Inleiding
Veel contractuele geschillen beginnen met dezelfde discussie: partijen zijn het erover eens dát er een overeenkomst is, maar niet over wat er precies is afgesproken. De ene partij wijst op de letterlijke tekst, de andere op wat er tijdens de onderhandelingen is besproken of hoe het contract jarenlang is uitgevoerd. Het Nederlandse recht beslecht die strijd niet met een enkele regel, maar met een maatstaf die alle omstandigheden van het geval weegt. Wie begrijpt hoe die maatstaf werkt, weet welk bewijs telt en waar een uitlegprocedure om draait.
De Haviltex-maatstaf: meer dan de letterlijke tekst
Sinds het Haviltex-arrest geldt als uitgangspunt dat het bij de uitleg van een overeenkomst niet alleen aankomt op een zuiver taalkundige uitleg van de bepalingen. Het komt aan op de zin die partijen in de gegeven omstandigheden over en weer redelijkerwijs aan die bepalingen mochten toekennen en op hetgeen zij te dien aanzien redelijkerwijs van elkaar mochten verwachten (HR 13 maart 1981, ECLI:NL:HR:1981:AG4158, Haviltex). Daarbij kan mede van belang zijn tot welke maatschappelijke kringen partijen behoren en welke rechtskennis van zulke partijen kan worden verwacht.
Alle omstandigheden van het geval kunnen dus meewegen: wat is voorafgaand aan het contract besproken, hoe hebben partijen zich na sluiting gedragen, wie stelde de tekst op en werden partijen bijgestaan door juridisch adviseurs? De taalkundige betekenis van de bewoordingen blijft van belang, maar is niet zonder meer beslissend. Dezelfde maatstaf dient om leemtes in een contract op te sporen en aan te vullen. Waar de overeenkomst zwijgt, wordt de leemte ingevuld aan de hand van wat partijen redelijkerwijs mochten verwachten, mede in het licht van de aanvullende werking van redelijkheid en billijkheid (art. 6:248 lid 1 BW).
Taalkundige uitleg bij professionele partijen
Bij commerciële contracten tussen professionele partijen krijgt de taalkundige betekenis meer gewicht. Gaat het om een omvangrijk, gedetailleerd en uitonderhandeld contract, tot stand gekomen met bijstand van juristen en voorzien van een entire agreement clause, dan mag de rechter als uitgangspunt beslissend gewicht toekennen aan de meest voor de hand liggende taalkundige betekenis van de bewoordingen, gelezen in het licht van de overige bepalingen (HR 19 januari 2007, ECLI:NL:HR:2007:AZ3178, Meyer Europe/PontMeyer). Dat oordeel is voorlopig: de partij die een andere uitleg verdedigt, wordt toegelaten tot tegenbewijs.
Dat uitgangspunt is geen automatisme. Het rust op de aanname dát partijen daadwerkelijk hebben onderhandeld en daarbij professioneel werden bijgestaan. Zijn die aannames onjuist, bijvoorbeeld omdat niet over de tekst is onderhandeld, een partij geen jurist had of het een eenzijdig opgesteld modelcontract betreft, dan vervalt de reden om groot gewicht aan de taalkunde te geven (HR 5 april 2013, ECLI:NL:HR:2013:BY8101, Lundiform/Mexx). Ook wanneer aan de bewoordingen groot gewicht toekomt, kunnen de overige omstandigheden meebrengen dat een andere dan de taalkundige betekenis geldt. Beslissend blijft steeds de Haviltex-maatstaf.
De entire agreement clause
Een entire agreement clause bepaalt dat het contract de volledige afspraken tussen partijen weergeeft en eerdere afspraken vervangt. Zo'n beding komt uit de Anglo-Amerikaanse rechtssfeer en heeft naar Nederlands recht niet zonder meer een bijzondere betekenis. Het is op zichzelf geen uitlegbepaling. De clausule kan wel een relevante omstandigheid zijn bij de uitleg, waarbij het aankomt op de bewoordingen, de aard en gedetailleerdheid van het contract en de wijze waarop de clausule bij de onderhandelingen aan de orde is gekomen (Lundiform/Mexx, r.o. 3.5.3). De clausule staat er niet zonder meer aan in de weg dat voor de uitleg betekenis wordt toegekend aan verklaringen en gedragingen uit de fase vóór het sluiten van het contract.
In de praktijk versterkt zo'n beding het gewicht van de tekst zonder Haviltex uit te sluiten. In een zaak over vrijwaringsclaims bij een bedrijfsovername faalde het beroep op een mondeling beding tegen een gedetailleerd uitonderhandeld contract. De gekozen bewoordingen gaven daar de doorslag.
CAO-norm en de vloeiende overgang
Naast de Haviltex-maatstaf bestaat de CAO-norm, waarbij de bewoordingen gelezen in het licht van de gehele tekst in beginsel doorslaggevend zijn. Die norm geldt voor geschriften die naar hun aard bestemd zijn de rechtspositie van derden te beïnvloeden zonder dat die derden invloed hadden op de tekst en zonder dat de partijbedoeling voor hen kenbaar is, zoals een CAO, een sociaal plan of een pensioenreglement. Tussen beide normen bestaat geen tegenstelling maar een vloeiende overgang (HR 20 februari 2004, ECLI:NL:HR:2004:AO1427, DSM/Fox).
De gemeenschappelijke grondslag is dat bij de uitleg telkens alle omstandigheden van het geval beslissend zijn, gewaardeerd naar de maatstaven van redelijkheid en billijkheid. De argumenten voor een uitleg naar objectieve maatstaven winnen aan gewicht naarmate het geschrift meer bestemd is de rechtspositie van derden te regelen. Ook de CAO-norm leidt niet tot een louter taalkundige uitleg. Voor de uitleg van statuten en algemene voorwaarden die een onbepaalde kring van derden binden, ligt de objectieve pool van deze glijdende schaal daarom dichterbij dan bij een individueel uitonderhandeld contract.
Bewijs
Uitleggeschillen draaien bijna altijd om bewijs. Wie kan aantonen wat er is bedoeld? Interne e-mails, conceptversies van het contract, gespreksnotities en de feitelijke uitvoering van de overeenkomst kunnen het verschil maken. Wie een andere uitleg verdedigt dan de taalkundige, draagt daarvan de bewijslast of moet tot tegenbewijs worden toegelaten (art. 150 Rv). Het bewaren van onderhandelingsgeschiedenis is daarom niet alleen raadzaam als een geschil dreigt, maar al tijdens het onderhandelingsproces zelf.
Uitlegvragen spelen regelmatig bij geschillen over niet-nakoming en (on)regelmatige opzegging. De wijze waarop een bepaling wordt uitgelegd bepaalt of een partij haar verplichtingen is nagekomen of juist tekort is geschoten. In een zaak over platencontracten en streaming was de kernvraag of digitale exploitatie kwalificeerde als licentieverlening aan derden, een zuivere uitlegvraag die de rechter besliste op basis van de meest voor de hand liggende taalkundige betekenis.
Wat de uitkomst bepaalt
De uitkomst van een uitlegkwestie wordt bepaald door de maatstaf, Haviltex of een meer taalkundige uitleg tussen professionele partijen, en door het bewijs van de bedoeling van partijen. Wie de context, de totstandkoming en de aard van partijen scherp in kaart brengt, bepaalt hoe een omstreden beding wordt gelezen.