetgever, als uitzondering en niet als regel.

Ten slotte is de bewijsnood die deze zaken kenmerkt in de wet zelf voorzien. Het notariaat en de advocatuur waarschuwden bij de consultatie dat het artikel niet altijd eenvoudig toepasbaar zou zijn. De wetgever onderkende dat en voegde lid 5 toe: kan de vergoeding niet nauwkeurig worden vastgesteld, dan wordt zij geschat. Die bepaling is bewust gemodelleerd naar artikel 6:97 BW over de begroting van schade (nr. 9, p. 11).

Samenwoners: geen artikel 1:87, alleen het gewone recht

Voor informeel samenlevenden gaf de Hoge Raad op 10 mei 2019 het toetsingskader dat sindsdien alles beheerst. Vier routes staan open, in deze volgorde. Ten eerste een uitdrukkelijke of stilzwijgende overeenkomst tussen de partners, aangevuld met de werking van de redelijkheid en billijkheid van artikel 6:248 BW. Ten tweede onverschuldigde betaling (artikel 6:203 BW). Ten derde ongerechtvaardigde verrijking (artikel 6:212 BW). Ten vierde, als vangnet, de eisen van redelijkheid en billijkheid van artikel 6:2 BW, maar alleen bij bijzondere omstandigheden die de eiser concreet moet stellen.

Dat het kader zo streng uitpakt, is een bewuste keuze geweest. In zijn conclusie bij het arrest van 2019 bepleitte advocaat-generaal Langemeijer juist het tegenovergestelde. Hij vond de verwijzing naar louter het verbintenissenrecht "te streng voor een modern relatievermogensrecht" en wilde een door redelijkheid en billijkheid beheerste rechtsverhouding aannemen voor mensen die duurzaam samenleven als waren zij gehuwd. Zijn argument: "het is veelal juist de lotsverbondenheid die bewerkstelligt dat een levensgezel gelden aan zijn of haar partner ter beschikking stelt zonder een overeenkomst van geldlening te sluiten en zonder een vergoedingsrecht te bedingen." De Hoge Raad volgde die conclusie niet en koos voor rechtszekerheid en contractsvrijheid: wie bewust niet trouwt en niets vastlegt, kan niet achteraf de bescherming van het huwelijk inroepen. De hardheid van de regel berust dus op een bewuste afweging, die anders had kunnen uitvallen.

Een veelgemaakte vergissing dichtte de Hoge Raad op 17 november 2023. Rechtbanken en hoven namen na 2019 geregeld aan dat een samenwoner die ongelijk had bijgedragen aan een gezamenlijke woning zonder meer een vergoedingsrecht op die gemeenschap had. Dat is onjuist. Een gezamenlijke woning van samenwoners is een eenvoudige gemeenschap in de zin van artikel 3:166 BW: geen afgescheiden vermogen, en zonder eigen schulden. Advocaat-generaal Wesseling-van Gent wees er in haar conclusie op dat een vergoedingsrecht "op" zo'n gemeenschap daarom niet kan bestaan. Ook bij mede-eigendom moet de vraag dus langs het gewone verbintenissenrecht worden beoordeeld. Het aflossen van een financieringsschuld valt bovendien niet onder de handelingen tot behoud van een gemeenschappelijk goed van artikel 3:172 BW.

Wanneer krijgt een samenwoner tóch iets terug?

In de geanalyseerde uitspraken bepalen deze vier routes nauwkeurig wanneer een claim slaagt en wanneer hij strandt.

De sterkste route is de eerste: een duidelijke afspraak. Waar partijen in een samenlevingsovereenkomst een vergoedingsbeding hadden opgenomen, wees de rechtbank Gelderland in 2023 de volledige vordering van €73.902 toe. De rechtbank legde het in het contract genoemde bedrag van €55.000 uit als een schatting, niet als een maximum, omdat de omvang van de investeringen bij het sluiten nog niet vaststond. Maar een overeenkomst werkt twee kanten op. Een afspraak over de verdeling van woonlasten na uiteengaan blokkeerde bij het gerechtshof Amsterdam juist een vordering tot gebruiksvergoeding. En een renteloos, dus nominaal, vergoedingsbeding sluit de beleggingsleer uit: het gerechtshof Amsterdam oordeelde in 2023 dat een partner die €77.319 op de hypotheek had afgelost, dat bedrag nominaal terugkreeg en niet mocht meedelen in de waardestijging, omdat het contract dat zo bepaalde.

