Inleiding
Een bestuurder van een stichting in Gelderland huurde een woning op kosten van de stichting, liet testosteronbehandelingen vergoeden uit de stichtingskas en nam voor bijna € 79.000 aan edelmetaal mee naar huis. Naast deze onttrekkingen — in totaal ruim € 128.000 aan privé-uitgaven — verwaarloosde hij het contact met een essentiële leverancier en overtrad hij veiligheidsnormen. In januari 2026 besliste Rechtbank Gelderland dat deze bestuurder uit zijn functie diende te worden ontslagen (ECLI:NL:RBGEL:2026:414).
De rechter handelde op grond van art. 2:298 BW, de bepaling die de civiele rechter de bevoegdheid geeft een stichtingsbestuurder op verzoek of ambtshalve te ontslaan. Maar dat rechterlijk ontslag is bepaald geen vanzelfsprekendheid. De lat ligt hoog. Verwijten moeten concreet zijn onderbouwd, het wangedrag moet een structureel karakter hebben, en de rechter respecteert de discretionaire ruimte die een bestuur toekomt bij het voeren van beleid. In acht van de achttien uitspraken die in dit overzicht zijn geanalyseerd, werd het verzoek volledig afgewezen.
Hierna komen het wettelijk kader, de drempel voor ontslag, de gronden die in de praktijk tot toewijzing leiden, en de redenen waarom rechtbanken verzoeken afwijzen.
Wettelijk kader: art. 2:298 BW en de bevoegde rechter
Art. 2:298 BW geeft de rechter de bevoegdheid om een bestuurder van een stichting te ontslaan. Een verzoek daartoe kan worden ingediend door het openbaar ministerie of door iedere belanghebbende. Als gronden noemt de wet: taakverwaarlozing, handelen of nalaten in strijd met de wet of de statuten, en gewichtige redenen. De rechter is niet verplicht een van deze gronden expliciet vast te stellen — ook een combinatie van factoren die tezamen een gewichtige reden vormen kan volstaan.
De kring van wie als "belanghebbende" kwalificeert is ruim. Uit de jurisprudentie blijkt dat medebestuurders zonder meer als belanghebbenden worden aangemerkt. Rechtbank Oost-Brabant besliste in 2024 dat rivaliserend besturende fracties over en weer een verzoek tot ontslag konden indienen — de ontvankelijkheid van beide groepen stond buiten kijf (ECLI:NL:RBOBR:2024:4866). Zelfs oud-bestuurders kwalificeren in beginsel als belanghebbende, mits zij tijdens hun bestuursperiode betrokken waren bij de kwesties die tot het verzoek aanleiding geven (ECLI:NL:RBMNE:2024:6804).
Welke rechter is bevoegd?
De bevoegdheidsregel staat in art. 995 lid 1 Rv: bevoegd is de rechter van de woonplaats van de rechtspersoon, dat wil zeggen de rechtbank van het arrondissement waar de stichting haar statutaire zetel heeft. Deze regel is lex specialis — zij gaat voor op de algemene forumregel van art. 262 Rv. De woon- of verblijfplaats van verzoeker of verweerder is irrelevant. Rechtbank Gelderland declareerde zichzelf in april 2025 onbevoegd omdat de stichting haar zetel in het arrondissement Overijssel had, ook al woonden verzoeker en verweerder beiden in Gelderland (ECLI:NL:RBGEL:2025:3205).
Art. 995 lid 2 Rv bepaalt dat het verzoekschrift de naam en woonplaats van de rechtspersoon vermeldt. Praktisch belangrijker is lid 3: de rechter gelast in ieder geval de oproeping van de rechtspersoon. De stichting hoeft door verzoeker dus niet als formele partij in het geding te worden betrokken; de rechter verplicht haar verschijning ambtshalve. De griffier verstuurt de oproeping bij aangetekende brief (art. 272 Rv), ten minste een week vóór de zitting (art. 276 Rv), tenzij de rechter anders bepaalt.
De drempel voor rechterlijk ontslag
De rechter is terughoudend. In de geanalyseerde uitspraken wordt met regelmaat benadrukt dat niet elk bestuursconflict, niet elk beleidsmeningsverschil en niet elk vermoeden van wanbeheer tot ontslag leidt. De wetgever heeft de rechter een discretionaire bevoegdheid gegeven — niet een verplichting om in te grijpen zodra een verzoeker klaagt. Vier elementen tekenen de hoge drempel.
