Inleiding
Wanprestatie is de juridische kern van vrijwel elk commercieel geschil over een contract: een partij levert niet, levert te laat, of levert gebrekkig. In de wet heet dit een tekortkoming in de nakoming van een verbintenis (art. 6:74 BW). Het klinkt overzichtelijk, maar het is een van de meest genuanceerde gebieden van het contractenrecht. De vraag is niet alleen óf er sprake is van een tekortkoming, maar ook welke remedie het meest effectief is, en in welke volgorde.
De wet geeft de schuldeiser een stevig instrumentarium: nakoming vorderen, opschorten, ontbinden, schadevergoeding eisen. Deze remedies zijn combineerbaar, maar de volgorde en de timing bepalen het resultaat. Hieronder worden de vier remedies en hun voorwaarden op een rij gezet, met de leidende rechtspraak per onderdeel.
Wanneer is sprake van wanprestatie?
Van wanprestatie is sprake bij iedere tekortkoming in de nakoming, tenzij de tekortkoming niet aan de schuldenaar kan worden toegerekend (overmacht). Toerekening volgt uit schuld of uit de wet, de rechtshandeling of de verkeersopvattingen. Voor een geslaagde schadevergoedingsvordering moet de schuldeiser stellen en zo nodig bewijzen dat er een verbintenis was, dat die niet (juist) is nagekomen, dat de tekortkoming toerekenbaar is, en dat daaruit schade is voortgevloeid.
Wanprestatie moet worden onderscheiden van de onrechtmatige daad. Wanprestatie veronderstelt een bestaande verbintenis tussen partijen; de onrechtmatige daad geldt ook zonder contract. Eén en hetzelfde feitencomplex kan beide opleveren, waarbij samenloop mogelijk is, maar de contractuele grondslag is bij een lopende overeenkomst doorgaans de meest directe route. Of een verplichting bestond en wat die inhield, wordt bepaald door de uitleg van de overeenkomst. Die uitleg is in de praktijk vaak het eerste strijdpunt: zonder vaststaande verbintenis is er geen tekortkoming.
Verzuim en ingebrekestelling
Voordat ontbinding of schadevergoeding wegens vertraging aan de orde is, moet de wederpartij in verzuim zijn. Dat vereist in de meeste gevallen een ingebrekestelling: een schriftelijke aanmaning met een redelijke termijn (art. 6:82 BW). Een te korte termijn, een onduidelijke formulering, of een ingebrekestelling voor een verplichting die niet in de overeenkomst staat, het zijn veelvoorkomende fouten met vergaande gevolgen.
In bepaalde gevallen treedt verzuim van rechtswege in, zonder ingebrekestelling (art. 6:83 BW): als een fatale termijn verstrijkt, als de verbintenis voortvloeit uit onrechtmatige daad of strekt tot schadevergoeding, of als de schuldeiser uit een mededeling moet afleiden dat de schuldenaar niet zal presteren. Maar of een termijn écht fataal is, is vaker onderwerp van discussie dan verwacht. In HR 4 oktober 2002 is beslist dat het eenzijdig stellen van een termijn onvoldoende is: een fatale termijn in de zin van art. 6:83 onder a moet tussen partijen zijn overeengekomen of op grond van de redelijkheid en billijkheid voortvloeien uit de aard van de overeenkomst. Buiten die gevallen blijft een deugdelijke ingebrekestelling de veiligste route naar verzuim.
Nakoming en schadevergoeding vorderen
De schuldeiser die belang houdt bij de prestatie kan nakoming vorderen, zo nodig versterkt met een dwangsom. Daarnaast, of in plaats daarvan, kan schadevergoeding worden gevorderd (art. 6:74 BW). Bij vertraging gaat het om aanvullende schadevergoeding naast de nakoming; is nakoming zelf niet langer gewenst, dan kan de vordering worden omgezet in vervangende schadevergoeding (art. 6:87 BW), wat eveneens verzuim veronderstelt.
Het knelpunt zit zelden in het bestaan van de tekortkoming, en vaker in de onderbouwing van de schade en het causaal verband. In een zaak over een webshop die nooit werd opgeleverd werd de tekortkoming aangenomen en de ontbinding toegewezen, maar strandde de schadeclaim grotendeels op de onderbouwing van het causaal verband. Wie schade vordert, doet er goed aan de omvang en de toerekenbaarheid van iedere schadepost concreet te documenteren.
Ontbinding
Bij een tekortkoming kan de overeenkomst buitengerechtelijk of via de rechter worden ontbonden (art. 6:265 BW). De structuur van die bepaling is in HR 28 september 2018 verduidelijkt: het gaat om een hoofdregel met een uitzondering. De hoofdregel is dat iedere tekortkoming recht geeft op ontbinding; de tenzij-bepaling maakt daarop een uitzondering wanneer de tekortkoming, gezien haar bijzondere aard of geringe betekenis, de ontbinding met haar gevolgen niet rechtvaardigt. Er geldt dus geen zelfstandige drempel van een tekortkoming van "voldoende gewicht"; de belangen van de schuldenaar worden beschermd via die tenzij-bepaling, waarvan hij de stelplicht en bewijslast draagt.
Ontbinding schept ongedaanmakingsverbintenissen (art. 6:271 BW) en laat het recht op aanvullende schadevergoeding intact. Het risico ligt bij de ontbindende partij zelf: een ontbinding die achteraf onterecht blijkt, bijvoorbeeld omdat de tekortkoming onder de tenzij-bepaling viel, maakt de ontbindende partij zelf wanprestant. In een zaak over uitblijvende levering van verzamelkaarten werd de tekortkoming wél goed onderbouwd, met toewijzing van zowel de koopprijs als de gederfde winst als resultaat.
Opschorting
Als de wederpartij niet nakomt, mag de eigen prestatie worden opgeschort (art. 6:262 BW, en meer algemeen art. 6:52 BW). In de praktijk is dat vaak effectiever dan een procedure, omdat het directe druk creëert. Wel moet de opschorting proportioneel zijn: een factuur van 5.000 euro niet betalen bij een gebrek van 500 euro kan als buitenproportioneel worden aangemerkt, en er moet voldoende samenhang bestaan tussen de opgeschorte prestatie en de tegenprestatie.
Een beroep op een opschortingsrecht hoeft in beginsel niet vooraf te worden aangekondigd en kan zelfs voor het eerst in de procedure worden gedaan. In HR 17 september 2010 is echter beslist dat uit de redelijkheid en billijkheid kan voortvloeien dat de opschortende partij eerst moet meedelen dát en op welke grond zij opschort, afhankelijk van wat de wederpartij op dat moment wist of behoorde te begrijpen. Een opschorting die niet wordt gecommuniceerd, brengt zo het risico mee dat de wederpartij niet in verzuim raakt en de opschortende partij zelf tekortschiet.
Wat de uitkomst bepaalt
De uitkomst van een geschil over wanprestatie wordt bepaald door het verzuim, de gekozen remedie en de onderbouwing van de schade. Wie tijdig en correct in gebreke stelt, bewust kiest tussen nakoming, ontbinding en schadevergoeding, en het causaal verband hard maakt, staat het sterkst.