De tweede route, onverschuldigde betaling, lijkt de meest voor de hand liggende, maar strandt bijna altijd op de eis dat zonder rechtsgrond is betaald. Tussen (ex-)partners is die rechtsgrond er vrijwel steeds wél: de betaling vloeit voort uit een vaak stilzwijgende afspraak over de kostenverdeling, uit een natuurlijke verbintenis, of uit de bijdrage aan de gezamenlijke huishouding. Toen een man de helft van de door hem betaalde hypotheeklasten terugvorderde, leidde de rechtbank Noord-Holland in 2025 uit het feitelijk gedrag van partijen een stilzwijgende kostenverdeling af; die vormde de rechtsgrond die zowel onverschuldigde betaling als ongerechtvaardigde verrijking blokkeerde. Bij een gezamenlijke woning speelt bovendien dat het geld doorgaans niet aan de partner is betaald maar aan de bank of in het huis is gestoken, wat de figuur verder ontkracht.

De derde route, ongerechtvaardigde verrijking, kent twee stappen. De eerste: is de eigenaar verrijkt? Dat kan door een waardestijging van de woning, maar die wordt zelden met een taxatie hard gemaakt, dus in de praktijk draait het op besparing: heeft de eigenaar zich een uitgave bespaard die hij anders zelf had gedaan of had moeten doen? De rechtbank Noord-Holland maakte dat in 2022 binnen één vonnis tastbaar. Een man had in de woning van zijn partner geïnvesteerd. Voor een inloopkast (€1.040) en een schutting (€1.010) kreeg hij vergoeding: die uitgaven zou de vrouw zelf hebben gedaan. Voor een bad van €13.000 kreeg hij niets, omdat de vrouw dat nooit zelf zou hebben aangeschaft: geen besparing, geen verrijking. In een vergelijkbare zaak bij de rechtbank Midden-Nederland strandde een vordering van ruim €31.000 aan verbouwingskosten volledig, omdat niet was gesteld dat de eigenaar die uitgaven zelf zou hebben gemaakt.

De tweede stap velt vaak de rest: ook een vastgestelde besparing leidt alleen tot vergoeding als de verrijking ongerechtvaardigd is, dus als er geen redelijke grond voor bestaat. Een afspraak tussen partijen, of de aanvaarding dat de een meer bijdroeg vanuit de zorg voor het gezin, levert die grond al snel op. De rechtbank Gelderland oordeelde in 2025 dat een eventuele verrijking voortvloeide uit de gemaakte afspraken en dus niet ongerechtvaardigd was. De bewijslast voor dit alles ligt bij de investeerder, en juist bij grote of persoonlijke uitgaven strandt die.

De vierde route, het vangnet van de redelijkheid en billijkheid, redt bijna nooit. In de recentste zaak, van de rechtbank Limburg in februari 2026, werkte de billijkheid zelfs tegen de eiser. Een man vorderde ruim €93.000 bijeen: de helft van de door hem betaalde hypotheekaflossingen en van de koopsom, zijn investeringen in de woning, en daarnaast een reeks betalingen die met de woning niets te maken hadden. De rechtbank wees vrijwel alles af: in een gezin waarin de inkomens werden samengevoegd voor de gezamenlijke lasten, mocht de minstverdienende partner erop vertrouwen dat het enkele feit dat de ander meer verdiende, niet later tot een claim zou leiden. De billijkheid is voor de samenwoner vaker een schild voor de aangesproken partner dan een zwaard voor de eiser.

De valkuilen: verjaring, verkeerde grondslag en de zorgtaak

Naast deze vier routes bepalen drie terugkerende obstakels of een vordering überhaupt overeind blijft.