Concreet bewijs, geen vermoedens. Rechtbank Noord-Holland wees een verzoek af omdat het door verzoekers aangedragen accountantsrapport slechts vragen stelde over het financieel beleid, zonder daadwerkelijk wanbeheer te bewijzen (ECLI:NL:RBNHO:2022:11609). Vermoedens, hoe sterk ook, zijn onvoldoende voor rechterlijk ingrijpen.
Structureel karakter. Incidentele fouten of een eenmalige beslissing die achteraf verkeerd uitpakt, rechtvaardigen geen ontslag. De rechtbank toetst of sprake is van een patroon van gedrag dat de stichting of haar doel schaadt.
Bestuursdiscretie. Een bestuur heeft ruimte om binnen de grenzen van wet en statuten beleidskeuzes te maken. Rechtbank Noord-Holland weigerde in 2023 een bestuurder te ontslaan die besloten had een opdracht aan een externe partij op te zeggen — een beslissing die een redelijk bestuur kon nemen, ook als anderen het er niet mee eens waren (ECLI:NL:RBNHO:2023:2053).
Onderscheid conflict en wangedrag. Als een bestuursconflict door beide partijen is aangewakkerd, is ontslag van slechts één partij niet gerechtvaardigd. Rechtbank Amsterdam stelde in 2022 vast dat de conflictsituatie door beide kanten was veroorzaakt en dat de huidige bestuurders in staat waren effectief te besluiten — reden om het verzoek af te wijzen (ECLI:NL:RBAMS:2022:3646).
Wanneer wijst de rechter het verzoek toe?
In tien van de achttien geanalyseerde uitspraken werd het verzoek toegewezen of in hoger beroep bekrachtigd. De toegewezen zaken laten drie dominante patronen zien: financieel misbruik, zelfverrijking via parallelle constructies, en taakverwaarlozing.
Financieel misbruik en verduistering
De meest voorkomende grond voor toewijzing is bewezen onttrekking van stichtingsgelden voor privédoeleinden. In de Gelderlandse zaak uit januari 2026 (ECLI:NL:RBGEL:2026:414) stelde de rechtbank vast dat de bestuurder over meerdere jaren huur, gezondheidszorgkosten van persoonlijke aard en abonnementen op sekssites had laten betalen door de stichting, en daarnaast voor bijna € 79.000 aan edelmetaal had onttrokken. Totaal: ruim € 128.000 aan privé-onttrekkingen. De strekking van het oordeel: dit is geen bestuursvrijheid maar structurele zelfbediening.
In een Haagse zaak uit juni 2023 (ECLI:NL:RBDHA:2023:9453) leidden de oprichters van een stichting voor meer dan € 380.000 aan donaties om via privérekeningen. Het geld verdween naar persoonlijke uitgaven. Rechtbank Den Haag constateerde evidente strijd met de wet, de statuten en het doel van de stichting.
Rechtbank Zeeland-West-Brabant verleende in 2022 ontslag aan twee bestuurders: één die stelselmatig verduisterde, en één die het toedekte (ECLI:NL:RBZWB:2022:2620). Beide bestuurders kregen tevens een bestuursverbod van vijf jaar opgelegd. De terugbetaling van het verduisterde bedrag voorkwam het ontslag niet: het stelselmatige karakter van het gedrag bleef dragend voor het oordeel.
Zelfverrijking via parallelle constructies
Een tweede patroon betreft bestuurders die de middelen, naam of activiteiten van de stichting aanwenden voor eigen entiteiten. Rechtbank Gelderland ontsloeg in oktober 2023 twee bestuurders die een structurele beloning genoten via een tussengeschakelde BV, zonder statutaire grondslag en zonder adequate verantwoording in de jaarrekeningen (ECLI:NL:RBGEL:2023:6339). De misleidende jaarverslagen — die de constructie verhulden — wogen zwaar in het oordeel.
In de Sea Shepherd-zaak richtten de oprichters van de officiële stichting parallelle organisaties op die donateurs en middelen wegtrokken van de rechtmatige stichting, gebruik makend van naam, logo en goodwill zonder toestemming (ECLI:NL:RBAMS:2023:8451). Rechtbank Amsterdam constateerde fundamentele strijd met het stichtingsdoel.
Een variant speelde in de mondkapjeszaak (ECLI:NL:RBAMS:2022:4160): een bestuurder van een non-profit stichting was tevens directeur van een concurrerende commerciële entiteit. De scheiding tussen beide was ondeugdelijk vastgelegd, er was geen externe controle en geen schriftelijke besluitvorming. Rechtbank Amsterdam wees ontslag toe en legde een bestuursverbod van vijf jaar op. Gerechtshof Amsterdam bekrachtigde dit oordeel in hoger beroep (ECLI:NL:GHAMS:2023:1395).
