Naar inhoud

De jaarrekeningprocedure bij de OK: wanneer grijpt de rechter in?

Inleiding

De jaarrekeningprocedure is het minst gebruikte instrument bij de Ondernemingskamer, maar het is een scherp instrument. Als een jaarrekening in strijd is met de wet, kan de OK vernietiging en herinrichting bevelen. In de praktijk draait alles om drie vragen: wie mag het verzoek doen, wanneer is een jaarrekening onrechtmatig, en wat beveelt de OK dan precies? De inhoudelijke uitspraken laten zien welke patronen de OK hanteert.

Wie mag klagen over de jaarrekening?

De kring van belanghebbenden bij de jaarrekeningprocedure is breed, maar niet onbegrensd. In de Steinhoff-zaak formuleerde de OK de regel helder: een aandeelhouder wordt verondersteld belang te hebben bij de juiste inrichting van de jaarrekening. Het is dan aan de wederpartij om te bewijzen dat de verzochte wijziging geen enkel nadeel oplevert. Dat lukte Steinhoff niet: de verzoekers hielden weliswaar slechts 1.000 aandelen, maar als medeaandeelhouder van POCO hadden zij concreet belang bij de vraag hoe die deelneming werd verantwoord.

Die brede lijn geldt niet alleen voor directe aandeelhouders. Een pandhouder met een financieringsbelang kwalificeerde als belanghebbende in de SportCity-zaak, en een indirect certificaathouder werd toegelaten in de Dubbel F-zaak. De grens ligt waar het belang puur ideëel wordt: de Stichting SOBI werd niet-ontvankelijk verklaard in haar verzoek tegen een pensioenfonds, omdat zij geen concreet en specifiek nadeel kon aantonen (een uitspraak over ideële belanghebbenden (2022)). Wie een algemeen maatschappelijk belang bij juiste verslaggeving nastreeft zonder eigen betrokkenheid bij de rechtspersoon, komt er niet in.

Een aparte categorie is de toezichthouder. De AFM kan sinds de Wet toezicht financiële verslaggeving zonder voorafgaande aanbeveling een jaarrekeningprocedure starten als het belang van de effectenmarkten dat vereist. In de Spyker-zaak, de eerste AFM-procedure onder die wet, werd de ontvankelijkheid bevestigd, al werden alle inhoudelijke bezwaren uiteindelijk afgewezen. De AFM hoeft niet eerst het overleg uit te putten: het verzoekrecht is zelfstandig.

Strikt is de OK ook bij termijnen. Artikel 2:449 BW geeft twee maanden na de deponering. Die termijn wordt niet gerekt: in diezelfde Dubbel F-zaak sneuvelde het verzoek uiteindelijk op die grond, ondanks het feit dat de verzoeker als indirect certificaathouder wel als belanghebbende werd aangemerkt. Het ontvankelijkheidsoordeel levert dus ook bruikbare rechtspraak op wanneer het verzoek uiteindelijk strandt.

De materialiteitstoets als eerste filter

De centrale vraag in elke jaarrekeningprocedure is of de jaarrekening in strijd is met de wet, concreet: met Titel 9 van Boek 2 BW en het inzichtvereiste van artikel 2:362 BW. Maar niet elke fout telt. Het eerste filter is steeds de materialiteitstoets: alleen fouten die het inzicht in vermogen en resultaat wezenlijk aantasten, rechtvaardigen ingrijpen.

Die toets is in de praktijk beslissend. In de mezzanine-zaak constateerde de OK dat de verwerking van een management fee niet geheel juist was, maar het bedrag was niet materieel genoeg voor herinrichting. In de tweede SportCity-zaak was de classificatie van een exclusiviteitsfee inhoudelijk onjuist, geen immaterieel vast actief, omdat de rechtspersoon geen beschikkingsmacht had in de zin van RJ 210.112, maar ook hier haalde het bedrag de materialiteitsdrempel niet. En in de Field Goal/VCG-zaak passeerden vier bezwaren achtereenvolgens de materialiteitstoets niet: USD 396.000 bij een resultaat van USD 17 miljoen was niet materieel, en de jaarrekening is bedoeld voor een brede reeks gebruikers, niet voor de specifieke informatiebehoefte van een individuele aandeelhouder.