Het eerste is verjaring, en dat is het scherpst. Vorderingen van samenwoners verjaren in vijf jaar. Welk artikel die termijn beheerst, hangt af van de grondslag: artikel 3:307 BW bij nakoming van een afspraak, artikel 3:309 BW bij onverschuldigde betaling en artikel 3:310 lid 1 BW bij ongerechtvaardigde verrijking en bij regres. De termijn gaat lopen op het moment van de investering of de aflossing, niet pas bij het einde van de relatie of de verdeling van het huis: een vergoedingsvordering is onmiddellijk opeisbaar zodra zij ontstaat, tenzij partijen iets anders zijn overeengekomen. De verlengingsgrond die echtgenoten en geregistreerd partners beschermt (artikel 3:321 lid 1, onder a en g, BW), geldt voor samenwoners niet, en een eigen regeling is er voor hen niet. Het gerechtshof Amsterdam rekende dat in 2024 genadeloos af. Een man had op 1 oktober 2014 de gezamenlijke hypotheekschuld van €244.588 in één keer afgelost en kreeg daarmee een regresvordering op zijn partner voor de helft van dat bedrag. Die vordering verjaarde precies vijf jaar later, op 1 oktober 2019. Het hof verwierp uitdrukkelijk het betoog dat zo'n vordering pas bij de verdeling opeisbaar wordt: de man had een eigen verantwoordelijkheid om zijn aanspraak binnen de termijn veilig te stellen, bijvoorbeeld met een samenlevingsovereenkomst. Wie wacht met claimen tot het huis wordt verdeeld, is dus vaak al te laat.

Het tweede obstakel is de verkeerde grondslag. Artikel 6:10 BW, dat het regres tussen hoofdelijke schuldenaren regelt, biedt alleen soelaas als iemand méér dan zijn aandeel in een gezamenlijke schuld heeft betaald, en dekt geen privé-inbreng die buiten de hypotheek om in de koopsom is gestoken, aldus de rechtbank Gelderland in juni 2025. En artikel 3:172 BW, over de bijdrageplicht van deelgenoten, ziet alleen op behoud en instandhouding, niet op verbouwen of aflossen.

Het derde is de niet-financiële bijdrage. Wie het huishouden deed, voor de kinderen zorgde of onbetaald meewerkte in de onderneming van de partner, brengt daarmee een tegenwicht in dat de claim van de investerende partner neutraliseert. De rechtbank Gelderland overwoog in een tussenvonnis van februari 2025 dat vooralsnog niet valt in te zien waarom de partner die kosteloos de administratie voor de onderneming van de ander verzorgde, naar evenredigheid aan alle kosten zou moeten bijdragen. De euro's van de een en de uren van de ander wegen tegen elkaar op.

Als de ex niet meewerkt: verkoop en gebruiksvergoeding

Twee praktische vragen keren bij een gezamenlijke woning telkens terug: wie betaalt voor het gebruik zolang één van beiden er blijft wonen, en hoe kom je eruit als de ander dwarsligt.

Voor het eerste bestaat de gebruiksvergoeding. De vertrokken deelgenoot kan op grond van artikel 3:169 BW een vergoeding vragen voor het gemis van het gebruik van zijn aandeel in de woning. Ook hier gaat een afspraak voor: het gerechtshof Amsterdam wees in 2024 een gebruiksvergoeding af omdat partijen bij het uiteengaan al een regeling over de woonlasten hadden getroffen. Voor de periode daarna was een bescheiden vergoeding denkbaar, maar die sneuvelde omdat de vertrokken partner de overige eigenaarslasten niet had gedragen. De rechter weegt zo'n vergoeding dus af tegen wat de ander intussen aan lasten draagt.

Werkt de ex niet mee aan verkoop, dan biedt artikel 3:174 BW de uitweg: de rechter kan de meest gerede deelgenoot machtigen de woning te verkopen, zo nodig in kort geding. De rechtbank Overijssel deed dat in november 2025 toen een executieverkoop dreigde: de partner die met de kinderen deels in de woning verbleef en als enige contact met de bank had, kreeg de machtiging, en de weigerachtige ex werd op grond van artikel 3:300 BW geacht mee te werken. De verdeling van de verkoopopbrengst zelf leent zich echter niet voor kort geding, want daarvoor is de gewone verdelingsprocedure van artikel 3:178 BW nodig. Snel de verkoop forceren kan dus wel, snel afrekenen niet.

