Naar inhoud

Ziekenhuis aansprakelijk voor handelen gynaecoloog: verjaring doorbroken

18 maart 2026Juriaan de Vries

Ziekenhuisaansprakelijkheid bij medische fraude: contractuele relatie doorslaat

Een gynaecoloog gebruikte in 1988 zijn eigen zaad bij een KIE-behandeling. Ruim dertig jaar later oordeelt het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden dat het ziekenhuis contractueel aansprakelijk is jegens de moeder en uit onrechtmatige daad aansprakelijk jegens de kinderen. Het verjaringsberoep van Isala faalt.

Ziekenhuis Isala aansprakelijk voor KIE-fraude uit 1988

Het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden heeft op 13 januari 2026 geoordeeld dat Stichting Isala Klinieken aansprakelijk is voor de schade die een moeder en haar drie kinderen hebben geleden als gevolg van het handelen van een gynaecoloog die in 1988 zijn eigen zaad gebruikte bij een kunstmatige inseminatiebehandeling. Dit arrest is het hoger beroep van het vonnis van de Rechtbank Overijssel van 15 mei 2024 (ECLI:NL:RBOVE:2024:2576), waarin de rechtbank de vorderingen had afgewezen wegens verjaring en het ontbreken van een contractuele relatie met het ziekenhuis.

De moeder was in 1985 door haar huisarts verwezen naar de fertiliteitsafdeling van het Sophia Ziekenhuis in Zwolle — de rechtsvoorganger van Isala. Afgesproken was dat zij zou worden geïnsemineerd met het zaad van haar toenmalige echtgenoot (KIE: Kunstmatige Inseminatie met Eigen zaad). De gynaecoloog gebruikte echter zijn eigen zaad. Op 1 november 1988 werd een drieling geboren. De moeder werd pas op of omstreeks 8 september 2021 bekend met het werkelijke handelen van de gynaecoloog, na publicatie van het rapport van de commissie Braat.

De rechtbank had geoordeeld dat de vordering was verjaard en dat het ziekenhuis buiten de contractuele verhouding stond. Het hof komt tot een tegengesteld oordeel op beide punten.

Hof: contractuele relatie met ziekenhuis en verjaring doorbroken

De eerste vraag was of de moeder een behandelovereenkomst had gesloten met het ziekenhuis, of uitsluitend met de gynaecoloog in persoon. Artikel 7:462 BW — de centrale aansprakelijkheid van het ziekenhuis — was ten tijde van de behandeling in 1988 nog niet in werking. Het hof beoordeelt de aansprakelijkheid op grond van het oud-BW. Bepalend is of de moeder er gerechtvaardigd op mocht vertrouwen dat zij ook met het ziekenhuis een contractuele relatie aanging. Het hof beantwoordt die vraag bevestigend: de moeder werd verwezen naar de fertiliteitsafdeling, onderging diverse onderzoeken binnen de muren van Sophia, werd door meerdere behandelaars gezien, en de gynaecoloog was de enige fertiliteitsarts binnen het ziekenhuis.

Het tweede geschilpunt betrof de verjaring. De schadeveroorzakende gebeurtenis vond plaats in 1988. De absolute verjaringstermijn van twintig jaar uit artikel 3:310 lid 1 BW was daarmee in 2008 verstreken — ruim voordat de moeder wist wat er was gebeurd. Het hof oordeelt dat het beroep van Isala op verjaring naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is in de zin van artikel 6:2 lid 2 BW. Doorslaggevend zijn: de ernstige verwijtbaarheid van het heimelijke handelen, de fundamentele schending van persoonlijkheidsrechten, het feit dat het medisch dossier nog grotendeels aanwezig is, en de omstandigheid dat de vorderingen kort na bekendwording zijn ingesteld.

Ten aanzien van de kinderen bestond geen contractuele relatie met het ziekenhuis. Het hof oordeelt dat Isala jegens hen aansprakelijk is uit onrechtmatige daad (artikel 1401 oud-BW). De contractuele zorgplicht jegens de moeder strekte zich mede uit tot de belangen van de later geboren kinderen, wier belangen zo nauw betrokken waren bij de uitvoering van die overeenkomst dat schending daarvan ook als onrechtmatig handelen jegens hen kwalificeert.

Wat leert deze zaak voor aansprakelijkheid bij medische instellingen?

Ten eerste: de centrale aansprakelijkheid van het ziekenhuis voor handelingen van specialisten die werkzaam zijn binnen de muren van dat ziekenhuis is — ook zonder de Wet op de geneeskundige behandelingsovereenkomst (WGBO) — goed verdedigbaar op grond van gerechtvaardigd vertrouwen van de patiënt. De formele organisatiestructuur doet niet af aan de vraag hoe de contractuele relatie vanuit het perspectief van de patiënt redelijkerwijs kon worden begrepen.

Ten tweede: de absolute verjaringstermijn is hard, maar niet onaantastbaar. Bij heimelijk handelen, waarbij de benadeelde de feiten per definitie pas laat kan ontdekken, biedt artikel 6:2 lid 2 BW ruimte voor doorbreking. De Van Hese/De Schelde-gezichtspunten geven houvast, maar de uitkomst is sterk feitelijk gekleurd.

Ten derde: derden — in dit geval de kinderen — die geen partij zijn bij een overeenkomst maar wier belangen zo nauw verweven zijn met de uitvoering daarvan, kunnen een zelfstandige vordering uit onrechtmatige daad hebben. Dat vraagt bij de opbouw van een aansprakelijkheidsvordering altijd om aandacht voor de grondslagen per eisende partij afzonderlijk.

Veelgestelde vragen

Is een ziekenhuis ook aansprakelijk als het zelf niets wist van de fout?

Ja, in beginsel wel. Het toerekenbaar tekortschieten van de gynaecoloog geldt als eigen tekortkoming van het ziekenhuis, nu de moeder gerechtvaardigd op een contractuele relatie met het ziekenhuis mocht vertrouwen. Dat het ziekenhuis zelf geen wetenschap had van het handelen van de gynaecoloog, doet niet af aan deze contractuele aansprakelijkheid.

Kan een vordering na meer dan twintig jaar toch slagen?

In uitzonderingsgevallen wel. De absolute verjaringstermijn van artikel 3:310 lid 1 BW kan worden doorbroken als een beroep daarop naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is. Dat vergt een afweging van alle omstandigheden aan de hand van de Van Hese/De Schelde-gezichtspunten. Bij heimelijk handelen en fundamentele schendingen van persoonlijkheidsrechten is die drempel haalbaar gebleken.

Hebben kinderen die geboren zijn na medische fraude een zelfstandige vordering?

Het hof bevestigt dit. Kinderen die geen partij zijn bij de behandelovereenkomst kunnen op grond van onrechtmatige daad een zelfstandige aanspraak hebben, wanneer hun belangen zo nauw betrokken zijn bij de uitvoering van die overeenkomst dat schending daarvan ook als onrechtmatig handelen jegens hen kwalificeert.

ECLI:NL:GHARL:2026:127, Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 13 januari 2026

Aangehaalde rechtspraak

Gerechtshoven: ECLI:NL:GHARL:2026:127

Rechtbanken: ECLI:NL:RBOVE:2024:2576

Lees ook