Hoe concreet die toets is, laat de LDMA/VRC-zaak zien: de ontslagen bestuurder-aandeelhouder wierp zeven bezwaren op, maar de geconstateerde onjuistheden bedroegen 49.913 euro bij een eigen vermogen van 1,3 miljoen. De OK rekende het door en concludeerde: niet materieel. In de Spyker-zaak gold hetzelfde voor twaalf door de AFM opgeworpen toelichtingsbezwaren: geen ervan was materieel genoeg om de jaarrekening als geheel het vereiste inzicht te ontzeggen.

Die brede gebruikerskring is een terugkerend thema. De OK beoordeelt de jaarrekening niet vanuit het perspectief van de verzoeker, maar vanuit de geadresseerde: het maatschappelijk verkeer. Dat maakt het voor verzoekers lastiger om gebreken materieel te maken die vooral voor henzelf relevant zijn. Daar komt bij dat de verzoeker de stelplicht draagt: in de Croppings-zaak kon de verzoeker de waarde en het eigendom van een licentie niet onderbouwen, en de OK gaat niet op eigen houtje op zoek naar gebreken.

Toelichting als zelfstandige grond

Wanneer een fout de materialiteitsdrempel haalt, is de toelichting de meest voorkomende gebrekkige component. In meerdere zaken oordeelde de OK dat een ontoereikende toelichting op zichzelf een ernstig gebrek aan inzicht oplevert, ook als de balansposten zelf verdedigbaar zijn.

In de eerste SportCity-zaak was de rubricering van een COVID-schuld als kortlopende schuld aanvaardbaar, maar de toelichting schoot ernstig tekort: geen uitleg over de aard van de schuld en geen vermelding van gebeurtenissen na balansdatum als vereist door RJ 160.404. De Arkelhof-zaak liep stuk op hetzelfde punt: de toelichting bij irregulariteiten en een potentiele impairment van 14,2 miljoen euro was onvoldoende. En bij Steinhoff was de vermelding van het geschil rond POCO in de toelichting zo cryptisch dat gebruikers van de jaarrekening niet konden begrijpen welke risico’s Steinhoff liep.

Het patroon is duidelijk: de OK accepteert beoordelingsvrijheid bij de inrichting van balansposten, maar verwacht dat de toelichting het inzicht biedt dat de wet vereist. Wie de cijfers verdedigbaar opstelt maar de toelichting verwaarloost, loopt risico.

Impairment: ongedisconteerde kasstromen volstaan niet

De KPN-zaak is de landmark case over impairment-toetsing. SOBI vorderde herinrichting van de jaarrekening 2000, het jaar waarin KPN voor miljarden aan goodwill en licenties in E-Plus op de balans had staan. De OK oordeelde dat KPN bij de impairment-toets ten onrechte had gewerkt met de som van ongedisconteerde kasstromen over twintig jaar. Artikel 2:387 lid 4 BW vereist dat bij een beoordeling op basis van verwachte kasstromen een tijdsfactor wordt meegenomen, dat betekent DCF. Op basis van gedisconteerde kasstromen kwam de waarde onder de boekwaarde van 27,5 miljard euro uit.

Toch oordeelde de OK uiteindelijk dat er onvoldoende grond was om te concluderen dat KPN had moeten afwaarderen. Aan de ondernemingsleiding komt een ruime beoordelingsmarge toe: alleen als geen redelijk denkende ondernemingsleiding een impairment achterwege had kunnen laten, is afwaardering verplicht. Het welslagen van kapitaalmarktemissies en de recente NTT Docomo-transactie gaven KPN voldoende “comfort” om de boekwaarde te handhaven. Wel beval de OK herinrichting van de toelichting op drie punten, waaronder de verplichting om inzicht te geven in de heroverweging die tot het achterwege laten van de impairment had geleid. De Hoge Raad bekrachtigde de beschikking (HR in cassatie).