Geld in de onderneming van je partner

Voor de ondernemingspraktijk is de scheidslijn nog scherper. Investeert een echtgenoot privévermogen in de BV van de ander, dan volgt de vergoeding de beleggingsleer, met winst én, zoals de Noord-Hollandse zaak liet zien, verlies. Groeit een privé-onderneming tijdens het huwelijk in waarde door de arbeid van de ondernemer, dan komt de gemeenschap op grond van artikel 1:95a BW een redelijke vergoeding toe voor de ingezette kennis, vaardigheden en arbeid. De rechtbank Amsterdam kende in 2023 langs die weg twee derde van een waardestijging van €115.198 aan de gemeenschap toe, waarvan de helft, €38.399, aan de echtgenote.

De samenwoner die in de onderneming van de partner investeert of daarin meewerkt, mist dit alles. Zonder afspraak is er geen beleggingsleer, geen 1:95a, en resteert alleen de moeizame weg van de ongerechtvaardigde verrijking, met de besparingsdrempel en de verjaringstermijn die hierboven al fataal bleken. Dat maakt het vermogensrechtelijke risico bij een gezamenlijke onderneming van ongehuwde partners groot, zeker wanneer de een de aandelen houdt en de ander het geld of de uren inbrengt. Het commercial litigation-spoor en de vermogensrechtelijke afwikkeling lopen dan door elkaar, en de partij die feitelijk het meest heeft bijgedragen, staat juridisch vaak het zwakst.

Waarom samenwoners buiten de regeling zijn gebleven

Bij dit alles dringt zich de vraag op waarom de wetgever samenwoners buiten het stelsel van vergoedingsrechten heeft gelaten. Dat is geen omissie. De vraag is sinds 2003 vijf keer aan de orde geweest: twee keer uitgesteld, drie keer afgewezen.

Al bij het wetsvoorstel van 2003 lag op tafel of de rechter bij een scheiding op billijkheidsgronden zou moeten kunnen corrigeren. De toelichting beschrijft het voorbeeld van de in koude uitsluiting gehuwde echtgenote die het huishouden deed, en weegt de argumenten voor en tegen. Doorslaggevend was de voorspelbaarheid: uit rechtsvergelijkend onderzoek bleek dat men "in Engeland minder goede ervaringen heeft opgedaan met de toepassing van de redelijkheid en billijkheid op de verdeling van vermogen bij echtscheiding. Dat leidt aldaar tot procedures met minder goed voorspelbare uitkomsten." De conclusie was om het onderwerp "voorshands" te laten rusten (nr. 3, p. 2).

In september 2008 kwam het terug. Het lid De Wit diende een motie in om te onderzoeken hoe vermogensrechtelijke gevolgen kunnen worden verbonden aan het verbreken van een duurzame relatie tussen ongehuwd samenwonenden, met Hongarije en Zweden als voorbeeld. De minister zag de parallel en noemde een langdurige relatie van mensen die niet zijn gehuwd "eigenlijk ook een soort koude uitsluiting". Hij zegde onderzoek toe, waarna de motie werd ingetrokken.

Dat onderzoek verscheen in 2011 als het WODC-rapport Koude uitsluiting. De kabinetsreactie van 26 september 2011 loopt de regelingen langs die van overeenkomstige toepassing zouden kunnen worden verklaard op samenwoners, en behandelt artikel 1:87 BW afzonderlijk. In het toen aanhangige Antilliaanse ontwerp werd de beleggingsleer wel uitgebreid naar twee personen die hebben samengeleefd als waren zij gehuwd, met als motivering dat wie meebetaalt aan het huis van de ander "behoort te kunnen meeprofiteren van een waardestijging". Voor Nederland viel de beslissing anders, en de grond was uitdrukkelijk een kwestie van timing: "Art. 1:87 BW zal per 1 januari 2012 in werking treden. Er is dan ook nog geen ervaring met dit artikel opgedaan. Van verschillende zijden is gewezen op de niet eenvoudige toepasbaarheid van dit artikel. Ik acht het thans dan ook te vroeg om deze regeling van overeenkomstige toepassing te verklaren op ongehuwde samenwoners." Analoge toepassing van artikel 1:84 BW werd in dezelfde brief afgewezen omdat die "niet veel nut" zou hebben.

