Naar inhoud

Consumentenkrediet: zorgplicht, overkreditering en verweer

Inleiding

Bij consumentenkrediet, een persoonlijke lening, een doorlopend krediet of een aankoop op afbetaling, gelden strenge regels ter bescherming van de consument. Die regels, neergelegd in titel 7:2A BW en de Wet op het financieel toezicht en gestoeld op de Europese richtlijn consumentenkrediet, zien op de informatie vooraf, de beoordeling van de kredietwaardigheid en de voorwaarden van de overeenkomst. Wordt daaraan niet voldaan, dan kan dat gevolgen hebben voor de terugbetaling en de rente.

Informatie- en zorgplicht bij kredietverlening

De kredietaanbieder moet de consument vooraf duidelijk informeren over de kosten, de rente en de looptijd, en moet toetsen of het krediet verantwoord is. Deze zorgplicht volgt uit de regels over consumentenkrediet in het Burgerlijk Wetboek (titel 7:2A) en de Wet op het financieel toezicht. Hoe hoger het krediet en hoe kwetsbaarder de consument, hoe zwaarder de plicht weegt.

Overkreditering en de kredietwaardigheidstoets

De aanbieder moet vaststellen dat de consument het krediet kan dragen zonder in problematische schulden te raken. Verstrekt hij toch een krediet dat de consument niet kan dragen, dan is sprake van overkreditering en kan de aanbieder aansprakelijk zijn voor de daaruit voortvloeiende schade. De toets berust mede op raadpleging van het kredietregistratiestelsel van het BKR; over de rechtsgrond voor die registratie en het recht van de consument op verwijdering van gegevens oordeelde de Hoge Raad in een prejudiciële beslissing (HR 3 december 2021, ECLI:NL:HR:2021:1814).

Gevolgen van schending en ambtshalve toetsing

Schending van de informatie- of zorgplicht kan leiden tot schadevergoeding, tot matiging van de rente of de kosten, en soms tot aantasting van bedingen die oneerlijk zijn. Net als bij andere consumentenovereenkomsten toetst de rechter de naleving van de kredietregels bovendien ambtshalve. Dat geldt ook voor moderne kredietvormen: de Hoge Raad oordeelde over de beoordeling van vorderingen uit een achteraf-betaalservice bij webwinkels, in het licht van titel 7:2A BW en de richtlijn consumentenkrediet (HR 27 juni 2025, ECLI:NL:HR:2025:1008). De consument die zich op een schending beroept, onderbouwt de schending en het nadeel; de aanbieder moet aantonen dat hij zijn plichten is nagekomen.

Wat de uitkomst bepaalt

De uitkomst wordt bepaald door de vraag of de aanbieder aan zijn informatie- en zorgplicht heeft voldaan en of het krediet verantwoord was. Wie een kredietovereenkomst aanvecht, doet er goed aan de precontractuele informatie en de onderbouwing van de kredietwaardigheidstoets op te vragen.