Stelselwijziging: fiscale grondslagen vergen uitleg

Een ander thema dat de OK scherp beoordeelt, is de stelselwijziging. In de Brink Pluimveeprodukten-zaak was overgestapt van commerciele naar fiscale waarderingsgrondslagen op grond van artikel 2:396 lid 6 BW. Die keuze is op zichzelf toegestaan, maar de toelichting schoot op vier punten ernstig tekort: de reden voor de stelselwijziging ontbrak, de betekenis voor het vermogen was niet inzichtelijk gemaakt, de onzekerheid rond een herinvesteringsreserve was niet toegelicht, en een voorziening voor werknemersopties was fiscaal niet toelaatbaar. De OK vernietigde het vaststellingsbesluit en beval herinrichting. Wie overstapt op fiscale grondslagen moet niet alleen de cijfers aanpassen, maar ook uitleggen waarom en wat het effect is.

Een verwant maar juridisch onderscheiden punt is het verschil tussen een stelselwijziging en een schattingswijziging. In de Reed Elsevier-zaak verlengde het concern de afschrijvingstermijn voor goodwill en immatieriele activa van twintig naar veertig jaar. SOBI betoogde dat dit een stelselwijziging was die conform artikel 2:384 lid 6 BW had moeten worden verantwoord. De OK oordeelde anders: de verlenging was een schattingswijziging, gebaseerd op een feitelijke herbeoordeling van zeven eigenschappen door de accountant. Dat de maximumtermijn als normatief kader wijzigde, was ondergeschikt aan het feit dat de herziening voortkwam uit “voortgeschreden inzicht” in de resterende levensduur van concrete activa. De OK wees ook SOBI’s overige bezwaren af, goodwill werd afgeschreven, het dividenddekkingsbegrip was voldoende toegelicht. Het arrest is de meest uitgewerkte OK-uitspraak over de grens tussen stelsel- en schattingswijziging (Reed Elsevier-arrest (2003)).

Waardering en rubricering: de MEFI-zaak

Een ander terugkerend thema is de vraag wanneer de OK ingrijpt in de waardering en rubricering van balansposten. De MEFI-zaak is daarvoor illustratief. Momentum Capital verzocht herinrichting van de jaarrekening van MEFI, een participatiemaatschappij. De OK oordeelde dat de afwaardering van participaties naar nihil zonder enige toelichting in strijd was met RJ 145.304 en RJ 110.129: als de waarde van een actief substantieel wijzigt, moet de toelichting inzicht geven in de achterliggende feiten.

Daarnaast had MEFI ten onrechte een voorziening opgenomen. Een voorziening vereist op grond van artikel 2:374 BW een waarschijnlijke verplichting; die was er niet. De OK liet overigens wel in stand dat de posten als participaties waren gerubriceerd in plaats van als deelnemingen, omdat het belang niet duurzaam werd aangehouden en er een exit-strategie bestond. Dat laat zien dat de OK de rechtspersoon wel degelijk beoordelingsvrijheid gunt bij de rubricering, zolang die keuze verdedigbaar is en wordt toegelicht.

Eigen vermogen of vreemd vermogen: de GGN-serie

De meest uitgesproken lijn in de recente jaarrekeningprocedures betreft de classificatie van eigen en vreemd vermogen bij uittredende participanten. In drie samenhangende zaken rond het GGN-concern ontwikkelde de OK een heldere doctrine.

In de GGN Brabant-zaak (2018) ging het om de jaarrekening van een regionale houdstervennootschap binnen het GGN-concern. Na uittreding van een participant was diens aanspraak op de inkoopprijs verantwoord als schuld of voorziening, terwijl het als vermindering van het eigen vermogen had moeten worden opgenomen. Bovendien was de wijziging niet als stelselwijziging of foutherstel aangegeven. De OK vernietigde het vaststellingsbesluit en beval herinrichting.

In de GGN Holding-zaak (2019) speelde het classificatievraagstuk op het niveau van de topholding. In de enkelvoudige jaarrekening stonden de aanspraken van uitgetreden participanten als agioreserve, eigen vermogen, opgenomen. De OK oordeelde dat “juridische vorm” in de zin van RJ 240.207 niet puur goederenrechtelijk mag worden uitgelegd: als een vennootschap de obligatoire verplichting heeft om aandelen in te kopen en de koopprijs te betalen, is de verschaffer in materieel en economisch opzicht geen aandeelhouder meer en moet het als vreemd vermogen worden verantwoord. Het verweer dat sprake was van een wederkerige overeenkomst die buiten de balans kon blijven (RJ 115.113/RJ 254.109) verwierp de OK: de prestatie van de uittreder had al in het verleden plaatsgevonden door inbreng van de onderneming. De Hoge Raad bekrachtigde deze beschikking in haar arrest van 2020.