Taakverwaarlozing en onbereikbaarheid
Rechtbank Den Haag deed in januari 2026 uitspraak in een zaak waarin een bestuurder volledig onbereikbaar was geworden, geen medewerking verleende aan de afwikkeling van een verkooptransactie en geen toezicht hield op de onderliggende vennootschappen (ECLI:NL:RBDHA:2026:2097). Schulden bleven onbetaald. De rechtbank stelde taakverwaarlozing vast, wees het ontslag toe en benoemde een tijdelijke bestuurder.
Wanneer wijst de rechter het verzoek af?
Acht van de achttien uitspraken eindigden met een afwijzing. De gemeenschappelijke noemer is dat verzoekers de drempel niet haalden: hetzij door onvoldoende bewijs, hetzij door een onjuiste inschatting van wat als wangedrag kwalificeert.
Onvoldoende onderbouwing
De meest voorkomende reden voor afwijzing is dat verwijten niet concreet zijn onderbouwd. In een Noord-Hollandse zaak (ECLI:NL:RBNHO:2022:11609) leunden verzoekers uitsluitend op een accountantsrapport dat vragen opriep maar geen antwoorden gaf. De rechtbank weigerde op basis van verdenkingen in te grijpen. Hetzelfde beeld in een Overijsselse zaak (ECLI:NL:RBOVE:2026:461): verwijten over tegenstrijdig belang, financieel wanbeheer en taakverwaarlozing waren niet concreet gemaakt, en een deel van de verzoekers werd niet-ontvankelijk verklaard.
Bestuursdiscretie en beleidsmeningsverschil
Rechtbank Noord-Holland stelde in 2023 vast dat de beslissing van het bestuur om een externe opdrachtnemer de wacht aan te zeggen weliswaar door een groep vrijwilligers niet werd gedragen, maar dat een redelijk bestuur een dergelijk besluit kon nemen (ECLI:NL:RBNHO:2023:2053). Het massaal wegblijven van vrijwilligers na dit besluit — een gevolg van een door henzelf gecreëerde situatie — vormde geen grond voor rechterlijk ingrijpen. Rechtbank Gelderland wees in 2024 een vergelijkbaar verzoek af van erfgenamen die niet concreet konden onderbouwen wat het bestuur anders had moeten doen (ECLI:NL:RBGEL:2024:2742).
Tegenstrijdig belang zonder concrete beïnvloeding van besluitvorming
Rechtbank Amsterdam stelde in 2022 vast dat de verwerende bestuurder nevenfuncties had die tot onwenselijke situaties konden leiden, maar dat er geen concrete gevallen waren waarin het tegenstrijdig belang de besluitvorming daadwerkelijk had beïnvloed (ECLI:NL:RBAMS:2022:3646). Bovendien waren de nevenfuncties bij aanvang van het bestuurderschap bekend. Als de conflictsituatie door beide kanten is aangewakkerd, is ontslag van één partij niet proportioneel — de rechtbank wees het verzoek in zijn geheel af.
Niet-ontvankelijkheid en weggevallen belang
Als de bestuurder vrijwillig vertrekt voordat de rechter beslist, vervalt de grondslag voor het verzoek. Rechtbank Midden-Nederland wees in december 2025 een verzoek af omdat de betreffende bestuurders al waren opgestapt (ECLI:NL:RBMNE:2025:6830). In een andere zaak van dezelfde rechtbank (ECLI:NL:RBMNE:2024:6804) werden drie van de vier verzoekers niet-ontvankelijk verklaard omdat zij niet kwalificeerden als "belanghebbenden". Voor de wél ontvankelijke verzoeker vond de rechtbank geen grond voor ontslag: de financiën waren in orde, jaarrekeningen waren goedgekeurd en het bestuur had in overleg gehandeld.
Wat betekent dit voor de praktijk?
Voor bestuurders van stichtingen geldt: financieel misbruik heeft geen marge. Zodra privébelang vermengd raakt met stichtingsvermogen — zonder grondslag in de statuten en zonder transparante verantwoording — bestaat een reëel risico op rechterlijk ontslag. Hetzelfde geldt voor bestuurders die een parallelle entiteit besturen die concurreert met of parasiteert op de stichting. De jurisprudentie maakt duidelijk dat ook de toedekker van verduistering wordt ontslagen, niet alleen de pleger.