Na overleg met de rechtspraak, de advocatuur en het notariaat berichtte de staatssecretaris in februari 2012 dat een wettelijke billijkheidscorrectie niet nodig werd geacht. Twee kanttekeningen in diezelfde brief verdienen aandacht: volgens de rechterlijke macht zou "in meer gevallen" een beroep op de bestaande regelingen kunnen worden gedaan, en de advocatuur vond de rechter in deze zaken juist "veelal terughoudend". De redenering dat een wettelijke regeling overbodig is omdat de rechter kan corrigeren, rust dus op een praktijk waarvan in hetzelfde stuk wordt vastgesteld dat er te weinig wordt gecorrigeerd.

De vierde keer was een stemming. Bij het initiatiefwetsvoorstel dat de wettelijke gemeenschap van goederen beperkte, stelde het lid Van Nispen een nieuwe titel over ongehuwd samenleven voor: wie onbetaald arbeid verrichtte in het bedrijf of de huishouding van de ander, zorgtaken op zich nam of tijdens de samenleving ernstig ziek of gehandicapt raakte, zou bij het einde van de samenleving aanspraak krijgen op een billijke vergoeding, van dwingend recht en met een termijn van drie jaar. De initiatiefnemers ontraadden het als "een stevige juridisering van de samenleving" en verwezen het onderwerp naar een eigen wetsvoorstel. Namens de VVD werd het principiële bezwaar zo verwoord: "als mensen hadden willen huwen, zij dat wel zouden hebben gedaan". Het amendement is voor de stemming ingetrokken; de motie die ervoor in de plaats kwam is op 19 april 2016 verworpen, met vier fracties voor.

Na het arrest van 2019 is het standpunt opnieuw bevestigd. Op Kamervragen over de problemen van samenwoners bij een breuk antwoordde de minister in 2022 met een verwijzing naar de partijautonomie. In de beleidsreactie van 20 april 2023 staat de slotsom: een wettelijke billijkheidscorrectie voor ongehuwd samenwonenden "zou een inbreuk inhouden op de autonomie van deze partners", de bestaande figuren van redelijkheid en billijkheid en onvoorziene omstandigheden volstaan, en "Ik zie geen noodzaak om op dit terrein aanvullende regelingen te treffen". De inzet is voorlichting.

De slotsom is dat de verwijzing van de Hoge Raad naar het gewone verbintenissenrecht geen tussenstand is in afwachting van de wetgever. Die heeft de vraag gezien, laten onderzoeken en beantwoord, waarbij de motivering onderweg is verschoven van "te vroeg" naar respect voor de keuze om niet te trouwen. De contraire conclusie van de advocaat-generaal uit 2018 bepleitte precies wat twee jaar eerder was weggestemd.

Wat betekent dit voor de praktijk?

Voor wie ongehuwd samenwoont is de boodschap onaangenaam eenvoudig: investeren in de gezamenlijke woning of onderneming voelt als sparen, maar is juridisch vaak een niet-terugvorderbare bijdrage aan het gezinsleven. De enige betrouwbare bescherming is een schriftelijk vergoedings- of verrekenbeding, opgesteld vóórdat wordt geïnvesteerd. Daarbij luistert de redactie nauw: leg vast of een genoemd bedrag een maximum of een schatting is, of nominaal wordt vergoed of volgens de beleggingsleer, en in dat laatste geval welke maatstaf geldt: het aandeel in de koopsom, of de verhouding tot de waarde ten tijde van de investering. Wie ook de verjaringsval wil dichten, legt vast dat de vordering pas opeisbaar wordt bij het einde van de relatie of bij de verdeling van de woning; de rechtbank Gelderland liet die uitzondering in 2025 uitdrukkelijk open. Wie al heeft geïnvesteerd, doet er verstandig aan niet te wachten tot de relatie eindigt, want de verjaringstermijn van vijf jaar loopt tijdens de relatie door.