De derde zaak in de serie, Eneri/VPGG (2021), bouwde hierop voort met een aanvullend oordeel over de continuiteitsveronderstelling. VPGG stelde dat het eigen vermogen “op commerciele grondslagen” positief was. De OK oordeelde dat die mededeling feitelijk onjuist en misleidend was: ook achtergestelde agioverplichtingen zijn verplichtingen. Omdat VPGG in 2025 zou ophouden te bestaan en niet aan haar schulden zou kunnen voldoen, moest de jaarrekening worden opgesteld op basis van onontkoombare discontinuiteit in de zin van RJ 170, niet op basis van de continuiteitsveronderstelling. Daarnaast waren er sterke indicaties voor een bijzondere waardevermindering van de deelneming in GGN MC: de boekwaarde bedroeg ruim 17 miljoen euro, terwijl uit de transactie met nieuwe aandeelhouders een waarde van hooguit 2,4 miljoen viel af te leiden.

Het spectrum van maatregelen

De OK beschikt over een gedifferentieerd arsenaal. Het zwaarste middel is de vernietiging van het vaststellingsbesluit gecombineerd met een bevel tot volledige herinrichting, zoals in de GGN-zaken en de Arkelhof-zaak. Dat gebeurt bij ernstige tekortkomingen die het inzicht in de vermogenspositie wezenlijk aantasten.

Een stap lichter is het bevel tot aanvullende toelichting via artikel 2:362 lid 6 BW: de rechtspersoon legt een mededeling neer bij het handelsregister. Dat pad koos de OK in de eerste SportCity-zaak, waar het gebrek beperkt was tot de toelichting.

Een bijzondere variant is het bevel tot herinrichting zonder vernietiging van het vaststellingsbesluit. In de KPN-zaak was vernietiging niet mogelijk op grond van artikel 1002 lid 4 Rv, maar beval de OK wel aanpassing van de toelichting op drie punten.

Bij inhoudelijk onjuiste maar niet-materiele posten kiest de OK voor een aanwijzing die alleen toekomstige jaarrekeningen raakt, op grond van artikel 2:451 lid 3 BW. Dat deed zij bij de exclusiviteitsfee in de tweede SportCity-zaak, bij de management fee in de mezzanine-zaak en bij de afschrijving van beleggingsvastgoed tot nihil in de Fuikebrug-zaak. Het signaal: de OK corrigeert de koers voor de toekomst zonder de bestaande jaarrekening open te breken.

Toetsing door de Hoge Raad: jaarrekeningprocedures

De enige jaarrekeningprocedure die de Hoge Raad bereikte is afgedaan op grond van artikel 81 RO, zonder inhoudelijke motivering. De beperkte cassatierechtspraak op dit terrein suggereert dat de OK-oordelen over jaarrekeninggeschillen in de praktijk zelden worden aangevochten.

Wat betekent dit voor de praktijk?

De jaarrekeningprocedure is geen instrument voor aandeelhoudersconflicten, dat is het enquêterecht. Het is een instrument voor de integriteit van financiële verslaggeving. De OK hanteert een hoge drempel: alleen materiele fouten die het wettelijk vereiste inzicht aantasten, rechtvaardigen ingrijpen. Maar als die drempel wordt gehaald, grijpt de OK gedetailleerd in met concrete aanwijzingen voor zowel de huidige als toekomstige jaarrekeningen.

Voor bestuurders en commissarissen: de toelichting is geen bijzaak. Verdedigbare balansposten met een gebrekkige toelichting vormen het meest voorkomende struikelblok. Besteed bijzondere aandacht aan de classificatie van eigen en vreemd vermogen bij complexe participatiestructuren, aan de impairment-toets bij goodwill en aan de toelichting bij stelselwijzigingen. De OK heeft op elk van deze terreinen een heldere en strenge lijn uitgezet, meermalen bevestigd door de Hoge Raad.

Verdere verwijzingen: KPN tussenbeschikking (impairment); Field Goal incidenteel (vermeerdering verzoek).