Voor verzoekers geldt dat vermoedens, rapporten die slechts vragen stellen, en algemeenheden over "wanbeleid" of "gebrek aan vertrouwen" onvoldoende grond vormen voor toewijzing. Wie een verzoek tot ontslag indient, moet beschikken over concreet documentair bewijs van structureel wangedrag. Het verzoek wordt ingediend bij de rechtbank van de statutaire zetel van de stichting, ongeacht de woonplaats van verzoeker of verweerder (art. 995 lid 1 Rv). De stichting hoeft niet door verzoeker te worden opgeroepen: de rechter gelast dat ambtshalve op grond van art. 995 lid 3 Rv.
Voor medebestuurders in conflict is relevant dat de jurisprudentie over en weer ingediende verzoeken van rivaliserende bestuursfracties toelaat. Beide fracties zijn in beginsel ontvankelijk. De rechtbank beoordeelt dan elk verzoek afzonderlijk op zijn merites en beziet wie de drempel haalt.
Geschillen over het functioneren van een stichtingsbestuur raken aan het bredere terrein van corporate litigation. Vergelijkbare vragen over bestuurdersfalen spelen ook bij de aansprakelijkheid van bestuurders na faillissement, zij het langs een andere wettelijke grondslag.
Veelgestelde vragen
Kan een oud-bestuurder een verzoek tot ontslag indienen op grond van art. 2:298 BW?
Ja. Oud-bestuurders kwalificeren in beginsel als “belanghebbende” in de zin van art. 2:298 BW, mits zij tijdens hun bestuursperiode betrokken waren bij de kwesties die tot het verzoek aanleiding geven. Rechtbank Midden-Nederland bevestigde dit in 2024: de oud-bestuurder die acht maanden eerder was vertrokken, behield zijn ontvankelijkheid (ECLI:NL:RBMNE:2024:6804).
Wat als de stichting niet verschijnt in de procedure?
Art. 995 lid 3 Rv verplicht de rechter om de rechtspersoon in ieder geval op te roepen. De stichting hoeft dus niet door verzoeker als partij te worden betrokken; de griffier verstuurt de oproeping bij aangetekende brief (art. 272 Rv), ten minste een week vóór de zitting (art. 276 Rv). Het ontbreken van de stichting als formele partij is geen blokkade voor de procedure.
Kan een bestuurder worden ontslagen als het verduisterde bedrag achteraf is terugbetaald?
Terugbetaling herstelt het vertrouwen niet als het wangedrag structureel was. Rechtbank Zeeland-West-Brabant legde ondanks terugbetaling zowel ontslag als een bestuursverbod van vijf jaar op, vanwege het stelselmatige karakter van de verduistering (ECLI:NL:RBZWB:2022:2620).
Vindplaats — toewijzingen: ECLI:NL:RBDHA:2026:2097 (Rb. Den Haag 29-01-2026) | ECLI:NL:RBGEL:2026:414 (Rb. Gelderland 19-01-2026) | ECLI:NL:GHAMS:2025:3628 (Hof Amsterdam 10-12-2025) | ECLI:NL:RBAMS:2023:8451 (Rb. Amsterdam 20-12-2023) | ECLI:NL:GHDHA:2023:2684 (Hof Den Haag 19-12-2023) | ECLI:NL:RBGEL:2023:6339 (Rb. Gelderland 20-10-2023) | ECLI:NL:RBDHA:2023:9453 (Rb. Den Haag 29-06-2023) | ECLI:NL:GHAMS:2023:1395 (Hof Amsterdam 20-06-2023) | ECLI:NL:RBAMS:2022:4160 (Rb. Amsterdam 21-07-2022) | ECLI:NL:RBZWB:2022:2620 (Rb. Zeeland-West-Brabant 12-05-2022)
Vindplaats — afwijzingen: ECLI:NL:RBMNE:2025:6830 (Rb. Midden-Nederland 08-12-2025) | ECLI:NL:RBMNE:2024:6804 (Rb. Midden-Nederland 27-11-2024) | ECLI:NL:RBGEL:2024:2742 (Rb. Gelderland 06-05-2024) | ECLI:NL:RBNHO:2023:2053 (Rb. Noord-Holland 10-03-2023) | ECLI:NL:RBNHO:2022:11609 (Rb. Noord-Holland 22-12-2022) | ECLI:NL:RBAMS:2022:3646 (Rb. Amsterdam 30-06-2022) | ECLI:NL:RBOVE:2026:461 (Rb. Overijssel 30-01-2026) | ECLI:NL:RBAMS:2015:4381 (Rb. Amsterdam 13-05-2015)
Bevoegdheid: ECLI:NL:RBGEL:2025:3205 | ECLI:NL:RBOBR:2024:4866