Eén vraag komt bij een gezin altijd op: verandert het iets als er kinderen zijn? Vermogensrechtelijk niet. Uit het ouderschap volgt een onderhoudsplicht jegens het kind (artikel 1:404 BW), ongeacht de relatievorm, maar tussen de ouders onderling ontstaat daardoor geen aanspraak op elkaars vermogen en geen recht op partneralimentatie. Ook dat is een uitdrukkelijke keuze: een alimentatieregeling voor samenwoners, met de mogelijkheid daarvan af te wijken, lag in 2023 op tafel en is toen afgewezen met een beroep op de autonomie van partners.

Voor de ondernemer met een partner is de vraag wie de aandelen houdt en wie het geld of de arbeid inbrengt vermogensrechtelijk bepalend. Bij gehuwden vangt het huwelijksvermogensrecht dat op; bij samenwoners moet het in een samenlevings- of geldleningsovereenkomst worden geregeld, bij voorkeur met zekerheid voor de inbrengende partij. Ontbreekt die afspraak, dan is bij een breuk een beroep op ongerechtvaardigde verrijking de laatste optie, en dat staat of valt met het bewijs van concrete besparing.

Voor de adviseur, ten slotte, ligt het onderscheid tussen de regimes aan de basis van elke inschatting. De reflex om bij samenwoners naar het huwelijksvermogensrecht te grijpen, of naar oudere rechtspraak over echtelijke gemeenschappen, is na het arrest van 17 november 2023 niet langer houdbaar. Rekenen op de wetgever heeft daarbij weinig zin. De vraag is dus telkens: is er een afspraak, is er een aantoonbare besparing, en is de vordering niet verjaard. Drie vragen die de uitkomst in de geanalyseerde uitspraken vrijwel volledig verklaren.

Veelgestelde vragen

Krijg ik als samenwoner mijn investering in het huis van mijn partner terug?

Meestal niet zonder meer. Zonder afspraak is een samenwoner aangewezen op onverschuldigde betaling of ongerechtvaardigde verrijking. Bij verrijking telt een waardestijging van de woning óf een besparing, doordat de eigenaar de uitgave anders zelf had gedaan of had moeten doen, en die verrijking moet bovendien ongerechtvaardigd zijn. Een schriftelijk vergoedingsbeding biedt de sterkste positie.

Wat is het verschil tussen de beleggingsleer en een nominale vergoeding?

De beleggingsleer koppelt de vergoeding aan de actuele waarde van het goed waarin is geïnvesteerd: de investeerder deelt in winst én verlies. Een nominale vergoeding geeft alleen het oorspronkelijke bedrag terug. Bij echtgenoten is de beleggingsleer sinds 2012 hoofdregel; bij samenwoners geldt zij alleen als partijen dat uitdrukkelijk hebben afgesproken.

Verjaart een vergoedingsvordering na een relatie?

Bij samenwoners wel, en snel: de termijn is vijf jaar en gaat lopen op het moment van de investering, niet bij het einde van de relatie. Wie wacht tot de woning wordt verdeeld, is vaak te laat. Tussen echtgenoten geldt daarentegen een termijn van twintig jaar, omdat van hen niet wordt verwacht dat zij tijdens het huwelijk tegen elkaar procederen.

Waarom geldt artikel 1:87 BW niet voor samenwoners?

Omdat de wetgever daar bewust van heeft afgezien. In de kabinetsreactie op het WODC-rapport Koude uitsluiting is in 2011 overwogen de beleggingsleer van overeenkomstige toepassing te verklaren op ongehuwd samenwonenden, zoals in het toenmalige Antilliaanse ontwerp gebeurde. Dat werd te vroeg bevonden omdat het artikel nog in werking moest treden. In 2016 verwierp de Tweede Kamer een motie voor een billijkheidscorrectie bij samenwoners, en in 2023 liet het kabinet weten geen noodzaak te zien voor aanvullende regelingen. De Hoge Raad sloot daar in 2019 bij aan.

Aangehaalde rechtspraak

Hoge Raad

Conclusies advocaat-generaal

Gerechtshoven en rechtbanken

Aangehaalde kamerstukken

Lees ook